De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

16 minuten leestijd

Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet vanwege deze groote menigte, want de strijd is niet uwe maar Godes. 2 Kron. 20:15b.

De strijd niet onze, maar Godes.

Het zijn bange dagen die wij beleven. Daar is schrik van rondom. Van alle zijden immers is ons land door oorlogvoerende mogendheden omringd, en ieder gevoelt schier dat het een wonder Gods zal zijn indien ons vaderland voor den gruwel der verwoesting gespaard zal worden.

Daar is dus eénerzijds oorzaak om te vreezen. Neen, daar is geen oorzaak om elkaar bang te maken; daar is, geen reden om de menschen onrustiger te maken dan de velen reeds zijn; maar daar is, als we rondom ons zien en we denken aan de ernstige gevaren die dreigen, oorzaak om te vreezen. Alleen op éen voorwaarde behoeven we in deze bange dagen niet te vreezen, en dat is als we het woord dat we hierboven schreven verstaan.

Dit woord is een woord van den profeet Jahaziël, dat hij in den naam des Heeren gesproken heeft tot de inwoners van Juda en Jeruzalem en inzonderheid ook tot den vromen koning Josaphat, een der godvruchtige koningen uit het huis van David, aan wiens vaste hand in die dagen de teugels van het bewind waren toevertrouwd.

Bange en ernstige tijden toch waren er voor het rijk der twee stammen aangebroken. Ook zij werden met een ernstigen oorlog bedreigd. Het waren n.l. de kinderen Moabs en de kinderen Ammons die zich met andere volken verbonden hadden en die nu optrokken om Josaphat en zijn volk den krijg aan te doen.

Reeds had het gerucht van hun komst den koning bereikt. Men had hem geboodschapt : daar komt een groote menigte tegen u van gene zijde , der zee uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Tamar, hetwelk is Engedi.

Het was dus een ernstig gevaar waaraan Juda bloot stond. Weldra zou het land door een groote menigte vijanden worden overstroomd, en men voelde het, daar zou geen kracht zijn om hen tegen te houden. Wanneer tegen zulk een ontzaggelijke menigte de wapenen gekeerd moesten worden, dan was het vooruit te berekenen dat het zwaard nutteloos in 't strijden zou zijn en dat er op het bloedig slagveld een volkomen nederlaag geleden zou worden.

Was het wonder dat Josaphat vreesde en dat de gedachten des volks zich vermenigvuldigden - bij het vooruitzicht van zooveel leed dat weldra stond geleden te worden.

Neen, de vrome koning Josaphat verhardde zich niet tegen de hand des Heeren, tegen de bezoekingen en de oordeelen Gods die aanstaande schenen te zijn.

Integendeel, , diepe verootmoediging was de vrucht van de oorlogsgeruchten die tot hem kwamen. Hij vreesde, maar dat niet alleen. Had hij alleen gevreesd dan zou hij zeker een slechte raadgeefster hebben gehad en dan zou de heerlijke bemoediging van ons tekstwoord hem ook nooit geweest zijn tot een verkwikking der ziel. Maar hij deed meer dan vreezen. Josaphat kende den weg tot den troon der genade. Hij wist wat het was zijne knieën te buigen voor het aangezicht Gods. Hij schaamde zich niet om als koning zijn volk saam te roepen in het huis des Heeren en daar aanroeping te doen van den Naam zijns Gods, dien God der vaderen, die een Heerscher was over alle koninkrijken der heidenen en in Wiens hand kracht en sterkte was.

Aan dien God maakte hij de woorden van zijn volk bekend. Aangrijpend is het gebed waarin hij den Heere in den dag zijner benauwdheid heeft aangeroepen.

Wanneer gij dat gebed nauwkeurig naleest dan zult gij bemerken dat het een. roepen was tot den God des eeds en des Verbonds. Hij bepaalt den Heere immers bij de weldaden die hij vroeger aan het zaad Abrahams had betoond. Hij herinnert er aan hoe de Heere de heidenen voor het aangezicht van zijn volk Israel verdreven had en hij pleit op het recht des Heeren, waardoor immers ook alleen Zion kon verlost wordeni „O, onze God" — zoo roept hij — - „zult Gij geen recht tegen hen oefenen, want in ons is geene kracht tegen deze groote menigte die tegen ons komt en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zijn op U."

Wat is dat heerlijk als wij zoo in ons gebed pleiten.mogen.op het.recht van God. Zeker, het is reeds een voorrecht als wij genade mogen begeeren. Maar rijker is het, als wij geen genade wenschen — wat trouwens ook niet mogelijk is — die gepaard zou gaan met krenking van Gods recht. Gelukkig dus als we nog liever oorlog zouden begeeren met behoud van Gods recht dan een vrede waarbij het recht des Heeren vertrapt en geschonden zou worden. Dan is ons gebed toch eigenlijk ook eerst het rechte gebed, wanneer wij alleen genade begeeren die in recht is gegrond.

