De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van het Zendingsterrein.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van het Zendingsterrein.

11 minuten leestijd

Om mede de belangen van onzen Geref. Zendingsbond te dienen, nemen we hier gaarne over den brief dien Zecdeling v. d. Loosdrecht schreef, voorkomend in „Alle den Volcke" De brief luidt:

Van het arbeidsveld.

I.

RANTE PAO, 8 JUNI 1914.

Naar ik mij voorstel, zullen onze vrienden wel met spanning de eerste berichten van ons eigen Zendingsterrein hebben tegemoet gezien.

Wellicht zijn ai verschillende vragen bij u opgekomen. Hoe de houding der bevolking tegenover ons is? Of men genegen is, ons bij het bouwen van scholen te helpen? Hoe het land er hier uitziet? Welke godsdienstige gebruiken de menschen hier nog kennen? Of er al veel Mohammedanen zijn, enz. enz.?

Dergelijke vragen, allen van het grootste belang voor onzen arbeid, leven voorzeker in de harten van vele belangstellende vrienden van onzen Zendingsbond.

Ik zal dan ook maar beginnen met u een en ander hiervan te vertellen.

Onze vrienden zullen begrijpen, hoe heerlijk het voor ons is dat wij eindelijk iets van onzen eigen arbeid kunnen mededeelen. Ik zal echter voor dit maal nog niet over een bepaald onderwerp of persoon gaan schrijven, maar mij thans meer bij algemeene indrukken bepalen.

De reis van Palopo naar het binnenland van Rante Pao hebben we in twee dagen volbracht. Ik maakte dezen tocht nu voor de tweede maal; voor mijne vrouw was deze nieuw.

Toen wij den hoogsten top bereikt hadden van de Boentoe Poeang (de top van Poeang = heer) bleek de weg door de veelvuldige regens afgestort in de diepte.

Ik riep nu al onze Toradja-dragers bijeen en overlegde met hen öm een noodbrug langs dezen afgrond te maken.

In minder dan geen tijd waren een tiental jonge boomen omgekapt en aan deze plaats gebracht. Met behulp van dwarsleggers bonden wij deze met rotan vast en zoo hadden wij in ruim één uur tijds een vrij goed begaanbare brug langs den bijna loodrechten rostwand geslagen.

In dergelijke moeilijke omstandigheden bevindt men zich in dit woeste bergland ieder oogenblik, en juist dan heeft men een welkome gelegenheid om den Toradja's te toonen, dat men niet zoo spoedig uit het veld geslagen is, maar zich ook praktisch weet te behelpen. Hierdoor wordt het vertrouwen versterkt in den blanken vreemdeling,

De Toradja's, die met onze meubels en het orgel ons langzaam volgden uitten bij hun aankomst in Rante Pao allen hun verbazing over die brug, zonder welke zij niet verder hadden kunnen komen.

Voor het orgel waren toch niet minder dan 25 Toradja's noodig om dit over deze hooge bergen te brengen. Na vijf dagen kwamen zij hiermee eerst te Rante Pao aan

Met den bouw van het nieuwe huis zijn wij nog niet begonnen, daar wij een klein maar aardig inlandsch huisje konden krijgen, dat voorloopig door ons bewoond wordt. Zijn wij goed met het land enz. op de hoogte, dan kunnen wü beter bepalen waar ons huis moet gebouwd worden en zien, welk punt daarvoor het meest geschikt blijkt.

In onze vorige brieven deelde ik reeds iets mede, over den algemeenen toestand van ons Zendingsterrein. Thans wil ik hieraan nog enkele opmerkingen toevoegen.

Het eerste wat den vreemdeling bij het binnentreden van de Toradja landen van Rante Pao terstond opvalt, is de dichtheid der bevolking en de hooge trap van ontwikkeling, dien hier het landbouwbedrijf bereikt heeft. Na een tocht door het overigens zoo dun bevolkte Celebes doet het weldadig aan, als het oog over deze met tal van dorpen bezaaide en welbebouwde dreven dwaalt.

Hoe meer wij dan ook over ons Zendingsveld met zijn duizenden van heidenen nadenken, hoe meer wij ons onbekwaam gevoelen voor dit groote werk. Immers, het zal hier niet meer of minder dan een kamp worden met een nog ongebroken krachtig heidendom, 't welk zich reeds tal van jaren heeft weten staande te houden tegen de aanvallen van den Islam.

Welk een ontzettende worsteling zal hier ontstaan tusschen de duisternis en het licht, tusschen den Geest des Heeren en de overheden en machten dezer wereld tegen de geestelijke boosheden in de lucht. ,

Thans ontplooit hier de satan zijn macht en glorie en nog nimmer heeft het Woord des Heeren over deze dorre doodsvallei weer klonken.

Welk een taak toch, niet waar? Hoe zouden wij daartoe in staat zijn in eigen kracht! Immers neen!

Slechts het geloof in de levendmakende kracht van het Woord onzes Gods geeft ons moed om voorwaarts te gaan.

