De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Heere, als ik Uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o Heere, behoud dat in 't leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens. Hab. 3:2.

O Heere, behoud!

Aan Habakuk was een zware taak toebedeeld. Hij moest als wachter op Sions muur staan, toen die muur reeds ondermijnd was en op vallen stond. Jehova's strafgerichten moest hij 't afkeerig volk aanzeggen. De Chaldeër zou de schrikkelijke tuchtroede des Heeren zijn. Klaar zag hij vanaf zijn wachttoren het oordeel naderen. Hij was een waar profeet; 't lot van zijn volk liet hem niet koud. Hij was meer dan spreekbuis, waardoor God Zijn gerichten aankondigde; hij was geen ijzerhard werktuig, zonder gevoel voor den jammer hem getoond. Hij was ten diepste geschokt en roept 't uit: Ik heb gevreesd; mijn hart is beroerd, mijne ziel beeft, o Heere, wanneer ik hoor, hoe Gij 't oordeel besloten hebt over dit zondig volk.

Wel moest hij den geesel billijken; want de ongerechtigheden waren vermenigvuldigd als het zand der zee. Neen, Habakuk vergoelijkt de zonden des volks niet. Onomwonden legt hij 't volk zijne gruwelen voor. Hij had 't tevoren wel uitgeroepen, dat 't toch niet te begrijpen was, hoe de Heere zooveel goddeloosheid straffeloos dulden kon: Heere, hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet" (1:2); 't had hem ongeduldig gemaakt, dat God Zijn almacht niet toonde ter beteugeling van de zonden des volks. En nu heeft de Heere hem doen zien en aankondigen wat schrikkelijke oordeelen gaan losbarsten over Israels afvallige kinderen. En dit heeft hem doen vreezen en uitermate geschokt; zóo diep, zóo laag zou dat volk vernederd worden; zóo fel geslagen; gedorscht schier tot verdwynens toe.

Werd ook onder ons wel niet eens de klacht beluisterd, als hield zich de Heere bijkans een ledig toeschouwer van de goddeloosheid der volkeren. De menschen speelden met God, en 't leek als liet Hg met zich spelen. De ongerechtigheden, de lasteringen van Zijn heiligen Naam waren torenhoog opgestapeld, en Hij wierp de vensteren des hemels niet open, om door Zijne bliksemen neer te werpen, wat zich tegen Hem stelde!

Maar nu op eenmaal werd de donder Zijner gerichten ontketend; plotseling, onverwacht, goot Hij de fiolen Zijner gramschap dermate over de volkeren uit, dat het menschenhart van weedom wegkrimpt, ziende den jammer, die uitstroomt over onzen levensakker.

O, we zeggen 't Habakuk na: wanneer wg deze Uwe rede hooren, dan beeft onze ziel. Dan huivert de kleine mensch voor het geweld Uwer sprake. Want God spreekt in den gruwel dezer bloedige verwoestingen. Maar met de stemme van Zijn langgehoond gezag.

Habakuk's vreeze was geen zwakheid; neen, de liefde tot de eer en 't erfdeel zijns Gods roerde in die vrees, in die huivering zijner ziel.

En wat moest daarvan worden onder het smalend stampen dier Chaldeeuwsche horden over Israels erve? 't Eigen ik, eigen eer viel bij hem weg; maar de eere zijns Gods! de Naam en de zaak des Heeren, die toch met Zijn volk zoo nauw ligt saamgeweven.

Maar hij moest 't billijken, want de maat is vol. De ongerechtigheden zijn geklommen tot ver boven de hoofden. Toch beeft er zijn ziel onder en als een andere Mozes werpt hij zich voor God in de bresse. Zijn toevlucht is tot God. Hij zoekt geen ijdele geruststelling door zijn oog en hart te sluiten voor de schrikkelijk-zware oordeelen; hij zoekt geen stilling van vrees in 't verkleinen der bange toekomst. Ontveinzen van den aangrijpenden ernst der sprake Gods dunkt hem geen veilige schutse. Hij slaat een anderen weg in; hij vlucht tot God en roept 't uit in Zijn oor: Uw werk, o Heere, behoud dat. Als straks de vlam uitslaat en hooi en stoppelen verteren gaat, dat dan Gods werk toch onaangetast blijve. Hij is er van doordrongen, dat volk is wel maar een ruwe, onooglijke ertsklomp, maar in die wanstaltige klomp schuilt edel metaal, 't fijne goud van Gods werk, 't overblijfsel naar de verkiezing der genade! Dat zondige volk is de schaal, de bast der noot; als nu met de bast ook maar de kern niet weggeworpen wordt, en daarom: o Heere, Uw werk, behoud dat! Laat menschenwerk vrij ondergaan, als Uw werk maar standhoudt.

