De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

8 minuten leestijd

De Troonrede.

Op Dinsdag is de gewone zitting der Staten-Generaal door H. M. de Koningin met de volgende rede geopend:

Mijne Heerenl

Onder zeer buitengewone omstandigheden kom Ik heden weder in Uw midden.

Wij zijn allen vervuld door de gedachte dat een verschrikkelijke oorlog een groot deel der beschaafde wereld teistert. Ons land is dientengevolge in een toestand geraakt welke nog steeds onafgebroken waakzaamheid eischt.

Ik mag echter dankbaar vaststellen dat Onze vriendschappelijke betrekkingen met alle Mogendheden ongestoord zijn gebleven.

De volstrekte neutraliteit die Nederland in acht neemt en met al zijne krachten zal handhaven, is tot dusver op geen enkele wijze geschonden.

Tot Mijne groote voldoening werd de mobilisatie van zee-en landmacht zonder eenige stoornis in minder dan den daarvoor vastgestelden tijd voltooid. Beide deelen Onzer weermacht vervullen, met den besten geest bezield, hunne vaak zware taak.

Di«p begaan met het lot van alle volken die in den krijg zijn medegesleept, draagt Nederland de buitengewone lasten die het worden opgelegd gewillig en ontvangt met open armen' alle ongelukkigen die binnen zijne grenzen eene toevlucht zoeken.

Het economisch leven ondervindt in al zijne vertakkingen de drukkende gevolgen van den toestand, waarin Europa verkeert.

Het handelsverkeer met het buitenland is tot zeer beperkte afmetingen teruggebracht; de scheepvaart, voor zoover zij niet stilligt, gaat met ongekende moeilijkheden en gevaren gepaard; voor de zeevisscherij geldt dit in niet mindere mate; landbouw en nijverheid vinden, voor zoover zij voor export werken, haar afzetgebied voor een groot deel verstoord; in den geld-en fondsenhandel bracht de toestand eene heftige crisis teweeg; de toevoer van granen en van grond-en hulpstoffen voor de nijverheid is zeer belemmerd.

Toch komt er eenige verlichting in den druk. Vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen en huishoudelijke artikelen is voorkomen. De crisis in den geld-en fondsenhandel is in banen geleid, die de mogelijkheid van een geleidelijk verloop daarvan openen. Krachtige pogingen worden aangewend tot beperking van werkloosheid en tot voorkoming en leniging van nood. Verschillende producten van land-en tuinbouw en van de voedings-industrie vinden weer afzet, zoowel naar Engeland als naar Duitschland en België.

De geregelde gang van zaken in de koloniën heeft veel te lijden van de stoornis in post-, telegraaf-en scheepvaartverkeer. Op handel, landbouw en nijverheid in Nederlandsch-Indie is een zware druk gelegd, doch, waar noodig met den steun der Regeering, is door de circulatiebank en verschillende credietinstellingen, tot dusver met bevredigende uitkomst, die druk verlicht en eene crisis voorkomen. De invoer staat stil; groote voorraden uitvoerproducten wachten op verscheping en heropening der Europeesche markten. Maatregelen zijn door de Regeering genomen ter voorkoming, dat gebrek aan levensmiddelen ontsta. De economische toestand der inlandsche bevolking, wier houding niets te wenschen, overlaat, is voor het oogenblik niet onbevredigend te noemen.

De toestand in Suriname behoeft, wanneer de aanvoer van levensmiddelen, ook van Regeeringswege ter hand genomen, bestendigd blijft, geen zorg te baren.

De toestand op Curapao is onbevredigend; de handel ligt stil en er heerscht groote droogte. Op Aruba en Bonaire veroorzaakt de droogte veel armoede en ziekte onder de bevolking. De aanvoer van levensmiddelen ook naar de West-Indische eilanden is verzekerd.

In alle koloniën werden maatregelen getroffen tot handhaving onzer staatkundige onzijdigheid.

Met vertrouwen doe Ik een beroep op allen om ook in handel en verkeer met zorgvuldigheid alles te vermijden, wat onze neutraliteit in gevaar zou kunnen brengen.

Waar ons volksbestaan eischt, dat de buitenlandsche handel, voor zoover de omstandigheden toelaten, doorgaat, behoort ieder handelaar zich bewust te zijn, dat zelfs de schijn behoort vermeden te worden, als zou in en door den Nederlandschen handel partij worden getrokken voor een der oorlogvoerende Mogendheden boven andere.

Ik gevoel Mij gelukkig, dat Mijn volk, in trouwe plichtsbetrachting, met Mij vereenigd het vaderland tracht te dienen en Ik verwacht dat de eendracht die zich alom in het land heeft geopenbaard tot den einde zal worden volgehouden.

Met de bede dat God ons kracht moge schenken, verklaar Ik de gewone zitting der Staten Generaal geopend.

Het Koninklijk woord.

Er is overeenkomst, maar ook verschil in de sluitingsrede, die de vorige week door den Minister van Binnenlandsche Zaken gehouden werd, en de Troonrede, die de Koningin jl. Dinsdag uitsprak.

De overeenkomst ligt hierin, dat terwgl het de gewoonte is, dat zoowel bij het eindigen der zitting mededeeling gedaan wordt van de tot stand gekomen wetten, als bij het openen der vereenigde zitting van de beide Kamers de groote lijnen aangegeven worden van den wetgevenden arbeid in het nieuwe zittingsjaar, ditmaal van die gewoonte werd afgeweken. Bij de sluiting bleef de gewone opsomming der wetten achterwege en by de opening werd over den toekomstigen arbeid, dien de Staten-Generaal wacht, niets vernomen.

