Stichtelijke overdenking.
Want daar is geen ander God, Die alzoo verlossen kan. Dan. 3 : 29b.
Geen God, Die alzoo verlossen kan.
Hoe staan de bedehuizen in onze dagen telkenmale open. 't Kan niet anders of daar moet wel een gansch bijzondere reden bestaan.
Daar is nood onder de volken, hooggaande nood.
De vorige President van Amerika schreef: sedert de schepping der wereld heeft zulk een volkerenschok niet plaats gegrepen.
't Heeft er zoo alleszins den schijn van alsof het 2e zegel, waarvan de ziener van Patmos spreekt, is afgebroken, waarbij de Heere getuigt, dat Hij den vrede van de aarde zal laten nemen.
Het getal van 10 oorlogvoerende natiën zijn we al lang voorbij, en natiën, wier onderdanen worden geteld bij 100 millioenen-tal, natiën wier harte met een wrok viervuld is om elkander te vernietigen, zoodal ieder menschenkind moet sidderen. 't Is een bange tijd.
Wanneer iemand met zijn figuur verlegen wordt is het die man, die meende dat de vooruitgang, de ontwikkeling, de beschaving, de verlichting, of hoe ge 't ook noemen moogt, zulke vorderingen had gemaakt, dat aan een krijg met wapengeweld nooit meer onder dien volkerenkring kon gedacht. Hij staat nu met een vraagblik: waar moet ik nu heen?
Dat is met de Gemeente des Heeren, met het volk, dat leeft bij en uit Gods Woord, heel anders. Zij zeggen: hoe schrikkelijk ook, kan het onze verbazing in die mate niet wekken. Het ligt juist geheel in de lijn. Wat is nl. de mensen. Zegt niet dit Woord het hem: „hatend en elkander hatende."
Als het afscheidsel ook maar eenigszins loslaat, die de individuen en de volkeren van elkander scheidt, wanneer God Zijn hand aftrekt, is 't een wereldbrand.
Het Woord heeft het ons voorspeld: „daar zullen zijn oorlogen en geruchten van oorlogen — maar weest niet verschrikt. Ik heb 't u voorzegd."
Daar is een volkerennood. De oorlogsvlammen spelen als 't ware om ons heen. Zou de geieiddraad, waarlangs de vonken springen, tot binnen onze grenzen niet worden gevonden ?
Zonder beeldspraak: zijn wij temidden van dien wereldbrand veilig?
Als God met ons is: ja.
Als daar een volk wordt aangetroffen, dat zich buigt voor zijn God, dat op den Heere betrouwt.
Wij hebben te doen met een God, die wonderen werkt. Is Zijne kastijding geducht. Hij kan ook heerlijk verlossen.
Bij deze waarheid willen we u kortelijk bepalen aan de hand van het Woord uit Dan. 3. Babels koning had zich een beeld laten maken, een gouden beeld. Alles wat tot zijn rijksgebied behoorde, had zich op zijn wenken daarvoor neder te werpen. Hij, de hoogste gezaghebber in heel de wereld, vaardigt dit bevel uit.
Wie zou weerstand durven biên?
Ge weet het, daar zijn drie jongelingen: Sadrach, Mesach en Abednego. Ze vreezen Israels God. Zij verstonden het: Ik ben God en niemand meer. Zij hadden het verstaan, waarom ze moesten dolen daar allen tezaam als volk in den vreemde. Zij erkenden daarin het recht. Zouden ze dan nu durven buigen' voor dat beeld? Zich daarvoor nederwerpen?
Immers neen. De koning had wel gezag, maar het was ontleend aan den hoogsten Gezaghebber, aan God Zelven. En nu moet hij zich niet inbeelden naast of in plaats van God te kunnen staan. Zij willen eere geven aan hun koning, maar aanbidden alleen den Heere in den hemel.
De botsing kon niet uitblijven.
Nebucadnezar vaardigt het bevel uit: laat deze onzinnige, overmoedige Joden het vreeselijkste oordeel treffen, geef hen den vlammen prijs.
't Was een vuurzee, waarin ze geworpen werden. De mannen, aan wie deze taak werd opgedragen, werden zelve door de uitspattende vonken gedood.
