Stichtelijke overdenking.
Uwe boosheid zal u kastijden en uwe afkeeringen zullen u straffen: eet dan en zie dat het kwaad en bitter is dat gij den Heere uwen God verlaat en mijne vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen. Jer. 2 : 19.
Wie is de schuldige?
Een der vragen, die in deze ernstige dagen gedurig herhaald wordt, is zeker wel deze: wie voor den oorlog, die thans gevoerd wordt, de verantwoordelijkheid draagt? Wie is de schuldige dat zooveel menschenbloed wordt vergoten, dat zooveel menschenlevens in den bloei der jaren worden gebluscht, dat zooveel steden en dorpen worden verwoest en zooveel kunstschatten aan de vergetelheid worden prijsgegeven?
Wie is de schuldige dat ook ons vaderland zich in staat van tegenweer stellen moest en dat ook onze harten nog gedurig met bange zorg zijn vervuld?
Op die vraag kunnen verschillende antwoorden gegeven worden. Gij kunt de schuld van dat alles zoeken bij Servië, bij Oostenrijk, bij Rusland, bij Duitschland, bij Prankrigk, bij Engeland, ja waar al niet? Maar gij kunt de schuld daarvan ook dichterbij zoeken en gij kunt op de vraag wie de schuldige is een antwoord vinden in het woord dat hierboven staat.
Het is een woord van den profeet Jeremia, die geprofeteerd heeft in de dagen van Josia en Jojakim en ook in de dagen van Zedekia, den laatsten koning uit het huis van David, die over de twee stammen van Juda en Benjamin den scepter heeft gevoerd.
De inhoud van Jeremia's profetieën is een voortdurende aankondiging van de oordeelen Gods, Het is dan ook wel opmerkelijk, dat dat reeds ligt opgesloten in den naam, dien hij draagt. Jeremia lijkt eenigszins op Jesaja, maar de beteekenis van die beide namen is een machtig verschil. Immers beteekent Jesaja de Heere is heil, Jeremia wil zooveel zeggen als de Heere werpt weg.
Dat was dan ook de hoofdinhoud van zijn prediking. De Heere zou ook Juda's volk wegwerpen, gelijk Hij dat Israels volk reeds had gedaan. Straks immers zou Nebukadnezar komen, de machtige koning van het Babylonische rijk, en hij was die ziedende pot, welks voorste deel tegen het Noorden was; hij was dat kwaad dat zich van het Noorden over alle inwoners des lands zou opdoen; aan zijn machtige greep zou geen ontkomen mogelijk ziijn.
De prediking van Jeremia was dus een harde prediking. Het was niet aangenaam voor Israels volk om zoo gedurig te moeten hooren dat hun stad en tempel verwoest zouden worden en dat zij weldra een gewisse prooi van den vijand zouden zijn. Het was dan ook van die zijde bezien geen wonder dat men Jeremia, meer dan een der andere profeten, den mond heeft willen snoeren, dat men hem zelfs van heulen met den vijand verdacht en dat hg ten slotte zelfs in den kuil geworpen is.
Maar Jeremia heeft zich door al de vijandschap, die zich tegen hem keerde, niet laten weerhouden om een trouw gezant des Heeren te zijn, Jeremia bleek een voorhoofd van koper te hebben; hij was door den Heere zelf dan ook gesteld tot een vaste stad en tot een ijzeren pilaar en tot koperen muren tegen het gansche land. Omdat de Heere zelf met hem was, hebben zij tegen hem wel gestreden, maar zij hebben hem niet overmocht. Trots al de tegenwerking en tegenkanting, die hij zelfs van de priesters oadervond, is hij voortgegaan om de oordeelen Gods uit te roepen, maar ook om het volk te doen gevoelen dat zij zelf de schuld er van waren, dat de Heere met Zijne oordeelen kwam,
„Uwe boosheid zal u kastijden en uwe afkeeringen zullen u straffen; weet dan en zie, dat het kwaad en bitter is dat gij den Heere uwen God verlaat en mijne vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen, "
Uwe boosheid zal u kastijden! En wat was dan de boosheid van Israels volk geweest? Uwe afkeeringen zullen u straffen I En waarin hadden dan de afkeeringen ook van het rijk der twee stammen bestaan ? In het eerste gedeelte van het 2e hoofdstuk zijner profetieën heeft Jeremia het gezegd. Hij heeft daar het volk herinnerd hoe er een tijd was dat Israel den Heere een heiligheid was, de eerstelingen zijner inkomst. Het waren de dagen zijner jeugd, toen het volk met den Heere in ondertrouw was, toen zij Hem nawandelden in de woestijn, in een onbezaaid land. Toen was het een tijd geweest dat allen, die Israel opaten, kwaad overkwam en door den Heere zelf voor schuldig gehouden werden.
