Uit de Pers.
Dr. Bronsveld schrijft in de Kroniek van „de Stemmen voor waarheid en vrede" (Aug. 1914) over Kerkelijke toestanden, waarvan we gaarne iets overnemen, 't Is zoo echt à la Bronsveld. De geleerde predikant van Utrecht zegt dan — in verband met de voorstellen tot wijziging van de proponents formule —
„Men vergunne mij, hier een kort historisch overzicht te geven.
Vóór 50 jaar, toen ik predikant werd, verkeerde de Ned. Herv. Kerk in menig opzicht in veel ongunstiger toestand dan tegenwoordig. De Synode en nagenoeg alle Kerkelijke Besturen bestonden uit mannen van de oud-liberale, Groninger of moderne richting. De predikanten waren voor de meerderheid van dezelfde gezindheid. En zij hielden dit niet verborgen. Beleed Ds. v. Hamel niet openlijk „de atheïstische nuance van 't christendom"?
Hield Ds. Mosselmans niet een hemelvaartspreek, waarin hij betoogde ie. er is geen hemel; 2e. dus is Jezus niet ten hemel gevaren; 3e. hij kan dus ook van daar niet nederkomen.
Vele predikanten waren er zöo van overtuigd, dat zij niet in de kerk thuis behoorden, dat zij hun bediening neerlegden of overgingen tot een ander Kerkgenootschap Ik wijs op "Pierson, Busken Huet, van Hamel, de Veer, van Gorkum, Slotemaker, de gebroeders Hugenholtz en vele anderen.
In sommige streken van ons land was een orthodox predikant een onbekende verschijning, een soort voorwereldlijk of vóór historisch fenomeen. Mij ging het zoo, toen ik in 1862 kwam te Ophemert.
Dat is veranderd, toen niet meer de Kerkeraden, maar de lidmaten predikanten beriepen. In weinige jaren had de orthodoxie de bestuursmacht in de Kerk veroverd. Doch inmiddels was 'Dr. Knijper opgetreden, die het Kerkelijk vraagstuk aan de orde stelde, en de Kerk in haar tegenwoordige samenstelling met felheid bestreed. Dit is uitgeloopen op de doleantie. Zij is voor den redacteur van „de Heraut" in zoo ver een teleurstelling geweest, dat de gehechtheid aan de Kerk grooter was dan hij vermoedde en dat zijn rechtsbesehouwingen door onze rechterlijke macht niet werden gedeeld.
Maar velen bleven in de Kerk, die zwoeren bij de Formulieren van eenigheid, voorstanders waren van een strakke rechtzinnigheid, in menig opzicht veel bekrompener dan Dr. Knijper, die van den boom der kennis had gegeten en vaak als een „Weltkind" optrad. Ook vertoonde zich bij velen, die de „reformatie der kerk" niet ter hand namen, een felle en toenemende haat tegen de organisatie der kerk en vooral tegen de Synode.
Soms uitte zich die gezindheid op stuitende wijze. Ik denk hier o.a. aan de campagne ondernomen tegen de Gen. Kas. Toen, zoo heette het, eischte de Synode 25 cts. van hen, die den verzoeningsdood des Heeren wilden verkondigen aan het H. Avondmaal, Velen, die zich toen aan het hoofd van die rumoerige beweging geplaatst hebben, kwamen later tot andere gedachten, maar de animositeit tegen die Synode was er door versterkt.
Door de specifiek-gereformeerden en ook door de confessioneelen werd niet alleen tegen de organisatie der kerk, maar tegen allen, die „ethisch" heetten met toenemende beslistheid gestreden, 't Gevolg was, dat de Kiescolleges en de Kerkeraden in hun geest werden omgezet en predikanten werden beroepen naar hun smaak.
De eene plaats na de andere werd bezet door mannen, bij wie „het volk" ter kerke kon gaan en die de Gezangen niet of spaarzamelijk lieten aanheffen.
Nu zijn er geheele classes in onze kerk, waarin een niet gereformeerd of niet-confessioneel leeraar een uitzondering is.
Ik heb geen recht, om te denken aan onoprechtheid, maar ik constateer het feit, dat velen hunner een akelige lijdelijkheid, een aan fatalisme grenzende uitverkiezing prediken en een vrees voor alles wat „modern" is, diejalle gedachte aan ontwikkeling buiten sluit.
Zulke leeraars worden nu ook meer en meer beroepen in onze groote steden."