En nu de jongelingen. Als zij ingeworpen worden, blijven zij temidden van deze vlammenzee ongedeerd. 't Eenige dat opgemerkt wordt door den koning en de zijnen is dit: gingen zij gebonden de vlammen in, daar, midden in den gloed, vallen de banden hun af; ze zijn verteerd..
Waarin bestond nu het geheim ? ., :
Daar in dien vurigen oven werd nog Iemand anders gemerkt. Naar 't getuigenis van den koning: een gelijk aan een zoon der goden, een Engel Gods, een afgezant des hemels, de ongeboren Zoon staat hier de Zijnen bij. Hij maakt het waar: wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland. — De vlammen konden hen niet aanraken.
't Kan u niet verwonderen, dat Babels vorst 't niet langer op zijn zetel kon houden. Hij roept van verre: Sadrach, Mesach en Abednego, gij knechten des Allerhoogsten Gods, gaat uit en komt hier.
Zij komen uit.
Die wondermenschen worden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. De koning zelf voorop, de stadhouders, de landsvorsten, alles nadert.
Maar wat wordt nu betuigd: de reuke des vuurs is daar zelfs niet door gegaan. En heel het slot geeft dit te aanschouwen, dat de koning voorgaat met deze belijdenis: Geloofd ziij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, Die Zijn Engel gezonden heeft en Zijne knechten verlost, die op Hem betrouwd hebben.
Daar is geen ander God, Die alzoo verlossen kan.
Wat komt 't in deze wónder-heerlijke geschiedenis duidelijk uit, welk volk veilig is. Hier treedt in het licht op onloochenbare wijze, dat wie op den Heere, op den God Israels vertrouwt, veilig is te midden zelfs van de vlammen.
Zou het thans anders zijn?
Men spreekt in onze dagen van een wereldbrand. Heel Europa is ingewikkeld, al de landen nemen aan dezen reuzenstrijd deel of staan aan de grenzen om hun landpalen te beschermen. Het land, dat vlak naast het onze ligt, is voor een goed deel thans gelijkend op een ruïne, gansche steden en dorpen met den grond gelijk gemaakt, al de oorlogsjammer is er over heengegaan huizenhoog.
Waarom blijft het onze tot dusver gespaard? Zegt met mij: dit is een woord van onzen God.
Och, bazel me niet van een roemrijk verleden, van een land van groote mannen. — En Leuven dan!
Spreek me niet van tractaten, overeenkomsten, beloften. Ik behoef slechts even den wijsvinger te doen afbuigen nasir het Zuiden heen.
Zegt ook niet: de oorzaak vindt ge in de gunstige ligging — want dan vraag ik u: aan wien hebt ge dit anders te danken dan aan God.
Danken.
Zal waarlijk ons samenzijn in de bedehuizen een zegen inhebben, zoo zullen we eerst moeten beginnen met den Heere te voet te vallen en te roemen in Zijn vrije gunsten: „Och God wat zijt Gij goed."
Dat onze akkers niet vertreden zijn, onze steden niet verbrand, dat de bloem van onze burgerschap niet is weggeraapt, dat niet ons land aan de vernietiging is prijs gegeven, hebben we aan niets anders toe te schrijven, dan dat God ons in dezen wereldbrand nog nabij bleef.
Daar staat een schutsengel, die 't niet toelaat. Babels koning, zelf een heiden, een afgodendienaar, zag het en beleed.
Wordt het in Nederland ook opgemerkt? Zijne lippen spraken: geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego.
Wordt dit onzerzijds ook gehoord?
't Moest als een vanzelfsheid spreken. De historie sprak en spreekt te„ luide. En toch wil het ons maar voorkomen, dat er slechts heel weinigen zijn, die in dezen de rechte plaats innemen.
Om nog slechts deze ééne vraag te stellen: Wordt het verstaan wat God met dit wereldgericht — want zoo moet het genoemd worden — ons te zeggen heeft?
Om in een beeld te gieten wat ons de schuld der natiën schijnt.
