Uit het kerkelijk leven.
Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?
IL
2. Wat is er in 1816 gebeurd ?
Onze Ned, Herv. Kerk heeft dus van ouds een presbyteriale-kerkregeering gehad, zooals uit de oudekerke-ordeningenende Dordische van 1619 ten duidelijkste blijkt,
In dit Presbyteriale systeem komen 3 hoofdkenmerken uit:
1e, dat de plaatseligke kerk uitgangspunt voor alle kerkregeering is;
2e. dat de plaatselijke kerken verbonden worden in classes en synodale landskerk; en 3e. dat de benoeming van ouderlingen en diakenen het leeken-element naar voren brengt en alzoo het Clericalisme den kop indrukt.
Waarbij als 4de kenmerk moet worden genoemd — hoewel dit vroeger door allerlei omstandigheid nooit recht is uitgekomen — dat het kerkelijk gezag, zonder zich het minste gezag aan te matigen over den Staat, zich volkomen zelfstandig tegenover de Overheid poneert.
Nu is er van die presbyteriale Kerkregeering — waarbij de hoeksteen is de plaatselijke gemeente — sinds 1816 niet veel overgebleven.
We willen dp geschiedenis van 1816 even nagaan. Maar we moeten dan eerst zien wat er sedert de omwenteling in 1794 alzoo gebeurd is. Ondanks den vorm van Kerkregeering, waarbij veel zorg besteed werd aan de handhaving der Hervormde leer, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid, waren vooral sinds 1795 binnen de muren der kerk de. ongeloofstheorieën uit Duitschland en Frankrijk overwaaiend, ingedronken als water,
't Ging hoelanger hoemeer tegen de waarheid der Schrift, om de leer der verdorvenheid des menschen en de verzoening der zonden door het plaatsbekleedend lijden en sterven van Christus, tegen te spreken. Waarbij ook losgerafeld werd de band, dien God tusschen Oranje en Nederland had gelegd van ouds. De verdraagzaamheid was allengs zeer machtig geworden in de kerk en mocht al eens eenige Classis of Synode een predikant ter verantwoording roepen wegens verguizing van de geloofswaarheden, in de Schrift vervat en in onze belijdenisschriften nader uiteengezet, onder voorwendsel van geen rustverstorend kettermaken te gedoogen, stuitten de Heeren Staten verdere vervolging.
Men beroemde zich openlijk de heiligste waarheid te durven aanvallen en loochenen!
Daarmede ging gepaard miskenning van de zegeningen, welke God dpor het Huis van Oranje had gegeven.
Op 18 Januari 1795 verliet de Oranjevorst het land. Zijn afscheidswoord was:
deze vernedering heb ik, als mensch, dubbel verdiend, doch niet in de waarneming mijner posten. Dwaalde" ik soms, ik deed het ter goeder trouw, opzettelijk benadeelde ik nooit zelfs mijn bittersten vijand. De ware bron onzer ongelukken ligt niet in de onverantwoordelijke handelwijs van zoovele Nederlanders, of in de kwade trouw der bondgenooten, maar in de nationale zonden en ongerechtigheden. God heeft een twist met Nederland en toont het in de mislukking van alle pogingen en ook nu door den feilen vorst, die de wateren tot een gebaanden weg maakt. Wie zal oprichten, als God terneer werpt? "
De Prins zeide niet te veel; de zouden waren nationaal. Schier ongeloofelijk is het, hoe blijde de theorieën der Fransche revolutie hier te lande als het licht van een blijden dag na langen donkeren nacht werden begroet. En mannen als Jodocus Heringa, hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Utrecht en J, H. van der Palm, ook later hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leiden, stonden daarbij in de voorste gelederen!
Tot bewijs diene het volgende: Voor de geheele provincie Utrecht werd voor Zondag 8 Maart 1795 (18 Januari was Prins Willem V naar Engeland scheep gegaan) een biddagsbrief uitgeschreven, welke uit de pen van Prof. Heringa vloeide. Het opschrift is: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap. Het begin luidt: „Geliefde Broeders en Zusters! Was er ooit een Tijdperk, waarin het scheen zich te moeten beslissen of ons Vaderland voor altijd in den grond bedorven, dan of het uit , zijnen hachgelijken toestand gered zoude worden, 't was dat der jongst verloopen dagen.
