Stichtelijke overdenking.
Ga henen, mijn volk, ga in uw binnenste kamers en sluit uw dauren achter u toe; verberg u als een kleinen oogenblik, totdat de gramschap overga. Jesaja 26:20,
Dat wij ernstige dagen doorleven, kan niet worden ontkend. Zelfs de meest luchthartige en oppervlakkige natuur is nog aangegrepen door de schriklijke dingen, die vlak naast onze grenzen gebeurden.
Een zeer donkere schaduw is over ons werelddeel gevallen, die ook ons land in 't duister heeft gehuld. Wel werden wij nog gespaard van den werkelijken krijg, maar de staf des broods is gebroken in menig gezin. Op stoflelijk en maatschappelijk gebied dreigt de nood.
En dat alles kwam over ons, zoo haastig als een stormwind. In enkele dagen stond bijna een geheel werelddeel in vuur en vlam. Geen wonder dat groote vreeze ons vermeesterde en alle aangezichten betrokken „als een pot".
Eéu vonk toch, kon de wereldbrand ook op onze erve brengen. Gode zij dank, is dat tot nog toe niet geschied.
Door de ondoorgrondelijke lankmoedigheid des Heeren zijn we nog, die we zijn. Dat had reeds anders kunnen wezen. En indien 't zoover nog kwam, dat ook onze mannen vielen door het moordend lood en onze akkers werden betreden door den voet des vijands — dan zouden wij nog tot God niet kunnen zeggen: „Wat doet Gij!"
Immers 't oordeel, zoo 't ons trof, zou rechtvaardig zijn, of moeten wij niet belijden:
Wij hebben God op't hoogst misdaan, \7g zijn van 't heilspoor afgegaan.
Ja wij en onze vaderen tevens.
Wel past ons deswege diepe verootmoediging en het gebed om genade. Ons drukt een gemeenschappelijke schuld. We mogen voor de ellende, die door den oorlog over de volkeren is uitgestort niet deze of gene bepaalde persoon aansprakelijk stellen, want wij staan allen mede schuldig. Het is om de zonde, om onze persoonlijke en gemeenschappelijke zonde, dat de oordeelen Gods op de aarde zijn.
Daarom moeten wij allen voor God op de knieën met de bede om genade en geen recht. Daartoe wekt nu ook het woord des Heeren op: „Ga henen, mijn volk! Ga in uw binnenste kamers en sluit de deuren achter u toe, verberg u als een kleinen oogenblik, totdat de gramschap overga."
In eiken tijd van dreigend onheil mogen wij dat woord wel ter harte nemen, want als God met zijn roede ter tuchtiging komt dan is dat altijd vanwege onze zonde. Indien wij niet willen wandelen in Gods wegen, dan komt God met Zijn oordeelen. Wel is de Heere lankmoedig, maar Hij laat niet straffeloos Zijn wet met voeten treden.
Voorwaar, daar is een God, die leeft En hier op aarde vonnis geeft.
Op ontzettende wijze wordt dit nu openbaar. Lang, zeer lang is God getergd en gehoond door hoog en laag, in alle landen en rangen en standen. Twee boosheden zijn er gedaan. De volkeren, ze hebben God, de sprinkader des levenden waters verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden. De stoffelijke dingen zijn hooger geschat dan de eeuwige dingen. In de wilde jacht naar geld en genot is men opgegaan met voorbijzien van datgene, wat tot in eeuwigheid bligft.
De Godverzaking nam hand over hand toe. Een steeds grooter wordende schare sprak het schaamteloos uit, dat zij met God geen rekening meer wenschte te houden.
Gods gezag is gehoond. Zijn woord verworpen. Zijn Naam bespot en gevloekt. Zijn dag ontheiligd. De tenten der ijdelheid trokken meer volks dan de kerken. Pretmakerij en zingenot gaven den toon aan. Steeds grooter werd het aantal van hen, die tot levensleus kozen: „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij, ". De afval van den levenden God nam schier overal schrikkelijk toe. Afgoden zonder tal werden gretig gediend, terwijl men den Eeuwig Levenden God verwierp.
Zoo ging het in ons vaderland en daarbuiten. Want ook ten onzent nam de geest der ontkenning toe. Wel heeft de Heere ons nog veel goeds gelaten, maar we gaan er toch niet op vooruit. O zeker, daar zijn er nog bij menigte, die uitwendig zich scharen om het Evangelie — maar ach hoe weinig teer geestelijk leven wordt er openbaar!
Waarachtige godsvrucht is-een zeldzaam goed. Naam-en schijnchristendom is er meer dan genoeg. Dat bewijst wel de practijk van het leven. Of is het niet zóo, dat vele christenen in plaats van de wereld tot jaloerschheid te verwekken door hun handel en wandel, deze veeleer een wapen in de hand geven om het Christendom te bestrijden en te hekelen? Zijn ze zelf niet vaak de oorzaak, dat de Naam des Heeren om hunnentwil wordt gelasterd?