Na dan iets gezegd te hebben van een zekeren Ds. de Bruijn die in 1644 te Utrecht beroepen werd (of het een „Kuijperiaan" was zegt de geachte schrig ver niet, maar dat zal wel, want 't moet een griezelige figuur op den preekstoel geweest zijn) gaat hij voort en zegt:
„En hier komen wij nu op een punt, dat ons voorkomt van groot gewicht te zijn. 't Zou onbillijk wezen te zeggen, dat de orthodoxen in onze kerk traag of werkeloos zijn geweest. Er is door hen gearbeid op velerlei terrein. Vooral de Zending onder de heidenen is ter harte genomen. Duizenden zijn geofferd aan wijkgebouwen en wijkarbeid, aan evangelisatie onder Roomschen en modernen, aan ziekenverpleging, aan bestrijding van ontucht en dronkenschap, enz. (Christel, onderwijs had er ook wel bij genoemd mogen worden. Red. de Waarhvr.) Maar wat heeft men gedaan, om! hen die van de kerk waren vervreemd of daartoe bijna waren gekomen terug te brengen en te houden? Ik gewaagde er reeds van, dat veler preektrant niet geschikt mag heeten, om menschen van beschaving tot getrouwe Kerkgangers te maken. {Zouden die menschen van beschaving dan b.v. totaal ontireken in de Geref. kerken? 't is maar een vraag. Red. van de Waarhvr.) Hoevele rechtzinnigen hebben het zwaartepunt gelegd in de leer, en als „ongeloovigen" gebrandmerkt en verstoeten, die bezwaren hadden tegen een wonderverhaal, tegen een dogma, tegen de orthodoxe opvatting van openbaring en inspiratie.
Is er wel rekening gehouden met allerlei nuanceeringen onder de modernen? Menig moderne van thans verschilt veel van hen, die zoo genoemd werden vóór 1870. Is er niet bij vele tijdgenooten een behoefte aan, een uitzien naar religie en geloof? En moeten wij hen voor 't hoofd stooten, hen drijven uit de kerk, of den toegang verhinderen?
Maar, zoo zegt men, onder den naam van, , vrijzinnigen" organiseeren zich nu mannen en vrouwen die tot aaneensluiting gedreven worden door tegenzin in de belijdenis der Kerk, ja in alle belijdenis.
Denk eens aan het radicalisme der hoogbejaarde Heeren Oort en Meyboom. Moeten wij aan hen de Kerk der vaderen, de kerk des Heeren, overlaten ? —
Zoo staan de zaken niet. De kerk is in veel beter conditie dan vóór 50 jaar; maar zij wordt geroepen tot een ernstigen arbeid. Zij, die met haar belijdenis, „ondubbelzinnig doch onbekrompen" instemmen, moeten alle krachteil inspannen en als de goede herder er op uitgaan, om het verlorene te zoeken. De kerk moet voorgangers vormen, die nog wat anders kunnen dan bijbellezingen houden en preeken voor den kleinen burgerstand. Zij moet op den akker der wereld menschen uitzenden, die de teekenen der tijden verstaan, menschen van ontwikkeling, van beschaving, van milden geest, die „erin kunnen komen, " dat men twijfelt. Hiermee wordt niet bedoeld een verloochening van 't Evangelie des kruises, maar een pastorale praktijk.
Men moet zich meer gaan bezig houden met de zielen dan met de kerk. Men zingt wel: „Houdt Christus zijne kerk in stand" — doch men verkeert in duizend vreezen, en schreeuwt van angst als de apostelen op het meer. Treurig genoeg is het, dat zoo velen zich van kerk en geloof hebben afgewend — maar niet alleen zij, doch ook wij hebben hier schuld. Laat ons trachten goed te maken "wat wij verdierven. En daarom zou ik de Synode willen adviseeren: Ga niet over tot het verzwaren van 't dogmatisch gehalte der belijdenisvragen. Gij bereikt er uw doel niet mee, want vele modernen zijn bereid ze alevel te onderteekenen; maar laat een ernstig woord uitgaan dat opwekt tot verootmoediging, tot erkenning zoowel van het goede als van't verkeerde in onze kerk en tot een veelzijdigen arbeid in allerlei richting. Leg den Broederen de vraag voor, of zij door onze organisatie belemmerd worden in hunne bediening en verreweg de meesten zullen moeten erkennen, dat zij onbelemmerd kunnen arbeiden. En wijst men op een geval als te Bennekom, welnu, wij vragen: is dit nu reden genoeg om de kerk uiteen te doen spatten?
Luistert niet naar „de Heraut — maar blijft onze kerk met al haar gebreken dienen, en laat ons nóg eens het zeggen mogen: bekommert u wat meer om de schapen en minder om den stal."
Dat laatste is wel typisch. Voor een herder die verstand van schapen heeft om te lachen! Verbeeld U eens, dat de herder de schapen bergde in een stal, die voor wolven openstaat. Wat zouden die wolven een plezier hebben! Oppeuzelen van schapenboutjes vinden ze altijd nog een aangenaam werk.