Het waren nu zeven jaren, dat de stem van een Vrijheid-zoekend Volk, die zich met kracht tegen deszelfs onderdrukkers had verheft, was gesmoord; zeven jaren, dat de poogingen van eerlijke en kloekmoedige Vaderlanders tot herstelling onzer vervallen zaken, door verraderlijk geweld waren te leur gesteld, en met berooving van goederen, met verbanning en velerlei hoon en smaad vergolden. De Heerschzucht van het Oranjehuis en deszelfs aanhang, ondersteund door buitenlandsche Hulp, had zich opnieuw zoo vast gevestigd, dat ze zich zelve en hare Begunstigers en vleiers toescheen, niet anders dan met den val der wereld te zullen wankelen."
Na deze lasterlijke woorden tegen de Oranjevorsten — hen noemende „onderdrukkers" en vol „heerszucht" zijnde — ging de hoogïeeraar in de godgeleerheid dan voort om God te danken op deze wijze:
„In. zulk eenen uiterst hachgelijken toestand wierd ons Lot beslist door de Almachtige Hand van den ontfermenden Hemelschen Vader. De Hand, die anders onze wateren tot een onverwinlijk Bolwerk voor Nederland maakte, gebruikte nu diezelfde wateren, om alle verdediging van Nederlandschen grond onmogelijk te maken. De Hand, die het stroomend water van rivieren en inundatiën, door een zonderling strenge -en langdurige vorst tot een eflfen baan vloerde, 'leidde er de Fransche Krijgsmacht onbeschadigd over, en dreef hunne verbaasde tegenstanders vluchtende voor hun uit. Dit is van den Heere geschied en het is wonderlijk in onze oogen.
Dit alles verdient onze eerbiedige en oprechtste dankzegging aan onzen liefderijken God en Vader en aan onzen, barmhartigen Zaligmaker Jezus Christus, om en door Wien zooveel heil geschonken wordt aan een volk, dat verplicht is, met schaamte te erkennen, hoe het, door tallooze zonden en verkeerdïsheden en vooral door zijne onvruchtbaarheid onder al de zegeningen van het Evangelie zich dat alles bestendig onwaardig maakt." Zoo werd gedankt, dat Nederland verlost was van Oranje en gedankt, dat de Franschen waren gekomen.
: En J. H. van der Palm sprak in de Oostkerk te Middelburg op het feest der alliantie tusschen de Fransche en Nederlandsche Republieken: „Wij zijn vrij, want wij kennen geen trotsche gebieders meer; wij kennen geen gezag dan 't geen uit onzen boezem is ontleend; geen wet dan het algemeen belang - . . . zij bestaan niet meer, die dwaze onderscheidingen, die gehate rangen om den troon des gewelds te onderschragen ... wij zijn vrij, want zij zijn gelijk! de waardij de eer der menschelijkheid is weer hersteld en gewroken : wij zijn allen burgers, allen broeders ! : ; De Almachtige gebood de elementen en wij gehoorzaamden, de wateren vloeiden niet meer, zij verstijfden tot ijs en werden een gebaande weg, waar langs onze verlossers en de overwinnaars der tirannen, tot in het hart onzes Vaderlands doordrongen enz."
Waarbij de dankzegging aan het slot der toespraak aldus luidde:
„Aan U zijn wij onze vrijheid verschuldigd! Gij hebt de wapenen onzer verlossers gezegend! Gij hebt door uwe almacht hun den toegang tot ons gebaand!. . . Wij doen U hulden als onzen eersten en grooten Verlosser ; ontvang den lof en dank onzer harten, o Gij die in den hemel woont! enz."
; Is het niet allerverschrikkelijkst te lezen hoe verblind men was in die dagen?
En we kunnen er veilig opgaan: zooals het volk was, was de kerk; zooals de kerk was, was het volk!
