Stichtelijke overdenking.
Wee dien, die met zijn Formeerder twist. Jesaja 45 : 7a.
Een wanhopige strijd.
Er is een oorlog, die leidt tot een algeheele vernietiging en een rampzaligen ondergang. En dat is die oorlog, dien de mensch voert tegen God, waarin het schepsel het zwaard trekt tegen den Schepper en het maaksel van Gods hand twist met zijn Formeerder. Dat is een strijd, waarover de Heere het: „wee u/" heeft uitgeroepen en waarvan ieder ook het wee zal ervaren voor den tijd en voor de eeuwigheid — tenzij er nog vrede gesloten wordt buiten de legerplaats, daar waar de groote Middelaar Jezus Christus staat, van Wien Sion getuigt: Hij is onze verlossing! Wij willen u dat wel met de stukken bewijzen ; en we willen dat doen door de historie te laten spreken.
Wij verplaatsen ons in den geest in het paradijs. En wat zien we daar?
Daar staat de mensch, het schepsel Gods, door God beweldadigd met alles goeds, erfgenaam van het eeuwig zalig leven, op voorwaarde, dat de mensch zal wandelen in gehoorzaamheid voor Gods aangezicht, in het pad Zijner inzettingen.
Dan zal het einde van den weg zijn, voor Adam en al zijn nakomelingen, om opgenomen te worden in eeuwige heerlijkheid, na een leven op aarde vol zegening en blijdschap. Maar wat gebeurt?
Daar bewijst de mensch met een sprekende daad, dat hij, het schepse!, er geen genoegen mee neemt, dat God, de Schepper, zeggen zal wat goed en wat niet goed is, wat mag en wat niet mag. Dat wilde de mensch niet ter beoordeeling laten aan God, den Heere. Dat wilde de mensch voortaan zélf uitmaken.
En zélf oordeelend, vond de mensch dat God het geheel verkeerd deed. Wat God zeide dat niet mocht, dat vond de mensch dat het wel mocht. En wat de Heere zeide dat slecht was, oordeelde de mensch alleszins geoorloofd om het te doen.
Zoo stelde de mensch zich tegenover God. En hij heeft gedaan naar zijn eigen wil, daarmee de wet Gods te niete makend; daardoor God van Zijn eere beroovend; daarmee den oorlog verklarend aan den Allerhoogste.
Ja — ziet naar het Paradijs! En dèarziet gij, dat de mensch gaat twisten met zijn Formeerder, die hem gemaakt heeft, en in het vervolg ziet gij dan, dat het wee Gods over den mensch komt.
De mensch heeft het verloren.
Het gevolg van dien twist is geworden een ontzettende vernieling en een algeheele ondergang voor het menschdom, vallend in den drievoudigen dood.
Daar gaat de mensch, verdreven uit het Paradijs! Daar gaat hij, beladen met Gods vloek.
Ja — wel staat er geschreven: „wee dien, die met zijn Formeerder twist"!
Den dood onderworpen; tot veel smarten lijden geboren; met den vloek Gods beladen; zedelijk bedorven; op reis naar een eeuwigheid vol ellende en rampzaligheid — dat is de mensch, die door God geschapen is tot zaligheid, maar die rebelleerde tegen zijn Maker, die twistte met zijn Formeerder, die zich losmaakte van zijn God, om zich voortaan te scharen onder de vanen van den Booze. Algeheele vernieling; een totale ondergang — dèt is het einde van dien vermetelen krijg, van dien rampzaligen oorlog!
We slaan het boek der historie op een andere bladzijde op.
We zijn in de dagen na den zondvloed. God de Heere heeft gerichte gehouden op aarde vanwege de goddeloosheid der menschenkinderen. Zij, die getwist hadden met hun Formeerder, hadden Zijn goddelijk wee met smarte ontvangen. Maar de Heere had het menschdom niet vernield, waar Hij Noach en zijn huis spaarde, tot roem van Zijn genade. Daar stonden Sem, Cham en Jafeth als het sprekend bewijs, dat God groot is en dat Zijn raad bestaat in der eeuwigheid.
De Heere maakt hun nu Zijn voornemen bekend en zegt, dat de menschen over de lengte en over de breedte der aarde zullen worden verspreid, en dat de Heere hen dan bedienen zal uit Zijne genade, zóo, dat de zegen van Sems kinderen zal komen in de tenten van Jafeth en daarna zal gaan over Cham's nakomelingen, die liggen onder den vloek vanwege hunne goddeloosheid.
Maar in die ordinantie des Heeren kan Nimrod, een geweldig jager zijnde, zoon van Cham, zich niet vinden.