En zoo was het nu met koning Josaphat. Hij vraagt niet anders dan dat de Heere recht zal doen. O, wat een plechtige ure zal dat geweest zijn, toen gansch Juda daar voor het aangezicht des Heeren bij monde van zijnen koning stond te pleiten op het verbond van Gods genade, dat gefundeerd is in Gods heilig en onkreukbaar recht.

Zou de Heere op zulk een gebed zich kunnen houden als doof. Hij die hoort naar het geroep der jonge raven, naar het piepen van de zwaluw en het kirren van de duif, zou Hij niet luisteren naar zulk een geroep dat in de. diepte der ellende geboren, opstijgt tot den troon Zijner vlekkelooze Majesteit?

Neen, van die zijde bezien was het geen wonder dat de Geest des Heeren aanstonds in het midden der gemeente nederdaalde, en dat Hij den zoon van Zecharja aangordde, om tot de inwoners van Juda en Jeruzalem en tot den koning Josaphat te zeggen, dat hij maar niet vreezen moest en dat hij zich door die groote menigte die daar aan de grens van zijn land lag, maar niet moest laten ontzetten.

Wat moest Josaphat dan doen? Moest hij stil bij de pakken gaan nederzitten? Moest hij bij zich zelven denken: nu de Heere dit tot mij gesproken heeft, nu komt alles wel recht, nu zal ik mij verder om de Moabieten en om de Ammonieten maar niet meer bekommeren, de Heere zal mij nu toch wel beschermen, en de Heere zal er nu toch wel voor zorgen dat wij veilig zijn?

Neen, niets van dat alles. Integendeel, hij moest morgen tot hen aftrekken, hij moest zijn leger dus mobiliseeren, en dan zou hij ze vinden bij den opgang van de Ziz en hij zou ze ook vinden in het einde des dals, vooraan de woestijn van Jeruël. Hij zou zich dus van alle zijden door de vijanden omsingeld zien. Maar hij zou in dezen strijd niet te strijden hebben. Dat zou dé, Heere wel voor hem doen.

En daar hebt gij dan ook den grond waarop de profeet de heerlijke bemoediging van ons tekstwoord rusten doet:

De strijd, zegt hij, is niet uwe, maar Gods. Het was dus de Heere geweest, die de kinderen Moabs en de kinderen Ammons ten strijde had geroepen. Zij waren niet anders jdan instrumenten tot volvoering van Gods wijzen en eeuwigen raad.

En met dat oproepen had de Heere ongetwijfeld zijn wijze en goddelijke oogmerken. Een dier oogmerken was om Juda te verootmoedigen, om Josaphat als hoofd van zijn volk op de knieën te brengen, om het volk bidden te leeren, om ze te leeren pleiten op de beloftenissen van dat verbond, waarin genade en waarheid elkander ontmoeten, waarin gerechtigheid en vrede elkander kussen.

De strijd is niet uwe maar Godes! Neen, Josaphat zelf zou de Moabieten niet kunnen verdrijven en hij zelf zou de Ammonieten niet kunnen verslaan. Wanneer gij dan ook het vervolg van deze geschiedenis naleest, dan zult gij bemerken dat de Israëlieten inderdaad niet anders te doen. hadden om bevestigd te worden dan te gelooven inden Heere hunnen God en in het woord dat door den mond zijner profeten wat tot hen gekomen.

De strijd zelf bleek zoo heel en al het werk des Heeren te zijn.

Immers als straks de Moabieten en de Ammonieten en de inwoners van het gebergte Seïr tegen Israel optrokken, dan heeft de Heere ze tegen elkander verward, zoodat de een den ander ten val heeft gebracht. Blijkbaar hebben zij elkaar het beste deel van het land Kanaan niet gegund, en zoo hebben zij uit afgunst de wapenen tegen elkander gericht. Maar dat juist is Juda's behoud, dat juist is voor Gods volk een oorzaak van ontkomen geweest. Daardoor juist hebben de Israëlieten stof gekregen om straks in het dal Beracha, het dal des lofs, saam te komen en daar op den vierden dag den Heere te loven, omdat Hij ze over hunne vijanden had verblijd.

Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet vanwege deze groote menigte, want de strijd is niet uwe maar Godes.