De waarheid Gods werd geloochend. De tucht des Woords werd veracht. De prediking werd gebruikt tot verspreiding van de beginselen der revolutie.
Maar de Heere was bezig om voor volk en kerk een beker vol bitterheid te vullen. O! wat zou spoedig een vreeselijke ontnuchtering komen.
Voorrechten tot hiertoe door de Gereformeerde kerken genoten, werden haar voor goed ontnomen; hare dienaren leden in dezen tijd groot gebrek; hare kerkgebouwen werden door het gepeupel niet ontzien; onderscheidene predikantsplaatsen werden opgeheven; hare fondsen en goederen werden nationaal verklaard; onderscheidene kerkgebouwen en pastorieën moest zij aan de Roomschen afstaan ; een eed werd gevorderd van de predikanten, wilden ze niet ontzet worden waarbij zij zich hadden te verbinden aan de bestaande regeering en dank-en bededagen werden uit geschreven, waarbij wel het scherpst gevoeld werd, wat weleer van God als een zegen was afgebeden. In het eerste jaar der zoogenaamde Bataafsche Vrijheid, 1795, stormde het gepeupel menig kerkgebouw binnen, voorzien van beitel en houweel en onder de leus van „gelijkheid" werden van de kerkbanken der Overheid de versierselen afgeslagen, de geslachtswapens der adelijke familiën werden van de grafzerken afgebeiteld; in Leeuwarden ontzag men zich niet, zelfs den grafkelder der Stadhouderlijke familie te schenden. Wat veranderingen alzoo in het midden van het volk en van de kerk!
En in 1796 werd het beginsel van Scheiding van Kerk en Staat uitgesproken, waardoor de kerk de voorrechten verloor, welke zij tot toe nu had genoten.
Deze voorrechten waren, dat zij, tot dien tijd door de Overheid was gehandhaafd en beschermd; de leden der Hervormde Kerk waren uitsluitend bevoegd tot bediening van ambten in den Staat; zij had vijf hoogescholen; in de scholen en liefdegestichten van den Staat werd geene Roomsche, Luthersche, Doopsgezinde of Remonstrantsche leer, maar alleen hare leer toe gelaten; alleen hare leeraren traden op ten dienste der Overheid, bij bijzondere gelegenheden b.v. bij het openen van eene hooge-raadsvergadering, bij kapitale rechtspleging en op den uitgeschreven biddag.
Al deze voorrechten verloor zij.
In het genoemde jaar 1796 werd vastgesteld, dat voortaan niet alleen geene bevoorrechte en heerschende Kerk, kan of zal geduld worden, maar dat alle resolutiën en plakkaten der gewezene Staten-Generaal uit het oude stelsel der vereeniging van Kerk en Staat geboren, zullen worden gehouden voor vernietigd.
In 1798 werd door de Staatsregeling dit beginsel van scheiding zóo toegepast, dat alle godsdiensten bij den Staat gelijk zijn en dat geene burgerlijke voor-of nadeelen meer verbonden zouden zijn aan de belijdenis van eenige Kerkelijke leer; dat elk Kerkgenootschap door den Staat beschermd, voor zijne eigene belangen had te zorgen en in eigene behoeften had te voorzien en dat alle rechten, ook die van patronaat en collatie (een recht dat sommige familiën hadden bij beroeping van een predikant) voor altijd zullen zijn vernietigd.
Voorts werden de kerkelijke goederen en fondsen nationaal verklaard om tot een vast fonds voor opvoeding en armverzorging aangelegd te worden.
Kerkgebouwen en pastorieën, behoorende tot de Gereformeerde Kerk, moesten gelijkmatig naar het zielen-aantal verdeeld worden onder de bestaande gezindten. Ook zouden na 3 jaren de traktementen, benevens kinderen akademiegelden niet meer worden uitbetaald. Nu geen handopening meer, noch approbatie bij beroepingen; geene theologische Faculteit meer zou er zijn aan 's lands hoogeschool; geen toezicht van Overheidswege op het houden van kerkelijke vergaderingen, geene openbare scholen meer waar de Kerkleer werd onderwezen. Wel werd in het algemeen eerbied aanbevolen voor een „Albestierend Opperwezen, " maar van Staatswege geen Zondagsviering of biddag-uitschrijving meer; geene wetgeving of rechtspraak meer gegrond op Gods Wet.
