Uit het kerkelijk leven.
Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?
III.
2. Wat is er in 1816 gebeurd? (Vervolg)
Tusschen 1795 en 1813 — zijnde het jaar dat Prins Willem V naar Engeland vluchtte en het jaar dat zijn zoon in Holland terug kwam — is er veel gebeurd met de Ned. Herv. Kerk. En het was de bedoeling geweest om het in 1798 tot de z.g.n. scheiding van Kerk en Staat te brengen, waardoor de. Hervormde Kerk ophield de heerschende en de bevoorrechte te zijn. '"
Dit kwam haar — zoo zagen we — te staan op het genot, altkans het uitsluitende bezit, van de geestelijke en kerkelijke goederen. Want de afschaffing der heerschende Kerk deed de reden vervallen, welke er toe geleid had het genol dier goederen uitsluitend aan de Hervormde Kerk toe te kennen.
Het vruchtgebruik der geestelijke goederen — zoo redeneerde de Staat — moest eindigen zoodra de Geref. Kerk ophield de eenig ware Kerk, de heerschende Staatskerk, te zijn; Zij was nu slechts één uit vele Kerkgenootschappen, die elk voor zich evenveel aanspraak hadden op erkenning van den Staat.
Groot financieel verlies bracht dit alles mee voor de Herv. Kerk. Waarbij de wetgever van 1798 uitging van het beginsel: dat iedere Kerk voor. de bezoldiging harer leeraren behoord te zorgen en de religie geen tak van staatsdienst meer was.
Maar zooals we reeds zagen, de Roomsch-Katholieke Koning Lodewijk Napoleon dacht over vele dingen weer anders; en die voerde 10 jaar later het diametraal andere stelsel in, hetwelk gebaseerd was op de beschouwing, dat de uitoefening der eerediensten van staatswege behoort ondersteund te worden.
Dat gebeurde bij het Besluit, den 2den Aug. 1808 door Koning Lodewijk Napoleon genomen — waarbij niet alleen aan de voormalige Staatskerk, de Hervormde, uitkeeringen uit de schatkist werden verzekerd, maar eveneens aan andere Kerkgenootschappen, tegenover wie geen verplichting tot uitkeering bestond.
Het besluit van 19 Jan. 1814 — Oranje is weer terug! — ademt denzelfden geest.
Men sprak het uit, dat men meende tot staatszorg voor den godsdienst en zijne leeraren gehouden te zijn. En men ging uit van de idee ten opzichte van de Hervormde Kerk: het onderhoud van den Christelijken hervormden godsdienst, in zooverre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereikend zijn, blijft als van ouds tot last van den Staat.
De straffen voor de Kerk zijn dus door Gods goedheid zéér gematigd 't Had — om der zonde wil — zoo héél anders nog kunnen gaan, waar de beginselen der revolutie niet veel goeds voor haar voorspelden. Maar de Heere hield Zijn toorn in en mengde Zijn straffen met Zijn barmhartigheden. Waarvoor Hij ook Koning Lodewijk Napoleon gebruikte. Evenwel was aan deze gunstige schikking Gods een donkere schaduwzijde, wijl de Overheid zich geroepen achtte om ook in het inwendige leven der Kerk een woordje mee te" spreken, waarbij zij zich vooral meende te mogen en te moeten bemoeien met de regeering der Kerk.
De Staat legde z'n hand op de Kerk. Koning Lodewijk had dat reeds willen doen. Maar Oranje zou het volbrengen.
Met den terugkeer van den Oranjevorst in 1813 — weldra tot Koning gemaakt — trad een nieuw tijdperk in voor ons vaderland.
En ook onze Herv. Kerk deelde in de zegeningen.
Wat blijdschap bij de dienaren der Kerk, dat Napoleon weg was! Wat vreugd dat weer een Oranjevorst op den troon zat, nu als Koning!
Oranje was een echte Vader. En zijn vaderlijke zorg strekte zich ook over de berooide predikanten uit. Reeds dadelijk na de herstelling van Nederland in December 1813 herstelde de souvereine vorst de uitbetaling der tractementen bij besluit van 19 Jan. 1814.
Wat blijdschap in de pastorieën — waar zoo ontzettend veel armoe was geleden! Sinds December 1810 waren de tractementeh geheel ingehouden! En ja, in den zomer van 1812 was het eerste kwartaal' van 1811 weer uitbetaald. Maar in Mei '13 hield b.v. Ds. Lucas Fockens te Sneek nog f2500 van het Gouvernement te goed.
Er was armoede geleden. Om niet van honger te sterven was door menige predikant alles, alles verkocht. Er zijn wel predikanten naar het armbestuur gegaan om bedeeling. Eén is zelfs van honger gestorven!
Aan dit nijpend gebrek der predikanten maakte echter de val van Napoleon een einde; en in Jan. 1814 werd de uitbetaling der traktementen door Koning Willem I weer in orde gemaakt.
Dat is als een groote zegen te achten. Want door de nawerking van de beginselen der revolutie hadden de fondsen en de goederen der Kerk, voor een groot gedeelte door haar zelve bijeengebracht, gemakkelijk in een oogenblik voor haar verloren kunnen gaan.