Wij mogen dankbaar zijn, dat de Heere ons zulk een arbeidsveld heeft willen geven. Het heidendom is hier nóg trotsch en ongerept en nog niet door de oppervlakkigheid van den Islam besmet. Jarenlang zijn deze heidenen door de fanatieke en gewetenlooze Boegineesche Islamieten onderdrukt, hun land is door hen gebrandschat en geplunderd, duizenden zijn als slaven verkocht.

Hoe merkwaardig echter, dat de heidensche Toradja's hier dien geduchten aanval hebben weten te weerstaan en menigmaal liever den dood ingingen, dan den gehaten Islam te belijden.

Een volk dat met zulk een energie aan zijn heidendom vasthoudt is te verkiezen boven degenen, aan wie de godsdienst onverschillig is en die zich zonder tegenstand zouden gewonnen geven. Geve de Heere ons echter te ervaren, dat het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, 't welk thans door de vredenboden zal worden uitgedragen machtiger zal-blijken dan het wereldlijk zwaard, dat de gezanten van den profeet van Mekka hier jarenlang even gruwzaam als bloedig hanteerden.

Toch is en blijft bet gevaar voor den Islam hier niet denkbeeldig. Door het optreden van onze regeering heeft het heidendom een geduchten stoot gekregen Vele gruwelen, die mede tot de godsdienstige plechtigheden, van het heidendom behooren, zijn door de regeering afgeschaft en op straffe verboden.

De godsdienstige gebruiken ziju tot een minimum beperkt en culmineeren zich in hoofdzaak in de nog bestaande doodenfeesten. Deze doodenfeesten zijn de hoogtijden van den Toradjaschen eeredienst geworden. Door den invloed der Boegineezen werd op deze feesten vroeger ook veel gedobbeld; dit is echter door de regeering thans streng verboden.

Deze doodenfeesten duren soms enkele weken en worden door duizenden bijgewoond uit alle streken van het land. Het eenige, waar men zich mee onledig houdt zijn de ha, nengevechten, waarbij men vaak groote sommen gelds verwedt.

Wij hopen spoedig in staat te zijn om een volledige beschrijving van zulk een doodenfeest den vrienden aan te bieden, opdat wij daardoor beter den godsdienst maar tevens ook de zonde en verdorven zeden van het heidendom leeren begrijpen.

Dat deze feesten door onze regeering nog niet afgeschaft zijn, moet ons verblijden, want zij binden het volk mede aan hun voorvaderlijken eeredienst. De regeering toch kan het heidendom wel alles ontnemen, maar geeft hun daarvoor niets beters in de plaats, en voert dan ook onwillekeurig het heidendom in de armen van den Islam. Nu zal het echter de taak der Zending zijn, om den strijd tegen deze heidensche volkszonden aan te binden. Echter niet langs den weg van geweld, maar van overtuiging. Door de prediking des Woords moet de conscientie dezer diepgezonkenen weder ontsloten worden, opdat mede hun zedelijk bewustzijn moge ontwikkeld en verdiept worden. Dit is echter Gods werk. Wel kunnen wij door handel en wandel en het betoonen van liefde hunne harten trachten te winnen, maar dit kan slechts verandering van gezindheid jegens ons tengevolg hebben en heeft nog niets met verandering en vernieuwing des harten gemeen. Dit mag de Zendeling nimmer vergeten, daar hij anders zoo licht zich door uiterlijke dingen laat verblinden.

Over 't algemeen is de houding der bevolking jegens ons gunstig te noemen. Velen komen reeds bij ons aan huis en hierdoor hebben wij gelegenheid om het volk beter te leeren kennen. Zij zijn dikwijls nog zeer naief. Vorige week hadden wij een der Vorsten op bezoek, die door mijn vrouw op een kopje koffie werd onthaald; toen hij zijn kopje leeg had; vroeg hij heel leuk, of hij nu ook het kopje mede mocht nemen, want dat vond hij zóó mooi, dat hij er niet van kon scheiden. Ook het orgel wekt veel bewondering. Als mijn vrouw speelt, knielen ze er naast en betasten het van alle kanten ; ze begrijpen niet, waar dat mooie geluid vandaan komt.

Ik ben deze weken reeds veel op reis geweest om over den scholenbouw te spreken met de hoofden en de bevolking. Men wil overal gaarne scholen bouwen. De moeilijkheid is echter om den menschen te leeren, zelf voor hunne scholen te zorgen. Ten eerste: opdat deze niet ten laste van den Zendingsbond zullen komen en ten andere, om hun te leeren iets over te hebben voor deze zaak.