En trekkend naar het oosten bouwt hij in het laaggelegen land Sinear, met dien overvloed van leemgroeven en naftabronnen, een stad, en zijn geslacht werkt samen om een toren op te trekken, waarvan het opperste in den hemel reikt.
Daar zal men dan de aarde beheerschen en daar zal men dan den hemel belachenl En schuilend bij elkaar, gedekt door de sterkten der aarde, zal men zélf de geschiedenis maken en Gods raad te niete doen gaan.
Maar.... als de mensch zich gepantserd heeft tegen den hemel en het zoover gebracht heeft, dat Gods raad te niete schijnt gemaakt en Gods voornemen schijnt verijdeld, onafhankelijk nu zijnde van Hem die in den hemel woont, dan verschijnt God blinkende, met majesteit en heerlijkheid én verijdelt alle plannen van het schepsel, slecht alle hoogten des menschen, vernietigt alle sterkte des mans. En een puinhoop ligt er — inplaats dat er een toren trotsch de spits door de wolken boort.
Vernieling is het einde; verwarring overal; totale ondergang.
„Wee dien, die met zijn Formeerder twist!" En Gods raad bestaat tot in eeuwigheid.
Wij wijzen nog op iets anders.
„Ik ben de Heere en niemand meer, buiten Mij is er geen God" heeft de Heere van ouds bekend gemaakt. (Deut. 4 : 35; Jes. 45 : 5a) Maar de mensch geloofde het niet; en in plaats van zich voor Hem te buigen en het heil van Hem te verwachten, koos dat schepsel een sinderen weg dan de Schepper had bekend gemaakt.
De mensch maakte zich andere goden, aaar de lust van zijn dwaas en zondig hart — en het heidendom ligt nog gebonden in die rampzalige zonde der afgoderij, die het zelf heeft gezocht en aangekweekt. God kennende, hebben zij God niet verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen. En zich uitgevende voor wijzen zijn zij dwaas geworden. (Rom. 1)
Den Schepper hebben ze verworpen. Ze hebben zich gewend tot het schepsel. Ze hebben zich gekeerd tot de zon, de maan, de sterren, viervoetig en kruipend gedierte. Ze hebben goud genomen en een goudsmid gelast er een beeld van te maken, met oogen en handen en voeten. En ze hebben hun vertrouwen gesteld op het levend gedierte en op het stomme beeld.
Zóo zouden ze hun weg wel maken en zoo zouden ze God van den hemel weerstaan. En het gelukt.
Zie maar op Dagon, den afgod der Filistijnen.
Zijn de goden der Filistijnen niet sterker dan Israels God? Immers ja!
En triumfantelijk zet men de ark, veroverd op het volk, dat van God was afgeweken, in Dagons tempel, voor zijn aangezicht. Jehova de gevangene van Dagon! Maar „wee dien, die met zijn Formeerder twist"; „zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden."
Want als men 's morgens de deuren ontsluit, dan ziet men, dat Dagon van z'n voetstuk gevallen is en voor de ark in het stof ligt; wat daarna sterker nog wordt herhaald! Denk ook aan de dagen van Israels ballingschap.
Dan is het volk des verbonds, waarvan Jehova gezegd heeft: „het is mijn volk!" door de hand dér heidenen geknecht en aan de rivieren van Babel zit het volk verstomd terneer, terwijl de heidenen hen hoonen en tarten.
Zijn de goden der heidenen niet sterker dan Jehova ? en is het zoo kwaad om 't vertrouwen te zetten op de gesnedene beelden? Maar ... dan denken we aan het gedeelte der Schrift, waaraan ons tekstwoord ontleend is.
Want ja, om der zonde wil was Israel gevangelijk weggevoerd naar het land der heidenen. Maar Jesaja ziet in de verte den tijd des welbehagens over Israel aanbreken. Hij zingt: dat .haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft. voor al hare zonden.
Hij jubelt: de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden.
En dan zegt hij ook: ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer en als een stofje van de weegschaal", om dan scherp sarcastisch met heiligen spot de afgoden der heidenen voor te stellen als onmachtig om het volk Gods in bezit te houden en Gods raad te kunnen verijdelen. Ja — ze hebben wel oogen, maar ze zien niet; ze hebben wel handen, maar ze kunnen er niets mee doen; ze hebben wel voeten, maar ze kunnen zich niet bewegen.
Weet gij het niet, o heidenen, dat uw goden geen goden zijn ? Het is een stuk van een boom, die half verbrand is om brood te Ijakken op het vuur — terwijl de andere helft bewaard is om er een god van te maken. Het is een klomp goud, die kunstig bewerkt is door een goudsmid, maar een dood element blijft, zonder eenige kracht! En voor die rij van doode, stomme afgoden heen gaat Jehova, Israels Bondsgod, om Zijn volk te verlossen en het te leiden naar Jeruzalem — terwijl er niet éen zich roert of beweegt.