En ge kunt er zeker op gaan, lezer, zulk 'n bidder vindt gehoor, want hem gaat de zaak zijns Gods ter harte!

O, die bede ware ook nu zoo gepast voor allen, die den Naam en de zaak des Heeren lief hebben.

Want Gods rede in Zijne gerichten is angstwekkend ; wat moet er in dezen schrikkelgken maalstroom van oorlogsgeweld, in deze hellewoeling, waarin volken dreigen onder te gaan, van Gods Kerk worden?

In 't geheel van dit wereldleven, 't is waar, is Gods Kerk wel de eigenlijke kern, al 't andere slechts de schaal, maar kan met de bast ook de kern van de noot niet verloren gaan?

't Is zoo grenzeloos oppervlakkig het weinigje verdieping van levensernst, dat in sommige kringen wordt opgemerkt, onmiddellijk met veel ophef te boeken als winste voor Gods Koninkrijk.

Welk een uitgieting van helsche hartstochten, die den aardbodem verschroeien, staat daar tegenover. Hier brandt een vuur, ontstoken van de hel. Hoe krijschen de duivelen, nu dat werelddeel, waar het Evangelie van den Man van Smarten sinds eeuwen wierd verkondigd, schouwtooneel geworden is van ongekende verwoestingen.

Hoe moet 't woord der vrede-boden al meer een stem des roependen in de woestijn der heidenwereld worden, nu de voornaamste Christenvolken elkaar naar de keel vliegen en hunne landszonen bij honderdduizendtallen werpen in de moordkolken van den hedendaagschen krijg?

Jubelde niet nu reeds de Mohammedaansche wereld, dat een tijd van nieuwen opbloei voorden Islam nu gekomen was ? Het heidensche Japan wierd door 't „christelijk" Engeland te hulp geroepen, 't land, van waaruit de krachtigste zendingsactie is opgebloeid. In den tempel van den Islam wordt gebeden voor de zege der wapenen van Duitschland, dat immers ook 't licht des Evangelies uitdroeg over 't rond der aard. De velden zijn wit om te oogsten, de heidenwereld — zoo leerden wij — schreeuwt om een krachtige bearbeiding door het Evangelie, maar daar is geen tijd, geen geld, geen aandacht voor; want de Christenvolken zijn bezig elkaar te verteren in een waanzinnige worsteling, wie de eerste onder hen zal zijn. Bloedige parodie op 't woord van Christus, dat dienen en niet heerschen de hartstocht Zijner Kerk moest zijn Hoevelerlei christelijke arbeid komt voorts niet in 't gedrang en wordt met ondergang bedreigd. Genoeg reeds, om begrijpelijk te maken, dat wie aandacht aan deze dingen wijdt, uitroept: wat moet er van dit alles worden?

Deze stemme van Gods gerichten doet ons sidderen en werpt bange vreeze in 't gemoed; en voor wie 't in ernst neemt, is er maar één uitweg: o Heere, behoud Gij Uw werk!

„In 't midden der jaren"; oorspronkelijk duidt dit op de ballingschap, jaren van zoo bangen druk, dat er dubbele zorg des Heeren noodig is om Zijn werk te bewaren. En wij zeggen 't Habakuk biddend na: Heere, wijd dubbele zorg aan Uw werk, aan Uw Kerk, zoolang deze hellewoeling aanhoudt.

O, en 't geloof zegt, dat voor zulke bede verhooring is, want dat God in druk Zijn volk gedenkt.

Hij zal hen nimmer om doen komen In duren tijd of hongersnood.

Hij hield Zijne Kerk staande in den vuurgloed van den oven; en 't nachthutje in den komkommerhof ligt onder de hooge bescherming van Zijn almachtige hand.

