Uit de Pers.
Vaderlandsliefde.
Onder dezen titel verscheen indertijd een stukje van de hand van wijlen Ds. Rudolph, de gedachten, daarin neergelegd, worden vooral in onzen tijd verstaan, waarom wij er nog eens gaarne een plaatsje voor inruimen.
Mag de liefde tot het vaderland zóó groot zijn, dat 't volk in oorlogstijd met geestdrift naar de wapenen grijpt en alles, alles opbiedt om den vaderlandschen bodem tegen den overmachtigen vijand tè verdedigen ;en dat het in vredestijd gaarne heel wat offert, om, met het oog op mogelijken strijd, zijn beste zonen in den wapenhandel oefenen ?
Gewichtige vraag, die de anarchist met een sarkastisch spottend neen, degene, die nog waarlijk door Christelijken en oudhollandschen geest is bezield, met een geestdriftig en mannelijk ja beantwoordt.
En aan welke zijde gij, mijn lezer, valt, dat hangt slechts af van een andere beteekenisvolle vraag, wat voor u „volk" en „vaderland" is.
Is 't volk voor u slecht «een hoop zielen op een stuk grond», een verzameling van eenlingen, die als de korrels van een zandhoop los naast elkander liggen, en is de vaderlandsche bodem voor u niet anders dan wat de weide voor 't vee is, ja, dan valt ge aan de zijde van den anarchist, hoont ge alle vaderlandsliefde als misselijk «vaderlandismes, is 't soldatisroe u een last te zwaar om te dragen, is 't soldatenpak u een harlekijnspak, dat ge hoe eer hoe beter afwerpt.
Maar dan is uw beschouwing van «volk» en «vaderland» in strijd met de Schrift en in strijd met de werkelijkheid.
Het volk is geen verzameling van individuen. Wij, menschen, worden niet als vondelingen geboren om als coelibatair te sterven.
Reeds dadelijk bij onze geboorte zijn wij solidair verbonden met voorgeslacht en medeburgers, en staan wij op de schouders onzer vaderen.
Wat dit beteekent, komt 't duidelijkst uit in uwe Koningin. Als individu beschouwd, is zij een vrouw als iedere andere vrouw. Maar gij kunt haar niet op haar zelve bezien. Gij kunt haar niet losmaken van haar voorgeslacht. Van haar richt zich uw oog op den «Grooten Zwijger», die in 't hachelijkst tijdsgewricht van ons volksbestaan 't roer van staat in handen greep, en 't niet eer uit handen gaf, dan toen hij door 't moordend staal getroffen, stervend nog bad: »Mijn God, mijn God, ontferm U over mijn arme ziel en dit arme, arme volk!» Op Maurits, die in de velden van Nieuwpoort na den gewonnen slag zijn knieën boog om den Heere der heirscharen voor de overwinning te danken. Op een Frederik Hendrik, die na de inneming van Den Bosch 't uitsprak: »Het is een wonder in onz' oogen, wij zien het maar doorgronden 't niet." Op een Prins Willem III, die, als stadhouder van Nederland en koning van Engeland een historische roeping vervulde. Op al de andere Oranjes. Oranje was de naam, die ons volk steeds samenbond en in hachelijke oogenblikken ons volk steeds weer op de lippen kwam. Oranje was de kleur, waarmede eeuwen achtereen de hollandsche troepen den strijd zijn ingegaan, waarop 't stervend oog der krijgers rustte, aan wier heldenmoed wij onze tegenwoordige vrijheid danken. Oranje is de klank, die als een heldere Domklokklank door Nederlands historie klinkt, om ons volk altijd weer te wijzen op Hem, Die ons Oranje gaf en Die Nederland en Oranje in een historie van eeuwen samenbond. Onze lieve Koningin is u bovenal dierbaar als de laatste telg uit het huis van Oranje, in welke dit kostelijk stamhuis zijn zwanenzang zingt. En aan dien naam van Oranje, aan dien band met het voorgeslacht, dankt onze Koningin haar plaats op den troon, haar plaats in de harten onzes volks, haar historische beteekenis voor heel ons volk.