De fout der Zending is dikwerf, dat zij den menschen alles geeft. Dit is echter zeer verderfelijk. Van den aanvang af moet men den menschen leeren, voor school en kerk iets af te zonderen opdat zij eenmaal in staat zijn zichzelf te onderhouden, en niet altijd van anderen afhankelijk blijven. De laksheid van vele inlandsche Christenen is juist daaruit te verklaren, dat zij zich nimmer eenige opofferingen behoeven te getroosten. De gedachten, dat alles door de „Compenie" betaald wordt, doodt bij hen alle energie. Hiervoor nu moeten wij waken en aanvangen met de grondslagen van ons werk zoo te leggen, dat zelfonderhoud het eindresultaat zijn zal.

Ook om die redenen zijn wij zoo bevreesd, dat de zending der Indische Kerk zoo dicht naast ons zal werken, aangezien hare dienaren staatsdienaren zijn en de bovengenoemde beginselen, met nog vele andere meer, geheel door hen verwaarloosd worden, en zij al de nieuw-gewonnen Christengemeenten naar de groote staatsruif leiden.

Het spreekt van zelf, dat in den aanvang vele moeilijkheden moeten overwonnen worden, maar spoedig zal de bevolking op prijs stellen voor haar eigen scholen, enz. zorg te dragen. Het heidendom toch kostte hun vaak heel wat meerdere offers en de profijten hiervan werden nimmer door hen gezien.

Twee scholen zijn thans reeds geopend. Beiden zullen door honderd kinderen bezocht worden. Een volgende maal hoop ik iets naders hieromtrent mede te deelen. Behalve deze twee zijn thans nog 11 scholen in aanbouw, waarvoor de bevolking hout verzamelt. Tevens bouwen zij naast iedere school een woning voor den Goeroe (inlandsche onderwijzer). Een aantal landschappen zijn al door mij bezocht; ook deze week hoop ik weer een grooten tocht te ondernemen.

Wanneer ik in een nieuwe streek kom, roept de vorst, 'parenge' geheeten, al de dorpshoofden (burgemeesters) met de notabelen van het dorp bijeen, om met mij de zaken aangaande schoolbouw te bespreken.

Gewoonlijk zitten wij in een kring op den vloer gehurkt, want stoelen kent de Toradja nog niet. Om het ijs wat te breken, laat ik de voornaamste hoofden eens rooken of een pruimpje nemen en begin intusschen mijn medicijntrommel te openen. Op de vraag, of er ook zieken zijn, komen weldra de tongen los en heb ik spoedig de handen vol werk. Nu is het oogenblik gekomen om wat ernstiger op de zaken in te gaan. Het nut van de school wordt hun nu in den breede ontvouwd en voorgehouden, zoo dat zij goed begrijpen, welke verplichtingen zij op zich nemen. Ook wordt hun gezegd, dat de Goeroe de kinderen niet mag slaan, want daar zijn ze erg bang voor. De Toradja slaat n.l. zijn kinderen zeer zelden uit angst voor het verdwijnen van de zielstof.

Erg verwonderd hooren zij op, als ik hun zeg, dat niet alleen jongens, maar ook meisjes de school moeten bezoeken. Ik zeg hun dan, dat de meisjes naaien moeten en dat de njora van den Goeroe haar dat graag wil leeren.

Nu, dat vinden ze meestal erg belangrijk en stappen dan over dit bezwaar heen.

Over den godsdienst wordt bij zulk een eerste ontmoeting nog niet veel gesproken. Vooral ook omdat ik mij nog te zwak gevoel in de taal, maar ook, omdat zij veelal nog erg wantrouweed zijn en mij wellicht verkeerd zouden begrijpen. Zoodra zij toch hooren dat de zeden en gewoonten der voorouders moeten veranderen, verdwijnt plotseling hunne goede gezindheid en weigeren zij iets te doen.

Is de school en de Goeroe eenmaal in het dorp, dan verandert dit langzamerhand. Thans zeg ik hun, dat de Goeroe niet alleen den kinderen, maar ook den ouderen zal vertellen van Poeang AUa en Poeang Isa (van den Heere God en den Heere Jezus).

Zijn de besprekingen ten einde, dan ga ik in gezelschap van de hoofden een geschikte plek voor school en Goeroe-woning opzoeken. Deze te vinden kost in dit geaccidenteerde terrein dikwijls veel moeite, daar al de vlakten beneden in de dalen tot sawahs (rijstvelden) zijn gemaakt. Hebben wij eindelijk een geschikt plekje gevonden, dan komt onze bouwkunst aan het woord en worden door mij allerlei aanwijzingen gegeven omtrent inrichting van huis en school; daarna nemen wij afscheid.

Het is mijn stellige overtuiging, dat de Goeroes hier veelal een prettigen werkkring zullen vinden, en dat zij spoedig het vertrouwen der bevolking zullen winnen, want over 't geheel maken de menschen op mij den indruk van goedhartig van aard.

Mogen straks de scholen, als zij een plaats in het volksleven der Toradja's hebben veroverd, mede dienstbaar gesteld worden aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods. Met broederlijke groeten aan al onze vrienden.

De Zendeling-Leeraar van Rante Pao,

A. A. V. D. LOOSDRECHT.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van het Zendingsterrein.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's