De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Het gebed in 's Lands Vergaderzalen.

Aan de redactie van „ Onze Gids, " Maandblad van den Bond van Anti-Revolutionaire Propaganda-Clubs werd gevraagd, of het niet geoorloofd, ja plichtmatig zou zijn, dat ook in de volksvertegenwoordiging de vergaderingen met gebed en dankzegging worden geopend en gesloten.

De redactie vindt dat deze vraag op zichzelf niet zoo moeilijk te beantwoorden is.

«Immers als wij ons op het standpunt plaatsen, dat wij voor allen arbeid Gods zegen noodig hebben en dat God ons bevolen heeft ook voor onzen arbeid Zijnen Naam aan te roepen, als wij er van doordrongen zijn, dat wij afhankelijk zijn van God en deze afhankelijkheid in ons gebed moeten erkennen, dan spreekt het als vanzelf, dat dit ook in 's lands vergaderzalen moet worden beleden»

»Temeer waar wij toch nog altijd leven onder een Christelijke overheid, ook in onze staatsinstellingen nog steeds een beroep wordt gevonden op Gods bijstand en ook onze Koningin nog altijd als formule gebruikt, het: regeerende bij de gratie Gods. Als dit alles ofificieel wordt erkend.

Dan ligt het ook op den weg der overheid haar arbeid met gebed aan te vangen. In sommige gemeenteraden is het dan ook gebruikelijk. En er zou ook niets tegen te zeggen zijn, indien het ook in de hoogere vergaderingen geschiedde.»

Onze Gids vindt evenwel, dat men op practische bezwaren stuit. Vooral wanneer men heeft een gemengde samenstelling van de vergadering.

Deze bezwaren acht het blad hierin gelegen, dat naast den belijder van Jezus Christus, de Jood staat, die van Jezus niet wil weten of de atheïst, die voor zijn private leven het gebed heeft afgeschaft. Toch zouden de bezwaren niet behoeven te gelden, omdat het gebed niet een particulier gebed, maar een officieel gebed zou zijn.

Dat gebed zou dan echter een formuliergebed moeten zijn, waarin vooral de nadruk zou gelegd moeten worden op het Schepper zijn van God, met de erkentenis, dat ook alle gezag op deze aarde van God op den mensch is gelegd.

Het blijft altijd een hartverheflfende gedachte — zoo besluit de schrijver zijn antwoord — dat op de Groote Vergadering van 1651 er eerst werd nedergeknield voor de arbeid werd aangevangen en bij monde van den raadpensionaris het gebed der Overheid tot God werd opgezonden.

Ook in dezen is het: niet tevreden, maar voortvaren tot het ideaal. De schoonste bladzijden der historie dagteekenen nog altijd uit die jaren, toen de overheid zich het kloek belijden van den Naam des Heeren niet schaamde en ook als overheid leefde bij het gebed.

In de volgende nemen: Delftsche Kerkbode lazen we het stukje dat we hier gaarne overnemen:

De oorlog.

In deze dagen wordt de vraag weer opgeworpen, of oorlogvoeren volgens de wet des Heeren wel geoorloofd is. De Mennonieten ontkennen het. Daar is in den oorlog ook ontzaggelijk veel, dat ons tegen de borst stuit. Soldaten vellen elkander door lood of zwaard, terwijl toch de groote hoop zelf niet weet, waarom het gaat. Ze hebben elkander nooit gezien, nog veel minder ooit iets tegen elkander misdaan, en toch gaan ze met verwoedheid vechten, en triomfeeren, als zij maar veel slachtoffers gemaakt hebben. Huisgezinnen worden uit elkander gerukt. Velden worden vertreden. Ellende en jammer worden overal gebracht. Iemand heeft gezegd: „Indien alle menschen, die bedenken dat zij menschen zijn, niet door de gedaante des lichaams, maar door hun rede, dan ook maar een weinig het oor wilden leenen aan de heil en vreedzame bewegingen dezer rede, en zich niet lieten vervoeren door hoovaardij en verwaandheid, zoodat zij veeleer naar hun driften luisteren, dan naar hun inwendigen raadgever, zoo zou de wereld van overlang het ijzer en het staal tot veel natuurlijker gebruik bezigen dan om te oorlogen; de menschen zouden hun leven in een aangename rust slijten, en in eendracht leven!" Maar de verdorvenheid is zoo groot in de wereld, dat de menschen 'zich genoodzaakt vinden, huns ondanks, te oorlogen.