En 't is dubbel aangenaam als de stal het zoo makkelijk maakt om er binnen te komen. Sluit de stal maar niet, hoor, roepen de wolven. Laat de deur maar open! Arme schapen
Namen wij verleden week een stukje over uit de Delftsche Kerkbode (door deze overgenomen uit het Ned. Herv. Weekblad van Dr. de Lind van Wijngaarden) handelend over de oorlog, wij geven nu het slot daarvan.
Het luidt:
Maar de meeste oorlogen komen voort uit hebzucht en dan zijn zij zeker te verwerpen, en liggen voor God veroordeeld. Nooit, al is het ook rechtvaardig, mag men oorlog aanvangen, dan in het alleruiterst geval.
Een bisschop van Kamugh zeide eens zeer terecht: »Och, dat de Koningen toch wel overwegen de oorlogen, die zij aanvangen! Zij moeten rechtvaardig zijn ! En dat is niet genoeg! Zij moeten ook noodzakelijk zijn! Het bloed van 't volk mag niet vergoten worden dan in den uitersten nood om dat volk te behouden. De rampen van den oorlog mergelen een staat uit, en stellen dien altijd in gevaar van verloren te gaan, dan zelfs, als men de grootste overwinningen behaalt. Met eenige voordeden, waarmede men den oorlog begint, is het volstrekt niet zeker, dat men den oorlog ook zegerijk zal eindigen. Met hoedanige overmacht men zich in het gevecht wikkelt, de minste misrekening, een schrik, een enkel niet, ontrukt u de zege, die gij al reeds in uwe hand hadt en brengt die tot de vijanden over. Zelfs al had men de overwinning in zijn leger geketend (al was men ook vooraf zeker van de overwinning) vernielt men nog zichzelf met de vernieling zijner vijanden. Men ontvolkt zijn land. Men laat zijn akkers schier onbebouwd liggen ; men beroert den koophandel; en 't geen nog veel erger is, men krenkt de beste wetten, en laat de rede verwilderen. De jeugd begeeft zich niet meer tot de leeroefeningen ! De dringende nood brengt mede, dat men een verderfelijke vrijheid gedoogt onder de krijgsbenden ; de rechtvaardigheid, het staatsbestier, alles lijdt wegens het bloed van zoovele menschen. En een koning, die oorzaak is vam zoovele onheilen, om een hand vol eer te verkrijgen, of de palen buiten zijn rijk uit te brengen is de eere onwaardig, die hij zoekt, en verdient te verliezen 't geen bij bezit, omdat hij heeft willen verweldigen 't geen hem niet toekomt.
Oorlog te voeren uit eer-en begeerzucht en lichtzinnigheid is struikrooverij en hersenkrankheid. Maar nu gaat het voor ons dikwijls o zoo moeilijk om over de beginselen van een oorlog te oordeelen. Ook in onze dagen. Wij weten soms niet voor wie onze symphatieën zijn zullen. Voor Frankrijk, dat in zijn rechtspleging het toont wat het is, kunnen wij niet veel gevoelen. Natuurlijk heeft de Heere ook onder dat volk de zijnen. Ook daar heeft men er die afgezien van alle politiek van harte betreuren den diepen val van hun volk, en die nochtans dat volk liefhebben met hun gansche ziel. Zij zullen bidden om de overwinning voor de Fransche wapenen, al zullen zij het voor den Heere erkennen, dat het land alles verbeurd heeft, en al zullen zij ook wel eens te midden der ellende denken aan den vloek, die in de vervolgingen der Hugenoten dat volk zich op den hals heeft gehaald.
Voor Engeland gevoelen wij meer. Over 't algemeen is er toch meer godsdienstzin. Al wijst ook alles daar op achteruitgang.
Voor de Belgen moeten wij onwillekeurig wel sympathie hebben, omdat zij vechten voor hun neutraliteit. Vooral het Vlaamsch gedeelte trekt ons aan.
En de Duitschers? Wij betreuren het, dat zij de onzijdigheid van België geschonden hebben, maar toch moeten wij in ons oordeel voorzichtig zijn. De Heère weet alles. Welke beweegredenen ook hiertoe hen hebben gedrongen. De geschiedenis zal later ook meer ophelderen. Maar ons verheugen, als zij geslagen, gekortwiekt worden, dat kunnen wij niet.
En nu hebben wij al deze dingen beschouwd van 's menschen zijde. Van 's Heeren zijde gezien, dan wordt ook door dezen geweldigen oorlog Zijn Raad vervuld, 't Is zijn oordeel, dat weer over de zondige menschheid gekomen is. Laat ons hopen, dat vrij ook met eigen oogen nog zien de wijsheid en heerlijkheid van Gods wereldplan. Dat de Heere te midden van zijn rechtvaardigen toorn nog des ontfermens gedachtig moge zijn, en weer spoedig den vrede onder de natiën herstellen moge.
D, L. v. W,(Lind van Wijngarden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's