Wanneer de zilveren koorde op dat oogenblik radicaal was doorgesneden en men had de Kerk laten staan in haar armoede, zou de ellende voor haar niet te overzien zijn geweest.
Maar de Heere heeft haar die schande en die ellende gespaard.
Alleen jammer, vreeselijk jammer, dat de Kerk geestelijk zoo dood was en alzoo door die gunstige en goede zorgen der Overheid des te meer aan de Regeering des Lands zich onderwierp, zonder fier en kloek op te komen voor de financieele rechten, maar óok voor hare geestelijke rechten, om, in gehoorzaamheid aan Koning Jezus vrij op eigen terrein te blijven staan.
Helaas! dat de Kerk zoo schandelijk haar taak in deze verwaarloosd heeft en zoo slecht haar roeping heeft verstaan.
De gunstige financieele schikkingen hebben haar nog meer willoos en gevoelloos gemaakt. Zij was bereid om alles, alles goed te vinden — als haar financiën maar verzekerd waren en de kalme rust maar bewaard bleef.
En zoo werd, wat öp zichzelf genomen een voorrecht voor de Kerk was, dat zij niet op eens gansch berooid van haar fondsen en goederen daar stond, voor haar tot een strik en val.
En over de geestelooze Kerk, belust op rust en vrede, zou weldra de hand van den aardschen koning brengen, wat haar leiden zou tot aan den rand van den ondergang!
Dat het geestelijk treurig gesteld was in de Herv. Kerk willen we nog even met een herinnering uit de geschiedenis dier dagen aantoonen. 't Treedt zoo duidelijk aan't licht door de wijze, waarop de Kerk zich gedroeg ten aanzien van een boek, waarin niet bedekt, maar openlijk de belijdenis der Herv. Kerk werd aangetast. Wij bedoelen het boek van Prof. J. H. Regenbogen, hoogleeraar in de godgeleerdheid (van 1799—1812 te Franeker; daarna hoogleeraar in de geschiedenis te Leiden van 1812—1814).
Reeds in 1806 had de hoogleeraar de waarheid der Schrift openlijk bestreden, waarover velen ontstemd waren, maar toen in 1811 zijn boek: „ Christelijke godgeleerdheid naar de behoeften van den tyd" het licht zag, werd openbaar hoe ver hij — en zeer velen met hem — waren afgeweken van de waarheid Gods ons in de Schrift geopenbaard. Het boek — 480 blz. groot, het uitvoerigste dat in die dagen het licht zag — bevatte een' aantal rechtstreeksche of zijdelingsche aanvallen op de leer der Hervormde Kerk, bizonder de leer der verdorvenheid van den mensch, der verzoening met God, der Godheid van Christus enz.
De schrijver, die zijne afwijking van de belijdenis der Kerk geenszins bewimpelde, maar openlqk uitsprak, had het boek bestemd voor niet-geleerden, onder wie het niet weinige ergernis verwekte.
Drie classes in de provincie Utrecht verzochten den afgevaardigden van de Utrechtsehe Synode hun beklag in te dienen op de vergadering van de Friesche Synode die 9 Jan. 1812 gehouden werd en te vragen of er door de Friesche Synode tegen het genoemde werk van Prof. Regenbogen (het was in Friesland, te Workum, uitgegeven) reeds iets gedaan was, of anders nog gedaan zou worden, om de sciiadelijke gevolgen te voorkomen, welke het zou kunnen hebben — met bijvoeging, dat zij anders daartoe de noodige maatregelen zouden beramen.
Wat was het antwoord? Dat men de afwijkende stellingen des hoogleeraars ten hoogste afkeurde; dat ook iedere godsdienstleeraar moest vasthouden aan de zuivere belijdenis des geloofs; dat in elke gemeente alles moest worden gedaan om het nadeel van bekend geworden dwalingen en wangevoelens op de meest gevoegelijke wijze te keer te gaan.
Maar — om meer dan één reden achtte Frieslands Synode het onvoorzichtig om in het publiek het boek van Prof. Regenbogen af te keuren en hem openlijk te veroordeelen. De vijanden der Kerk zouden daar gebruik van maken om de Kerk groote schade te berokkenen.
En daar is het bij gebleven, èn in Friesland ên ook in Utrecht.
Men was van oordeel, ook toen in 1814 er nog op werd aangedrongen om het geschrift van Regenbogen in het openbaar te veroordeelen, dat „de aangename kalmte" niet moest gestoord worden.
Men hield dus vast aan de belijdenis der Kerk.
Men vond de afwijkingen schadelijk. Maar... „de aangename kalmte" liefhebbend, zag men er van af om de dwaal-en leugenleer' te veroordeelen en te bestrijden.
Laffe houding van de Kerk van Nederland I Geschikt oogenblik om met macht van boven van die Kerk te maken wat men wilde.
Om die Kerk den ouden regeeringsvorm te ontnemen en haar te geven een bestuursorganisatie, die geheel met haar wezen in strijd is en ingaat tegen de beginselen van Gods Woord.
De Kerk zou wel zwijgen. Om de wille van het geld en om de wille van „de aangename kalmte."
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's