Ten eerste vinden wij het recht tot oorlogen binnen zekere grenzen door God zelf in de geheele bezielde schepping gelegd. Alleen natuurlijk, dit staat voorop, doordien de gansche schepping de gevolgen der zonde draagt. Ware er geen zonde dan ware er ook geen oorlog. Maar als wij dit voorop stellen, dan zeggen wij even zeker, dat de Heere het recht tot oorlogen binnen zekere grenzen in de geheele bezielde schepping gelegd heeft. Alle dieren toch hebben van den Heere hun verweermiddelen ontvangen. De koe hare hoornen, de kat hare nagelen, het paard zijne hoeven. En nu behoeven wij daarop niet verder in te gaan. Zelfs in de plantenwereld vinden wij eveneens verweermiddelen om hun eigen bestaan te verdedigen. Niemand zal er dan ook op tegen hebben, dat ieder mensch in zelfverdediging, als het niet anders kan, zijn vijand van zijn lijf houdt, desnoods onschadelijk maakt als het leven tegen leven is. Indien dan de enkele persoon zich verdedigen mag, en tot zelfbehoud een strijd met een ander op leven en dood voeren mag, hoeveel te meer zal dan een geheel volk als éen geheel zijn volksbestaan mogen verdedigen tegen den roover die het aantast.

Maar laten wij het Woord Gods raadplegen. Abrahams geschiedenis leert ons, dat Melchizedek, een priester van den allerhoogsten God, den Heere dankte dat Hij de vijanden in Abraham's hand gegeven had. Zou hij dit gedaan hebben, als het oorlogvoeren niet geoorloofd geweest ware? .

De Heere heeft zelfs een oorlogswet gegeven in Deuteron. 20: 10—14. En dit gold niet de oorlogen tegen de Kanaanieten, wier land aan Israël gegeven was, maar dit betrof den oorlog tegen steden buiten het heilige land gelegen.

In Hebr. XI wordt ons gezegd, dat Jefta, Simson, Gideon, Barak door het geloof koninkrijken overwonnen hebben en de vijanden deden vluchten.

Paulus zegt dat aan de Koningen en aan allen, die in hoogheid gezeten zijn, de voorbidding toekomt, opdat wij een gerust en stil leven mogen leiden. Maar die overheden zullen hun volk geen gerust leven .kunnen doen leiden, als het hun niet geoorloofd is tegen de macht van den geweldenaar ook de macht van hun eigen zwaard te stellen.

Johannes de Dooper heeft den krijgslieden, die tot hem kwamen, niet geboden de wapens neer te leggen, maar zich te vergenoegen met hun bezoldigingen.

Men werpt tegen Jesaja 2; 4 waar gezegd wordt, dat de volken hunne zwaarden tot spaden zullen slaan, en hunne spiesen tot sikkelen, en dat zij geen oorlog meer leeren zullen. Maar dit woord ziet op het wonderwerk der genade. Want het is door den Geest des Heeren, dat ook de onderlinge vijandschap vernietigd wordt. En dit wordt duidelijk in deze wereld ervaren, ofschoon het eenmaal in den vollen zin des woords zal worden gekend als het eeuwige vrederijk daar is. Daarom zal ook bij een noodzakelijken en wettigen oorlog het zuchten der kerk zijn: „Och, Heere, dat uw vrederijk kome!"

Men heeft ook aangehaald Matth. 5 : 39 «Als iemand u.op den rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe!  Maar hierdoor wordt de bijzondere wraakneming afgekeurd. Het wil natuurlijk niet zeggen, dat men zich zou moet laten doodslaan. Geen wraakoefening mag er zijn. Haat moet door liefde beantwoord worden, dat is de bedoeling.