O! wat komen de heidenen bedrogen uit met hun goden. En wat wordt hun werk verijdeld. Wat zal alles eindigen in ondergang en smartelijke teleurstelling!
't Is dus telkens dezelfde geschiedenis: die den strijd aanbindt met zijn Maker zal in ellende omkomen.
En daarom, gedachtig aan het paradijs, gedachtig aan den torenbouw van Babel, gedachtig aan het heidendom, dat op de afgoden vertrouwt laten we ons oog gaan over de tegenwoordige wereld, op de landen die ons omringen en op het volk waartoe wij zelf behooren en we merken op, dat de mensch het nog altijd wagen durft om zich tegen God te verzetten, maar om ook nu weer te ervaren: „wee dien, die met z^n Formeerder twist".
De eeuw die achter ons ligt is de eeuw der uitvindingen, die door stoom en electriciteit gansch de wereld omtooverde. Het verkeer nam toe, de industrie bloeide op, het welvaren van alle natiën werd bevorderd.
Zou het misschien nu de tijd zijn om den toren van Babel te bouwen?
Vroeger was het mislukt, dat is waar. Maar zou het misschien nu de tijd zijn, om saam de aarde te beheerschen en den hemel te belachen? Zou het nu de eeuw zijn, waarin de hoogste wijsheid zou wezen: geen God en geen meester?
Vorsten en volkeren zochten gemeenschap. De machtige internationale bond van de proletariërs van alle landen zat goed in elkaar.
Ja — spoedig zou het in orde zijn! Waar men het goed had, daar zou ons vaderland 'zijn. En als alle standen waren opgeheven, alle natiën saamgesmolten, alle grenzen uitgewischt en de rijkdom gemeenschappelijk bezit èn de bodem gemeenschappelijk eigendom zou zijn geworden, dan had men 't gewonnen.
Ruwer werd de toon des ongeloofs. Brutaler werd het verachten van Gods inzettingen.
Heerlijker lokte de toekomst, 't Paradijs op aarde kwam terug.
En daar daalt God nu met majesteit bekleed tusschen beiden en de landen worden uit elkaar gerukt, de natiën tegen elkaar opgezet, de proletariërs elkanders vijanden, gloeiend van vaderlandsliefde. Alles verijdeld I
En rook, vuur, bloed, vernieling spreken er van: , wee dien, die met zijn Formeerder twist".
Vreeselijke tijden beleven we. Babel, dat is: verwarring.
Alles staat machteloos. De grenzen worden niet ontzien, het woord niet gehouden, tractaten geschonden, medeschepselen gedood, helsche machines afgedraaid om honderden en duizenden in een oogenblik in het stof te leggen. Men vermoordt elkander. Men mergelt de landen uit. Men vernielt alle kunstgewrochten. Men drenkt de landouwen met bloed. En bij dat alles staat men met een cigaret in den mond, om óok achter het kanon te gaan staan, op de plaats waar juist een kameraad is weggeschoten, binnen een minuut zelf wegzinkend in den smartelijken dood.
O! de volken hebben het gewaagd om te twisten met hun Formeerder. De landen hebben opstand gepredikt tegen God. Men heeft Gods Woord verworpen en zich neergebogen voor de goden dezer eeuw.
't Ging zoo goed. Bijna was men er. Dan zou men de aarde beheerschen en den hemel belachen.
En nu komt God om ons te zeggen op vreeselijke wijze: „wee dien, die met zijn Formeerder twist".
We twisten met onzen Formeerder. Wij — en ons huisgezin. En in ons huis zullen de . vreemde goden moeten wijken. We zullen ons met onze kinderen, met onze dienstbaren, moeten leeren schikken naar Gods wet en naar Zijne inzettingen.
De Kerk des Heeren twist met haar Formeerder. Het maatschappelijk leven weigert onder Gods juk te gaan.
Alles is in opstand. En Gods volk is het dikwijls zoo weinig eens met God.
Er is zooveel heimelijk dragen van eigengemaakte goden.
Er is zoo weinig opnemen van Gods eischen en bevelen, om Zijn Naam te belijden op elk terrein des levens.
En we zullen saam ervaren: „wee dien, die met zijn Formeerder twist".
Dat we ons mochten leeren buigen onder den scepter van Sions Koning, om onder Zijn volk te mogen behooren, saam zingend:
Hoe zalig is het volk, dat naar Zijn klanken hoort! Zij wand'len, HEER, in 't licht van 't godd'lijk aanschijn voort; Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe; uw macht schraagt hen in 't lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's