Heeft de Heere dit woord in oude dagen niet heerlijk vervuld? Heeft Hij de vreeze van Israels volk en van koning Josaphat niet wonderlijk beschaamd, en heeft Hij het niet duidelijk bewezen dat Hij het is, die Zijn knecht Jacob ontzet van het booze zwaard, die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, die den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, die de wagenen met vuur verbrandt?

En diezelfde God leeft nu nog. Diezelfde bemoediging mag dus ook nu nog gericht tot alle dezulken die op dien God hun betrouwen stellen, en diezelfde grond: de strijd is niet uwe maar Godes, mag ook nu nog aangewezen aan een iegelijk wiens hope door genade op het recht des Heeren gevestigd mag zijn.

Een ernstig gevaar! Ja, dat was en dat is het, waaraan ook ons vaderland thans onderhevig is. Neen, wij schrijven dit niet om u bang te maken, maar opdat wij ons van den toestand goed bewust zouden zijn.

Immers het zijn geen Moabieten en Ammonieten die ons bedreigen, maar het is toch niemand onzer onbekend, dat eénerzijds Duitschland en anderzijds België en Engeland, om nu alleen van onze naburen nog maar te spreken, met elkander in een vreeselijken oorlog gewikkeld zijn. De geruchten van ernstige gevechten zijn dan ook reeds tot ons gekomen en een huivering gaat door onze leden als we denken aan de dooden, die reeds vielen, aan de gewonden die daar reeds nederliggen, en aan de vele vluchtelingen die nu reeds van uit België en Duitschland in ons nu nog veilig Nederland een toevlucht hebben gezocht.

Ernstig is dus de toestand waarin ons vaderland verkeert. Waarlijk, we mogen met Amos wel zeggen: »de vijand en dat rondom het land."

En wanneer het oorlogsvuur op onze vaderlandschen bodem niet ontstoken zal worden, dan mag het woord van dienzelfden profeet het onze wel zijn: „gelijk als een herder twee schenkels of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzoo zullen de kinderen Israels (in dit geval het volk van Nederland) gered worden, die daar zitten in den hoek van het bed en op de sponde van de koets."

Gelukkig als dat woord op ons volk in deze dagen van toepassing zal zijn. Maar ook schrikkelijk, wanneer het eens anders moest wezen. Immers wie zal dan keeren de drommen van vijanden waarmede ook ons vaderland zal worden bedekt, wie zal dan tellen de dooden en gewonden die ook hier geveld zullen worden, wie zal dan wegen het nameloos wee dat men ook hier doormaken zal?

Neen, het is eénerzijds geen wonder dat evenals Josaphat vreesde bij het naderen zijner vijanden, dat zoo ook in ons vaderland allerwege bedruktheid bestaat en dat met name ook het hart onzer geëerbiedigde Vorstin vervuld zal wezen met kommer en zorg.

Maar nu is het niet voldoende, wanneer alleen de vreeze over ons komt. Immers wat baat ons die vreeze, indien zij ons niet brengt op dezelfde plaats waar zij Josaphat bracht, indien zij ons niet nederwerpt in het dal der verootmoediging voor het aangezicht Gods, en indien wij niet iets verstaan van dat gebed, waarin Josaphat de nooden van zich en zijn volk voor den troon der genade heeft nedergelegd.

Iriamers de vrees op zichzelf kan ons niet redden. Daarom is het goed dat er allerwege bedestonden worden uitgeschreven en dat men overal samenkomt in het huis des gebeds om de smeekbeden voor den troon des Almachtigen neder te werpen. O, mocht het nu ook bij ons maar wezen een roepen tot den God des eeds en des Verbonds, mocht het nu ook bij ons maar zijn dat we den Heere bepalen mochten dat Hij ook in vroeger dagen aan onze vaderen zooveel wonderen heeft verricht. Imniers als we de historieblaan opslaan dan lezen we zoo telkens van wonderdadige uitreddingen die de Heere ook vroeger ons bewezen heeft. Ja, mocht het maar zijn dat ook wij iets verstonden van dat pleiten op Gods heilig en onkreukbaar recht, dat hét ook onze begeerte mocht wezen om lievet oorlog te krijgen dan dat daar een schending van het recht des Heeren zou zijn; en mocht zoo de bede van een Josaphat ook onze bede maar zijn: O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geen kracht tegen deze groote menigte die tegen óns komt en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zijn op U.

Immers als we zoo onze smeekschriften voor den troon des Almachtigen mogen nederleggen — en daar zal toch ook in ons vaderland nog wel een volk gevonden worden dat aan het Josaphats gebed geen vreemdeling is, dat in Gods genade nog roemen en daarom juist op Zijn heilig recht pleiten mag —, wat dunkt u, zou de Heere dan wel als doof van ons afhouden? Zou Hij zich dan wel tegen ons kunnen stilhouden, zoodat wij gelijk werden aan degenen die in den kuil zijn nedergedaald?