Men heeft zich beroepen op 2 Cor. 10 : 4 : «De wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten.» Maar dit ziet op de uitbreiding van Gods koninkrijk. Daarbij zal geen stoffelijk zwaard gebruikt worden, zooals bij de kerstening der volken zoo vaak is geschied. Het zwaard in dien krijg zal zijn het levend woord van God.

Men beroept zich ook op het woord van Jezus tot Petrus: «Keer uw zwaard weder in zijn plaats, want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan!» Maar wij moeten schrift met schrift vergelijken. En als de Schrift ons vertelt, dat de overheid Gods dienaresse, is, die het zwaard niet te vergeefs draagt, dan blijkt immers daaruit duidelijk, dat het gebruik van het zwaard niet altijd ongeoorloofd is. En dan kan het woord van den Heiland ook alleen beteekenen, dat men geen stoffelijk'zwaard zal gebruiken, om Zijn Koninkrijk uit te breiden en de macht van Satan tegen te gaan.

Ten slotte wijzen wij nog op Jacobus 4: 1 Vanwaar komen krijgen en vechterijen onder u ? Komen zij niet hiervan, n.l. uit uwe wellusten, die in uwe leden krijg voeren ? Maar daarmede wordt wel gewezen op de bron van den oorlog. Die bron is ons zondig hart. Waar de toestand echter nu eenmaal zoo is, daar sluit dit woord niet uit de wettige zelfverdediging.

Nooit heeft de chr. kerk dan ook de verbondszegele'i den christenen geweigerd, als zij in den krijg gingen. Kwam het er op aan om te kiezen tusschen den krijgsmansstand en den Christus, zooals in dagen van vervolging wel plaats had, natuurlijk had men dien stand vaarwel te zeggen en den Christus te belijden. Zoo lezen wij van een christensoldaat te Cesaréa Stratonis, Marinus genaamd, die op het punt stond om tot Hoofdman bevorderd te worden. Op het oogenblik, dat die bevordering zou plaats grijpen, trad een ander krijgsknecht te voorschijn, die hem het naast in rang was, en dus zelf de bevordering hebben zou, indien Marinus uit den weg kon geruimd worden. Hij verklaarde, dat Marinus naar de oude wetten geen waardigheid bekleeden kon, omdat hij christen was, en dus noch aan den Keizer, noch aan de Goden offerde. Toen werd aan Marinus een bedenktijd van drie uren gegeven om zijn Christelijke belijdenis te herroepen. Hij deed het niet, en werd onthoofd. Daaruit ziet men alweer dat ook de christenen uit die dagen hun krijgsplichten vervulden met eene geruste conscientie, en alleen, als zij kiezen moesten tusschen den Christus en de krijgsmanseer deze laatste lieten varen.

Maar wij hebben gezegd, dat het recht tot oorlogen alleen binnen zekere grenzen ligt. Ambrosius heeft gezegd: «De dapperheid, die door den krijg tegen den inval van vreemden den Staat beschermt, en van binnen de zwakken van de onderdrukking of de bondgenooten van de geweldenarij des verweldigers verlost, is ten volle rechtvaardig.» Hierin ligt reeds een grens opgesloten. Oorlog is niet altijd geoorloofd. Alle verdedigende oorlogen zijn het wel. Zelfs al zou men aannemen, dat men zijn eigen persoonlijk bezit niet verdedigen mag, is de verdedigende oorlog toch nog geoorloofd aan de overheden, die van Gods zijde niet alleen over eigen goed, maar over het goed van al de onderdanen zijn gesteld.

Zoo kan men ook een verdedigenden oorlog te voeren hebben ten behoeve van de bondgenooten, of van andere zwakke staten.

Een aanvallende oorlog is ook niet onrechtvaardig, als het geldt de verdrukte te helpen. Zoo zou een oorlog tegen Turkije als het de Armenische Christenen oogluikend vermoorden laat, zeker een rechtvaardige oorlog zijn.

Slot volgt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's