Hoe weinig van menschen en volken te wachten is voor den opbouw en instandhouding van Gods Koninkrijk, toonen de gruwelen van het oogenblik, maar dit tot troost, onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

Ja, zóo gezien, mag zelfs de bede nog hooger stijgen, en smeeken van God, dat „Hij Zijn werk bekend make in 't midden der jaren." 't Is niet genoeg als 't stille voortbestaat, maar 't moet ook groeien, bekend worden, d. w. z. uitschitteren voor elks oog. Hier grijpt 't geloof hoog. Waar 't verstand ondergang, althans bang verlies ducht voor Gods Kerke, daar getuigt 't geloof, dat de Heere de Machtige is, om ook hier nog op hope tegen hope winste te doen voortkomen, en datgene wat menschen en duivelen ten kwade bedacht hebben ten goede te keeren.

Maar weet dit dan wel: als dat geschieden zal, dan is 't wonder van Gods almachtige genade, Die alle dingen Zijn Kerk ten goede doet medewerken; ook die dingen, waarvan 't oog, zoover 't reikt, enkel schade duchten kan.

„Heere, maak Uw werk bekend", d. w. z.: Vooreerst, laat de volken weten, dat Gij, o Heere, deze dingen doet, opdat ze van Uwe gerichten gerechtigheid mogen leeren.

Laat ze weten, dat Gij hunne afgoden tot pulver vergruizelt; dat Gij bezig zgt hun trots te breken, hun steunsels weg te slaan, hunne gebroken bakken te toonen, opdat zij wederkeeren tot U, den sprinkader des levenden waters.

Maar laat dan ook 't volk, dat op u bouwt, niet schaamrood staan. Laat 't gezien worden dat welgelukzalig alleen dat volk is, welks God ds Heere is. Nu't „vest op prinsen geen betrouwen" op eenmaal zulk een klare waarheid bleek, laat, o Heere, laat 't nu ook zien, dat de Vorst van 's hemels legermacht alleen Zijn volk gelukkig maakt.

En eindelijk: „in den toorn gedenk des ontfermens."

In den druk van 's levens lasten ziet de profeet den brand van Gods toorn; verstrekkende erkentenis!

Immers daarin ligt vervat de ootmoedige belijdenis van zondeschuld; de betuiging, dat we rechtvaardiglijk van den aardbodem verdaan konden worden.

Nemen wij dit ter harte, lezer.

Gods oordeelen zijn welverdiend. Zelfs als er nooit verademing meer kwame, moest de hand op den mond. Zóo zwaar kan de last nooit drukken, dat wij recht tot tegenspraak hadden, wie we ook zijn.

Daarom de smeeking in den ootmoedstoon: Neem Uw plaag van op mij weg; erbarm U onzer; laat 't in Uw oordeelen ons ervaren, dat Gij nooit kastijdt uit lust tot plagen.

Hier wordt beleden: wij hebben alles verbeurd; niet ons werk, maar Uw ontferming alleen kan ons redden van een wis verderft 't Is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt; maar des ontfermenden Gods. Niet anders rest ons, dan te pleiten op genade voor genade!

Zulk vluchten, worstelen, smeeken, bidden draagt de belofte der verhooring in zich. Hier is een tollenaar aan 't woord, en zulk een bidder vindt gehoor.

Ach, wierd 't meer gevonden.

Waar 't ontbreekt, daar wordt de ontzaglijke ernst niet verstaan en daar moet met zielehuivering 't woord des Apostels geuit: zoudt gij dan tevergeefs zooveel geleden hebben; indien maar ook tevergeefs.

En als de oogen geopend worden, o pleister dan niet met looze kalk; misschien ligt daarin eenige behagelijke rust hier, maar ze is waan en voor een tijd slechts; en mogelijk wekt 't onrust, angst en smart, klaarlijk te zien wie wij zijn en wie God is, maar 't is toch verreweg 't beste, want de Waarheid is bovenal.

En: zalig zijn die treuren, want zij zullen, vertroost worden:

Want Gods goedheid zal mijn druk Eens verwiss'len in geluk;

Hoop op God, sla 't oog naar boven; Want ik zal Zijn Naam nog loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's