Wat een wereldgelijkvormigheid en wereldgezindheid treft ge niet aan!
Onder de schoonst-klinkende leuzen wordt maar al te veel geloopen voor eigen eer en eigen voordeel.
Maar moet God, die naar waarheid in het binnenste vraagt, niet gruwen van zooveel vroom gehuichel? Moet Hij niet komen met de roede?
En het volk Gods van onze dagen? Ach, hoe beschamend moet het niet staan over de zonde zijner verdeeldheid. Wat een verwijdering van elkander! Wat al koudheid en koelheid! Wat weinig opgewekt geestelijk leven! Doch, waar zou ik eindigen I Daar is reden te over, om zich voor God te verootmoedigen. Laten we gaan in onze binnenkamer om ons voor God neer te werpen in stof en asch. Wie weet. Hij mocht zich onzer ontfermen!
Dat onze verootmoediging in waarheid zij. Immers ook nu geldt het woord: „Scheur uw hart en niet uw kleederen!"
Daar worden in onze dagen door geheel ons land in alle kerken bidstonden gehouden met het oog op den nood der tijden. En, o zeker, het is goed, dat in deze ernstige tijdsomstandigheden, de gemeente saamkome in Gods huis om des Heeren aangezicht te zoeken en Zijn Woord te hooren — alleen maar we hebben toe te zien, dat hét geen vroom vertoon worde. En dat zou het zijn, als het gebed in de stille binnenkamer achterwege bleef en wij niet in oprechtheid verbroken waren van hart vanwege onze zonde en schuld.
Wanneer het opgaan naar Gods huis voor ons niet anders zou zijn dan een vrome vorm zonder meer — dan zegt de Heeie tot ons:
„Als gijlieden voor Myn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëischt, dat gij mijn voorhoven betreden zoudt? ... als gijlieden uwehanden uitbreidt, verberg Ik mijne oogen voor u! Ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, zoo hoor Ik niet."
Wij hebben dan ook wel toe te zien voor onszelf, want als wij. niettegenstaande onze tollenaarsmanieren het tollenaarshart missen, dan ligt daar de bedreiging des Heeren: „Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijn handen uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte, en gij al mijn Raad verworpen en Mijn bestraffing niet gewild hebt, zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen. Ik zal spotten wanneer uwe vreeze komt."
Onze verootmoediging moet tot bekeering ons leiden, hetzij voor het eerst óf bij vernieuwing, en anders zullen we straks, als de donkere wolken voorbij zijn gevaren, nog ongevoeliger zijn dan ooit.
Als Gods oordeelen op aarde zijn, hebben de volkeren gerechtigheid te leeren, of ook deze prediking leidt tot verstokking.
Waarachtige bekeering des harten is ons noodig, of ons laatste zal erger zijn dan ons eerste. Laat ons dan wederkeeren tot den Heere. Laat ons voor Zijn aangezicht komen met boete en berouw, In Jezus Christus is verzoening voor al onze ongerechtigheden. Dat wij dan in oprechtheid voor God mochten komen om het uit te spreken: „Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om Uws Naams wil, want onze afkeeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd."
Alleen in zulk een weg kan en mag er nog verwachting zijn, dat de Heere zich wendt van de hittigheid Zijns toorns. Het ootmoedig gebed is toch de voorlooper van genade. Ga dan heen in uw binnenste kamer en sluit de deuren achter u toe, verberg u als een kleinen oogenblik, totdat de gramschap overga.
Als wij in deze dagen maar dicht bij God mogen schuilen, de toevlucht nemend onder de schaduw Zijner vleugelen, dan zal Hij, die zich vanouds als een Verlosser in tijden van benauwdheid heeft doen kennen, het ook nu nog toonen, dat bij Hem redding is en veelvuldige verlossing.
Immers te midden des toorns is de Heere des ontfermens gedachtig. Hij zal niet altoos twisten. Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij zal zich onzer weder ontfermen. Hij zal onze ongerechtigheden dempen en onze zonden werpen in de diepte der zee.
Wij hebben met een God te doen. die rijk is in barmhartigheid. Daarom zal Hij een zichzelf schuldig keurend volk nog genadig zijn en luisteren naar de stem hunner smeeking. Hij, die het gekir der duiven en het gekras der jonge raven hoort, zal zich niet doof houden voor het geroep Zijns volks.
Roep Mij aan — zoo zegt de Heere —in den dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen.
Ga dan henen, mijn volk, ga in uw binnenste kamers en sluit uw deuren achter u toe; verberg u als een kleinen oogenblik, totdat de gramschap overga.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's