Daar was eens een herder, die den majestueusen wiekslag gadesloeg van een adelaar. Van een der rotspunten zag hij hem opvliegen, steeds hooger, steeds hooger. Hij scheen zich wel tot in de wolken te kunnen verheffen. Maar wat is dat?
Opeens laat de eene wiek zich hangen, terwijl ook straks de andere vleugel lam wordt. Met een smak valt het dier op de aarde. En wat bleek nu bij onderzoek: .een klein slangetje had, toen hij stond op een der rotspunten, zich aan hem vastgehecht. Deze drong steeds dieper, steeds dieper, tot eindelijk het hart was bereikt.
Was ook niet de vlucht der volkeren steeds hooger, steeds hooger I Maar daar zat een slang tegen den boezem. Men verhief zich om straks te moeten vallen. Ieder, die den polsslag der volken gadesloeg, moest zeggen: dit loopt op een val uit.
De volkeren. — En Nederland dan? Is 't in de zonden der natiën achtergebleven? Hoe kon ze 't bestaan, dit land met zulk eene historie.
Want zoo ergens is het hier betoond, dat geen God verlossen kan als Neerlands God. Wat is dat kleine landje vaak geweest midden in de vlammen.
Wat heeft men dikwerf gezworen: „het zal niet meer zijn. Dit land is ten doode geteekend."
En wat was de uitkomst?
Die het in de vlammen wierpen, werden door de uitspattende vonken verteerd. Denk eens aan het land der Spanjolen. En Nederland zelf?
De banden, waarmee het gebonden was van tevoren, bleken achtergebleven te zijn in het vuur.
Het volk kreeg een vrijen uitgang.
Wat moet de historiekenner nu bij deze dagen aan teekenen?
Dat er toen ter tijde een volk was, dat op den Heere vertrouwde.
Is niet tot op den huldigen dag het woord van den groóten Zwijger gebleven, toen men hem vroeg waarom hij zoo stil kon zijn, zoo vol vertrouwen: „Hebt ge soms in het geheim een verbond gesloten met een der machtigen dezer wereld? " „Ik heb een verbond", zoo luidde het wederwoord, „met niemand minder dan met den Potentaat der potentaten."
Ons geliefd Oranjehuis is een zichtbaar teeken van de verlossing van Israels God.
Daar is geen God, Die alzoo verlossen kan. Zullen wij 't er nu ook nog op wagen? Durft ge 't aan?
Is daarop uw hope gericht?
Durft ge nog bidden om behoudenis? Wil het u nog van de lippen: „God spare Nederland"?
Ge zult dit moeten toegeven, in de vlammen zal iets moeten achterblijven: de banden, waarmee ons Nederlandsche volk gebonden werd. De eenige koorde, die er zijn mag, is de onzichtbare, die ons bindt aan dien verlossenden God.
Dan wordt de ware vrijheid verkregen. Ik bid God, omdat daar is een innerlijk drijven en wijl het bewustzijn bij mij leeft, dat daar nog zijn mannen in ons midden als Sadrach, Mesach en Abednego. Maar ook is daar een vreeze.in mijn bianenste, als Nederland gespaard blijft voor den oorlogsjammer, wanneer de fakkel van den krijg ons voorbij gaat, dat dan straks het kwade, dat nu schijnbaar iets gedrukt ligt, zich met een nieuwe veerkracht zal opheffen zeggende: „wij zijn zonder God gered, wij zullen ook zonder Hem leven."
Heere, breng het volk op de knieën. Onze Koningin aan het hoofd en het volk, dat bidden heeft geleerd, daarachter.
Laten ze niet buigen voor het gouden beeld, maar leer ze biddend Uw komste wachten. Heere kastijd ons —Uwe kastijdingen zijn er noodig — maar kastijd ons boven onze krachten niet.
Wanneer de vlammen rondom ons gaan, .blijf ons nabij.
Op U, Heere, zij ons betrouwen. Dat onze levenszang zij:
Ik steun op God, mijn Toeverlaat, Dies heb ik niets te vreezen;
Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad, Uw tent zal veilig wezen.
Hij zal Zijn engelen gebiên. Dat z'u op weg bevrijden. Gij zult hen in gevaren zien Voor uw behoud'nis strijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's