Het verschil is te vinden in den opzet der beide redevoeringen. De rede van den Minister was sober en in zeer beknopten vorm opgesteld met slechts een enkelen zin gewijd aan den ernstigen tijd, dien wij beleven; de Troonrede, door de Koningin gehouden, daarentegen een regeeringsstuk, dat op verschillende punten de toestanden van het oogenblik raakte en breede beschouwingen gaf over al datgene, waarin ons land met betrekking tot het buitenland verkeert.

In dit opzicht was de Troonrede een stuk van groote beteekenis, dat ongetwijfeld zoowel in binnen-als buitenland een goeden indruk zal maken.

Het Koninklijk woord was haast uitsluitend aan de buitenlandsche gebeurtenissen gewijd en gaf in verband daarmede eene bespreking van de binnenlandsche toestanden.

Enkele onderdeden in de Troonrede sprak de Koningin met grooten nadruk uit. Het was toen Hare Majesteit vaststelde, dat de vriendschappelijke betrekkingen met alle Mogendheden ongestoord zijn gebleven, en daarop liet volgen: „De volstrekte neutraliteit, die Nederland in acht neemt en met al zijne krachten zal handhaven, is tot dusver op geen enkele wijze geschonden."

Na al hetgeen in de buitenlandsche bladen omtrent dit punt geschreven werd, was het goed gezien dat de Koningin onze volstrekte neutraliteit nog eens duidelijk in het licht stelde.

Maar niet minder krachtig klonk de Koninklijke stem, toen in het slot der Rede een beroep gedaan werd op allen, om ook in handel en verkeer met zorgvuldigheid alles te vermijden wat onze neutraliteit in gevaar zou kunnen brengen.

Hier moet de Koningin voor oogen hebben gestaan, hoe ook nog steeds voor ons land het oorlogsgevaar dreigt. Een enkele verkeerde daad, een enkele onvoorzichtige handeling zou ons land in den verwoestenden strijd kunnen betrekken.

Moest de Koningin hier met nadruk eene waarschuwing doen hooren, alleen bij deze vermaning bleef het niet. De Oranje vorstin, wier voorvaderen in de historie lief en leed met het Nederlandsche volk hebben gedragen, had nog meer te zeggen. Het Oranjebloed bruiste, toen de Vorstin met verheffing van stem Haar slotwoord tot het volk richtte: . „Ik gevoel Mij gelukkig, dat Mijn volk in trouwe plichtsbetrachting, met Mij vereenigd het vaderland tracht te dienen en Ik verwacht dat de eendracht, die zich alom in het land heeft geopenbaard, tot den einde zal worden volgehouden!"

In deze woorden sprak het hart van een telg van het dierbare Huis van Oranje, dat zich met het Nederlandsche volk één gevoelt, één in dagen van voorspoed, maar ook één in dagen van tegenspoed.

Zij het beroep van onze geliefde, Koningin niet te vergeefs gedaan!

God de Heere schenke ons daartoe Zijne kracht!

Nog niet te laat.

Het is een ontzettend feit, dat in de bange dagen, die wij doormaken, nog de groote menigte af keerig blijft om zich voor de majesteit Gods te buigen en zich voor Hem te verootmoedigen. Het leven gaat weer haast zgn gewonen gang. Niet dat wij van de menschen schijnvroomheid begeeren, dat wij de menschen anders zouden willen zien dan zij in waarheid zijn, maar er kon in deze ernstige tijden, waarin nog steeds het oorlogsgevaar dreigt, althans een stilheid der geesten aanwezig zijn.

Ook ons volk beeft niet bij de gedachte, dat de Heere de zonden komt te bezoeken.

In den oorlog, die thans de volken teistert, wordt niet beluisterd een roepstem van de roede Gods, maar de oorzaken van de bloedige worsteling onder de volken worden in de meest natuurlijke dingen gezocht.

Zoo lazen wij een dezer dagen in een blad, dat men het betreurde dat ontwikkeling en beschaving de naties nog niet tot het inzicht hadden gebracht, dat de oorlog uit den booze is. Er was nog een tekort aan wetenschap en intellect. Van het onderwijs was nog niet die beschavende invloed uitgegaan, dien mën er van gehoopt had. Daarom moest de ontwikkeling van het volk nog krachtiger ter hand genomen worden, want dan zou het met de barbaarschheid van het oorlogvoeren uit zijn.

In het orgaan van den Bond'-van Ned. Onderwijzers dringt zelfs een inzender aan, dat de onderwijzers zich in grooten getale zullen aansluiten bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, bij de Internationale, die immer bet sterkst voor den vrede heeft gewerkt.

„Aansluiting — zoo heet het — bij die partij, wezenlijke machtsvorming ervan, zijn ten slotte de practische middelen, waardoor de Idee van den vrede het best gediend is."

Wat is de mensch toch dwaas, die op zulk een zandgrond zijn huis wil bouwen. Men richt de Baals en de Astharoths op en buigt zich voor die neer.

Alleen de hoogere cultuur en de fijnere beschaving kunnen den mensch gelukkig maken. Zij vormen de bewarende hand, die het schepsel voor alle gevaar behoedt. Kennis en wetenschap zijn de goden, die ten slotte den oorlog zullen uitbannen, en de volmaaktheid op aarde zullen bewerken..

Mocht de Heere maar den blinddoek komen afrukken van het aangezicht der volkeren en doen zien dat God de ongehooraaamheid en den afval niet ongestraft kan laten.

Nog is het tijd om zich voor God te verootmoedigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's