En gelijk 't met onze Koningin als mensch is, is het met ons volk in zijn geheel. Als volk zijn wij solidair verbonden met 't voorgeslacht en hebben wij een roeping tegenover het nageslacht. Als volk zijn wij één geheel van menschen, solidair met elkander, met voor-en nageslacht verbonden.
En wel is ons volkje klein. Wel bewonen we slechts een klein plekjen gronds. Nochtans heeft God aan ons kleine volkje een gewichtige plaats in de historie der volkeren gegeven.
Hollanders, vrije Hollanders, Christen-Hollanders te zijn en te blijven is onze eere, onze historische roeping. Dit wordt gevoeld door ieder, die met christelijken en oud-hollandschen geest is bezield. En dat is gelukkig nog de meerderheid. Gaarne offert daarom ons volk in vredestijd al wat noodig is om onze zonen in den wapenhandel te oefenen. En wanneer een vijand onze vrijheid bedreigde en onze Koningin het »Voorwaarts" sprak om 't hollandsch huis en de hollandsche erve te verdedigen, o wat mystieke roering zou er dan varen door 't volk! Dan zou 't blijken, wat 't Hollandsche volk nog voor zijn vrijheid over heeft en in 't algemeene vuur werd misschien zelfs de anarchist medegesleept om met de daad al zijn woorden te niet te doen.
{De Delvenaar, )
Java.
In »De Banier" (Ned. Indië) schrijft H. v. d. Spiegel een lezenswaard artikel, waarvan wij een gedeelte overnemen.
»Niet achterwaarts, maar voorwaarts. Zegt den zendingscorporaties en den zendelingen op Java, dat zij voorttrekken.
Met droefheid en ontroering las ik in sommige bladen de verschillende aanvallen, inzonderheid gericht tegen den arbeid der Nederlandsche Zendingsvereeniging en der Gereformeerde Kerken. Vroeger hoorde men daarvan niet. Doch nadat God wijdgeopende deuren schonk onder de animistische natuurvolken, wil men, wel is waar, de zending op Java niet opheffen; neen, men sprak zelfs van deze wel te willen handhaven. Maar het wachtwoord moest toch wezen: geen nieuwe mannen meer naar dat moeilijk te (bearbeiden Mohammedaansche Java. En het tegenwoordig parool moest slechts zijn: alle nieuwe krachten naar de Heidenlanden.
Hiertegenover staat de grootsche gedachte, dat, van al de Mohammedaansche volken op de geheele wereld, op Java met den meesten zegen gearbeid wordt. Ook de internationale zendingsconferentie te Edinburgh kwam tot geen ander resultaat. De beroemde Dr. Zwemer, zendeling onder de Arabieren, was zoo diep. getroffen door den rijkgezegenden zendingsarbeid op Java, dat hij reeds voor jaren het voornemen had, een 'studiereis over Java te maken, om een algeheel onderzoek te doen naar de onderscheidene methoden door Java's zendelingen in praktijk gebracht, om de menschen tot Jezus te leiden.
In het Godsplan, om het Evangelie overal te doen brengen tot een getuigenis, is Java met zijn dertigmillioen zielen niet vergeten. God verhoort èn de zendingscorporaties èn de zendingsarbeiders, om op Java Zijn banier te planten. Wij vhigen aan, moeten voortzetten en voleindigen. Nooit despereeren? Nooit terugtrekken! Nooit verslappen! Nooit den duivel vrij spel geven. Op de meeste plaatsen zijn we nog met de fondeering bezig. Op Gods tijd en wijze zal Hij zelf jden tempel Zijns koninkrijks daarop doen verrijzen. We voelen ons geroepen op het door God ons toegewezen arbeidersveld. Daarvan zullen we niet wijken. En de mannen die de critiek uitoefenen, mogen wel voorzichtig zijn dat zij niet bevonden worden tegen God te strijden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's