De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 15b. en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel derzelve: is daarom zoo leelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menschelijk geslacht te verdoemen.

LX.

De mensch staat niet op zichzelf, maar is een zeer klein deel van het groote organisme der meuschheid. Tusschen al die deelen van dat organisme nu is een zeer nauw verband. Vandaar dat de menschen ook in kleiner of grooter kring solidair met elkander verbonden zijn. Ieder mensch b.v. is door een onzienlijke band verbonden aan zijn gezin en door dat gezin aan zijn familie en door die familie aan zijn geslacht en door dat geslacht aan zijn volk en door dat volk aan het, geheel der volkeren.

Vandaar dat dan ook de velen door slechts enkelen, niet zelden door één enkele vertegenwoordigd werden. Hoe dikwijls treedt de vader niet op als vertegenwoordiger van zijn gezin; hoe dikwijls treedt een bestuur niet op als vertegenwoordiger van zijn vereeniging; hoe dikwijls treedt een generaal niet op als vertegenwoordiger van zijn leger; hoe vaak treedt een koning niet op als vertegenwoordiger van zijn rijk. En voor al wat de vader dan doet wordt het gezin, voor al wat het bestuur dan doet wordt de vereeniging, voor al wat de generaal dan doet wordt het leger en voor al wat de koning dan doet wordt het volk aansprakelijk gesteld.

Welnu, wanneer Adam nu de vertegenwoordiger was van het gansche menschelijke geslacht, - en dat was hij als hoofd van het werkverbond - is het dan wel zoo vreemd dat God de gansche menschheid aansprakelijk stelt voor de overtreding, waaraan Adam zich eenmaal heeft schuldig gemaakt.

En niet alleen wat de schuld betreft, maar ditzelfde geldt nu ook van het erfelijk gebrek waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam; datzelfde betreft dus ook de z.g.n. erfsmet. Het woord zegt zelf wat we daaronder te verstaan hebben. Een erfgoed is een goed dat we geërfd hebben, en zoo is de erfsmet de inklevende verdorvenheid die de mensch bij zijn geboorte reeds geërfd heeft van hen uit wie hij is voortgekomen.

Ook wat de zonde betreft heerscht er dus een wet der erfelijkheid. Tegen die wet der erfelijkheid, die in heel ons leven van kracht is, heeft in den regel niemand eenig bezwaar zoolang zij in ons voordeel is. Wanneer b.v. ouders schatten vergaderd hebben voor de kinderen, dan hebben die kinderen er geen bezwaar tegen, om bij den dood der ouders die schatten te aanvaarden. Ook al hebben zij er zelve niets aan toegebracht, toch vallen zulke schatten dan den overlevenden ten deel. ­ En niet slechts op stoffelijk gebied maar ook op geestelijk gebied worden b.v. rang en stand, eer en goede naam door de kinderen van de ouders geërfd, en niemand heeft, zoolang dit alles in zijn voordeel is, er bezwaar tegen om mede-erfgenaam van dat alles te zijn.

Maar dat wordt anders wanneer diezelfde wet der erfelijkheid in iemands nadeel gaat werken, wanneer zij hem in plaats van lusten ­lasten bezorgt. Dan komt de mensch tegen die wet altoos min of meer in verzet. Vandaar dat het ook geen wonder is dat er tegen de leer der erfzonde zooveel bedenkingen worden-gemaakt. Wanneer die leer in oos voordeel was zou dat niet zoo wezen, maar nu die leer in ons nadeel is, moet het ong niet al te zeer verwonderen dat er zooveel tegenspraak is.

Toch doet het verzet tegen, het bestaan van die wet niet te niet. Integendeel ook al kan nog niet uitgemaakt worden op welke wijze en langs welken weg dat geschiedt, we weten dat kinderen niet alleen vaak juridisch aansprakelijk gesteld wórden voor schulden door hunne ouders gemaakt, maar dat ook lichamelijke en geestelijke eigenschappen vaak van ouders op kinderen en niet zelden op kleinkinderen en volgende geslachten overgaan. Hoe menig kind heeft in aanleg, temperament en karakter geen eigenschappen aan zijn vader of moeder ontleend. Ja, niet zelden komt het zelfs in allerlei kleine bij. zonderheden uit, dat een kind onbewust allerlei dingen van zijn ouders of grootouders heeft overgenomen. En het zijn waarlijk niet alleen de goede hoedanigheden, die men op deze wijze van zijn voorgeslacht erft, niet minder blijken ook allerlei verkeerde gewoonten van ouders op kinderen te zijn overgegaan. Daar is eenvoudig niemand die dit loochenen kan. Zelfs komt het voor dat allerlei ziekten en kwalen van het ééne geslacht overgaan op het andere en dat kinderen z.g.n. erfelijk belast zijn met allerlei ziektekiemen, die hunne ouders hebben ton grave gesleept.

