Uit de Pers.
Koninklijke daden.
Wat hebben we veel oorzaak tot dank, dat God ons doet wonen in een land als Nederland; doet behooren tot een volk als het Nederlandsche volk, dat zoo geheel éen is met het Oranjehuis en dat thans geregeerd wordt door een Vorstin als Koningin Wilhelmina!
Dadelijk toen de oorlog uitbrak, toonde onze Koningin een ijver, een verantwoordelijkheidsgevoel en een beslistheid, die bewonderenswaardig zijn. En daarbij legde zij een rust aan den dag, die weldadig aandeed.
Is het niet heerlijk, als een Vorstin aan het Volk zulk een voorbeeld geeft? En mogen wij uit de woorden, die Hare Majesteit zoo menigmaal gesproken heeft over de dingen des Heeren, niet opmaken, dat zij die rust verkreeg door omgang met God?
Het zou zoo heerlijk zijn, als velen in ons land, die weinig of geen verantwoordelijkheid hebben in deze bange dagen, niet 200 onrustig waren, maar evenals de Koningin zich sterkten in hun God. In dagen van moeite en zorg komt het uit, of wij geloof hebben.
Een andere daad van onze Koningin is haar zorg voor de geldelijke belangen van ons Volk. »De berichtend zoo sprak onze Koningin, »welke tot mij komen omtrent de stoornis of stilheid in bedrijven of gebrek ten gevolge van den oorlog, en het ten onzent bestaande oorlogsgevaar, doch bovenal de kommer en bezorgdheid, welke mij allerwege tegemoet treden, waar ik mij-beweeg te midden van mijn Volk, vervullen mij met groote deernis voor de velen, die in zoo benarde omstandigheden verkeeren. Het is daarom, dat ik een beroep doe op al mijn landgenooten, die tot helpen in staat zijn, teneinde met mij eendrachtig de handen ineen te slaan, om plannen te beramen en uit te voeren, opdat aan den nood der tijden, zooveel in ons vermogen ligt, het hoofd worde geboden. Daartoe roept de Koningin de hulp in van allerlei Vereenigingen en nam het initiatief, dat deze zich samen verbonden om aldus gemeenschappelijk den nood te lenigen.
Schoon was daarbij de opmerking van den Minister van Landbouw, dat dit juiste inzicht van hetgeen thans noodig is, niet van buiten af, b.v. door de Ministers, tot H. M. is gekomen, maar dat het een uiting was van hetgeen er omging in eigen hart en hoofd.
Is dit leiding-geven door woord en daad in zulke hachelijke omstandigheden, niet zeer verblijdend?
En dan willen we op nóg iets wijzen. Zorgvuldig moet er voor gewaakt, dat ons land zijn onzijdigheid beware. Maar niet zóo, dat angstvallig ook de goede daad zou worden vermeden. Zeker, als soldaten van de strijdende partijen op ons gebied komen, worden ze ontwapend en geïnterneerd.
Maar als burgers, vluchtende vrouwen en kinderen, bij ons een toevlucht zoeken, nemen wij ze op, helpen en verplegen ze, of het Duitschers, Belgen of Franschen zijn. Men was hierover in België ontevreden. Zelfs de burgemeester van Antwerpen heeft er zich over beklaagd. En hoe licht kon hierin aanleiding tot oorlog worden gezocht. Doch onze Koningin heeft zich hierdoor niet laten beangstigen, maar order gegeven, dat Maastricht de vluchtende burgers zou weldoen.
Ja, we zijn nog altijd «onder de schaduw van den Oranje-boom". Ons volk heeft nog de eer, — zooals dezer dagen een Engelsch blad het uitdrukte — een toevluchtsoord van Europa te zijn. Onze hulp strekt zich uit tot allen, die in nood zijn. Onze Roode-Kruisarbeid is onovertroffen. Hoe zijn in vroeger eeuwen vervolgden en verdrukten door ons opgenomen, gekleed en gevoed! En zouden we ons dezen roem laten ontnemen? Of liever: deze genade? Want genade is het, dat ons volk hiertoe door God gebruikt wordt; genade, dat onze Koningin met haar edel hart, te midden van dood en verderf, leniging van smart weet aan te brengen, op gevaar af, dat er moeilijkheid door zou ontstaan. Is het wonder, dat een Dusseldorfer blad zijn dank uitspreekt aan Holland en Koningin Wilhelmina ?
Onze God zal er Vorstin en Volk door zegenen! (Uit: » Timotheus, " gelll. weekblad).
Misbruik van Gods heiligen Naam.
Daarover schrgft de Nieuwe Haagsche Courant:
Talloos veel zijn de klachten over het vloeken in het leger. Gods Naam ligt bij menigeen, die beweert niet in God te gelooven, op de lippen bestorven. Vele, zelfs ontwikkelde menschen en legerautoriteiten schijnen maar niet te beseffen, hoezeer ze anderen krenken en kwetsen.
Zoo schreef ons o.m. een milicien, dat onder zijn kazerne-genooten zeer veel studenten en onderwijzers zijn; maar dat de lastering van den Naam verschrikkelijk is. Meermalen stopt hij des avonds de ooren toe.
»Nog steeds, zegt ook de «Standaard", komt klacht na klacht bij ons in over het weer sterk oplevende vloeken.
Men schreef ons: »Dat soldaten vaak berucht zijn om hun ruwe taal, is overbekend. Zooals er echter tegenwoordig gevloekt wordt en de naam van het Opperwezen wordt misbruikt, gaat alle perken te buiten."
Vooral thans hindert dit, en zulks niet alleen onzen Calvinistischen soldaten. Al wie God vreest, ergert er zich aan.
Ook mag dankbaar erkend, dat meer dan voorheen er niet weinig officieren op een te keer gaan van dit euvel bedacht zijn.
Toch zijn er ook onder hen, helaas, die er nog aan meedoen.
Moge het ook hierin tot een keer komen, en vooral onze hoogere officieren hun autoriteit gebruiken, om ons Leger van dezen vloek van het vloeken te bevrijden.
Ons dunkt, zelfs van Liberale zijde zal men ons hierin steunen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's