In dien tijd werd den predikanten gelast een eed af te leggen, waarbij zij hadden te beloven „nimmer met woorden of daden te zullen medewerken tot herstelling van het vernie aristocratisch Stadhouderlijk bestuur." En verreweg de meeste predikanten der Herv. Kerk legden volgaarne dezen eed af. Die dien eed weigerden, werden eerst geschorst, daarna afgezet. Zoo verloor Amsterdam deswege 15 predikanten, in 1804 werden zij weder als predikanten hersteld. Leiden verloor 2 predikanten. Gillissen, in 1802 hersteld en Nicolaas Schotsman, in 1801 in dienst hersteld.
Dat vooral de Roomschen jubelden bij de bepaling van de kerkgebouwen, is te begrijpen. Vooral in Noord-Brabant.
Zoo was het tot 1801. De Gereformeerde kerk had, tot blijdschap van al hare vijanden, vroegere rechten verloren.
Maar in 1801 kwamen er weer mildere bepalingen tot stand. Zoo werd o.a. bepaald, dat aan alle hoogleeraren en predikanten voortdurende uitbetaling hunner traktementen zou geschieden; ook de theologische faculteiten bleven in stand. Onder den Raadpensionaris Schimmelpenninck werden de belangen der Kerk beter behartigd. Onder Lodewijk Napaleon werden alle Kerkgenootschappen verbonden en onderworpen aan de Regeering en daarmee-had ook de Gereformeerde Kerk het recht van zelfbestuur verloren. Koning Lodewijk maakte van het recht gebruik om aan de Hervormde Kerk een nieuwen vorm van bestuur te geven.
Een Commissie, bestaande uit kerkelijke en niet-kerkelijke personen, hebben toen gereed gemaakt en ter goedkeuring aan den Koning overhandigd een: Concept-Reglemen op de organisatie van het Hervormde kerkge nootschap in het Koninkrijk Holland. Het Reglement was gereed en stond in werking te treden, toen door de inlijving van Holland bij Frankrijk en het vertrek van Koning Lodewijk alles verviel.
Onder zijn regeering waren intusschen vijftig predikantsplaatsen opgeheven. De oude vorm van bestuur der Kerk was dus nog gebleven; doch de Classen alleen vergaderden nog.
Het zwaarst drukte het bestuur van Keizer Napoleon op de Kerk. Het gevaar dreigde, dat alles zou ingericht worden naar de bepalingen, welke voor Frankrijk golden.
Alweder werd een Reglement ter organisatie der Kerk ontworpen.
Waren reeds ten tijde van Koning Lodewijk 50 predikantsplaatsen opgeheven, bij de invoering van dit Reglement zouden nog 300 predikantsplaatsen verdwijnen.
Er was sprake van reizende predikanten, die nu en dan kleinere gemeenten zouden te bedienen hebben. Ook was dé toeleg om de Remonstranten met de Hervormden te vereenigen.
Onderscheidene kerkgebouwen in de groote steden zouden aan de Roomseben moeten worden afgestaan.
Hetgeen de Kerk had gezaaid, had zij gemaaid.
Maar de Heere is haar nog genadig geweest. Napoleon viel. Oranje kwam terug.
En Ds. Schotsman mocht in Nov. 1814 in de Pieterskerk te Leiden, sprekende naar aanleiding van 2 Kron. 17 : 16, uitroepen: God zij geloofd! Onze beproeving is geëindigd, onze gebeden zijn verhoord. Wij zien ons Vaderland verlost, Nederland in Nederland herboren, onzen beminden Josafat op den troon, het geliefd Oranjehuis in ons midden en U, o jonge vorst (Willem Frederik Carel) binnen Leidens muren."
Nu kon de Kerk weer vrijer ademhalen. De vorm van bestuur was tot dusverre nog niet veranderd.
Oranje zou zich over haar ontfermen. Maar hoe?
Dat zullen we verder zien.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's