Neen, evenals de Heere Zijn oor aan het gebed van Josaphat heeft geneigd, even zeker zal Hij het ook nu neigen tot het geroep desgenen die gansch ontbloot is. De Heere versmaadt het geroep Zijner ellendigen niet. En daarom mag de troostrijke, de heerlijke bemoediging ook thans gericht worden tot allen die bidden geleerd hebben: Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet van wege deze groote menigte.

Wat beteekent dat? Ligt daarin opgesloten dat ons land zeker voor de gruwelen van den oorlog bewaard zal blijven? Het zou kunnen wezen, maar laat ons met alle voorspellingen o zoo voorzichtig zijn. Immers wat we gaarne wenschen wordt door ons zoo spoedig geloofd. Het woord dat Jesaja eens sprak tot Hiskia van koning Sanherib: „hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten", is zoo spoedig door ons overgenomen. Maar of het daarom ook aan ons vaderland op dezelfde wijze vervuld zal worden als het in de dagen van Josaphat en later in de dagen van Hiskia aan Israel bevestigd is, is een andere vraag.

Zeker, de Heere verhoort al de gebeden van Zijn volk en Hij vervult al de beloften die Hij hun heeft verpand, maar laten we niet vergeten, dat de Heere dat altoos doet op Zijn wijze en op Zijn tijd. De strijd is niet onze maar Godes; dat wilde voor Josaphat niet zeggen dat hij er werkeloos bij mocht blijven zitten en dat hij zelfs in 't geheel niet behoefde te letten op de ernstige gevaren waaraan hij was blootgesteld. Integendeel, we hoorden dat hij op bevel des Heeren moest aftrekken. Hij had zich dus te stellen in den weg der middelen, en dan had hy verder af te wachten wat de Heere zou doen. Dan had hij te bedenken dat het paard feilt ter overwinning en door zijn groote sterkte niemand bevrijdt.

En zou dit ook niet op den ernstigen toestand van ons vaderland kunnen toegepast worden? In naam van onze Koningin is ook ons volk onder de wapens geroepen. En ook in dezen hadden onze zonen en broeders, onze mannen en vaders zich te stellen in den weg der middelen en zij hadden en hebben zich te onderwerpen aan de wettige macht die "niet bij geval maar van Gods wege-over hen aangesteld is.

Maar »wat het nu worden zal, hebben zij en hebben wij aan den Heere over te laten. De strijd is niet hunne en niet onze, maar Godes. Het was de Heere die hei naar Zijn wijzen raad zoo beschikt heeft dat de groote mogendheden van Europa als tot de tanden gewapend tegenover elkander staan.

En of nu ook ons vaderland in dien wreeden strijd betrokken zal worden, of dat misschien de wijze waarop men bezig is elkaar te verteren, ons land ten goede zal komen, gelijk eenmaal de onderlinge afgunst van Moabieten en Ammonieten het rijk van Juda ten goede kwam... wij weten het niet en we hebben dat over te laten aan Hem, die de harten der koningen neigt als waterbeken.

Wat wij te doen hebben in deze ernstige tgden die we beleven, het is onze handen op te heffen naar de aanspraakplaats van Gods heiligheid, en, mocht het zijn, ook onze harten uit te storten voor het aangezicht van Hem die alleen machtig is om alle oorlogsfakkels te blusschen en om de grendelen onzer poorten zoodanig te versterken dat wij bevrijd zullen blijven van de hand der vreemden die rondom onze grenzen gelegerd zijn.

En als het dan soms, wat God verhoede, eens anders moest zijn, zoodat de Heere onze bede niet kwam te hooren in dien zin als dat door ons wordt begeerd, welnu, ook dan zullen we, wetende dat de krijg des Heeren is, de hand op den mond moeten leggen. Ook dan zullen we Gods recht hebben te billijken en zal het onze belijdenis moeten zijn: Heere, het is om onze zonden dat we geslagen worden; het is om onze overtredingen dat we verwond worden; het is alles, opdat ons land voor nog grooter afwijking zou worden bewaard en voor nog grooter afval zou worden behoed.

Wanneer we maar mogen verstaan dat alle dingen moeten medewerken ten goede, dan zal, hetzij krijgsgeschrei of vredegejuich weldra op onze straten gehoord zal worden, het met den dichter onze belijdenis kunnen zijn:

Doch gij, mijn ziel, het ga zoo 't wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil. Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken;

Hij is mijn rots; mijn heil in nood; Mijn hoog vertrek. Zijn macht is groot; Ik zal noch wanklen, noch bezwijken.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's