En waar die wet der erfelijkheid nu in heel ons natuurlijk levensbestaan is ingeweven gelijk haar invloed dan ook door niemand kan ontkend worden, daar is het immers niet vreemd meer dat ook de zonde binnen haar grenzen besloten ligt. Men kan de leer van de erfzonde dan ook wel bestrijden en ontkennen, of ook, zooals dat niet zelden geschiedt, er den spot mede drijven, maar de feiten, waarop deze leer gebouwd is, worden daarmede niet te niet gedaan, en evenmin wordt het getuigenis der Schrift hierdoor tot zwijgen gebracht. Immers dat ook Gods Woord ons evenzeer spreekt van de erfsmet als zij ons spreekt van de evfschuld, dat blijkt uit verschillende uitspraken die daarvoor kunnen aangehaald worden. We denken aan Gen. 8:21, waar de Heere zelf van den mensch zegt dat het gedichtsel van zijn hart boos is, van zijn jeugd aan. We denken aan Job 14:4, waar de lijder der oudheid de vraag stelt: ie zal een reine geven uit den onreine? en er dan onmiddellijk dit antwoord op geeft: iet één. We denken aan Psalm 51:7, waar David het met zoovele woorden belijdt: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen." We denken aan. Joh. 3 : 6, waar de Heiland zelf zegt: Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest." Met al deze uitspraken heeft de Heere ons in Zijn Woord on wederleg baar aangetoond dat daar is een erfelijk gebrek, waarmee de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam.

En deze onreinheid strekt zich niet alleen uit tot alle menschen, maar zij breidt zich ook in lederen mensch uit over heel zijn wezen en over zijn geheele bestaan. De erfzonde wordt in onze Belijdenis dan ook zoo terecht voorgesteld als de wortel waaruit allerlei zonden voortkomen. Niet vaar, met den wortel staat de gansche boom in verband. Door dien wortel trekt de boom zijn sappen uit de aarde en vandaar dat het ook in de eerste plaats van den wortel afhangt of de boom zelf goed zal zijn. Wanneer die wortel niet deugt, dan spreekt het wel van zelf dat ook de boom geen goede vruchten kan voortbrengen. Integendeel, dan zullen de vruchten er de kenmerken van dragen dat de wortel ondeugdelijk is. Nu is de erfzonde de wortel van alle zonden. Zij heeft het hart van den mensch aangetast, dat hart waarvan de Spreukendichter getuigt dat uit hetzelve de uitgangen des levens zijn, en waarvan Jesaja zegt dat het doodelijk is meer dan eenig ding. Van dat middelpunt uit nu heeft de zonde ook het verstand verdorven, heeft zij den wil ten kwade geneigd, heeft zij het geweten bevlekt en heeft zij het lichaam met al zijne leden gesteld tot wapenen der ongerechtigheid. Wat het verstand betreft, zegt Paulus dan ook dat de natuurlijke mensch verduisterd is in het verstand (Ef. 4:18); wat den wil betreft zegt hij dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet (Rom. 8:7); wat het geweten betreft zegt hij dat beiden hun verstand en hun geweten bevlekt zijn (Tit. 1:15) en wat de leden des lichaams aangaat zegt dezelfde apostel: hunne keel is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen; welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten" (Rom. 3 : 13-15). Wel mocht hij dus spreken van een „zijn leden stellen tot wapenen der ongerechtigheid" (Rom. 6:13), en wel mocht de dichter van den berijmden 51en Psalm zingen van »de vuile bron van ai zijn wanbedrijven." Immers dit hart van den mensch, dat reeds door de erfzonde is aangetast, dat door de inklevende verdorvenheid vergiftigd werd, is inderdaad de onzuivere bron waar de wateren der ongerechtigheid uit opwellen. En daarom, al was er niet anders dan de zonde waarin wij ontvangen en geboren zijn, al hadden wij ons nooit aan eenige dadelijke zonde schuldig gemaakt, dan zouden we toch reeds zoo verfoeilijk zijn in de oogen van Hem die te rein van oogen is dan dat Hij het kwade kan zien, dat het woord des apostels ook dan nog waar zou zijn dat alle mond gestopt is, omdat de gansche wereld voor God verdoemelijk is.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's