Maar toen zij in het land der belofte waren ingekomen, was het al spoedig anders geworden. Door hunne afgoderijen immers hadden zij dat land verontreinigd en zij hadden 's Heeren erfenis tot een gruwel gesteld. De priesters zeiden niet: waar is de Heere? en die de wet handelden kenden God zelfs niet meer; de herders overtraden tegen Hem en de profeten profeteerden door Baal en wandelden naar dingen die geen nut doen. Ja, wat geen enkel ander volk gedaan had, daaraan had Israels volk zich schuldig gemaakt. Immers geen enkel volk, welk dan ook, had zijne goden veranderd, hoewel dezelve geen goden waren; maar Israel had zijn eer veranderd in hetgeen dat geen nut deed. Ja, mijn volk, zoo roept de Heere uit, heeft twee boosheden gedaan: Mij, den Springader des levenden waters hebben zij verlaten, om zich zelven bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden.
Was het dan wonder dat een volk, dat zich aan zulk een misdaad had schuldig gemaakt, ten roof was geworden? dat de jonge leeuwen over hem gebruld hadden; dat zijn land weldra in verwoesting gezet en zijn steden welhaast verbrand zouden worden? Ja, de kinderen van Noph en Tachfanes, dat waren de Egyptenaren, hadden hem den schedel afgeweid. Immers het zou straks in den strijd tegen Farao Necho, den koning der Egyptenaren, wezen dat de laatste vrome koning, koning Josia, sneuvelen zou. En ach, dan mocht men naar Egypte trekken om de wateren Sichars te drinken of naar Assyrie om de wateren van de rivier (de Euphraat) te drinken. D.w.z. dan mocht men eenerzijds op de Egyptenaren en anderzijds op de Assyriërs vertrouwen, het zou alles tevergeefs zijn. Om hun boosheid zouden zij gekastijd en om hunne afkeeringen zouden zij gestraft worden. En zoo in dien weg zouden zij weten en zien, zouden zij leeren verstaan dat het kwaad en bitter was dat zij den Heere hunnen God verlaten hadden en dat Zijne vreeze niet bij hen was geweest.
Zwaar en bitter, ja dat is het voor Israels volk geweest, dat zij den Heere hunnen God verlaten hebben, en dat daar geen vreeze Gods meer voor hunne oogen bestond.
Helaas, dat zij dat niet eerder geleerd hebben voor en aleer zij dat zelf ondervonden hebben, voor en aleer straks aan de rivieren van Babel de harpen aan de wilgen waren gehangen en er in het vreemde land alleen nog maar gedachtenis aan Sion overig was.
Maar hoe hadden zij het dan anders kunnen weten en hoe hadden zij het dan anders kunnen zien ? zoo vraagt ge misschien. Wel, in de eerste plaats was het hun al zoo menigmaal verkondigd dat er verbreking van goddeloozen en zendaars zal zijn. Asaf had er reeds van gezongen in het bekende:
Och, had naar mijn raad Zich mijn volk gedragen! 'k Had u dan tot spijs Vette tarw' doen groeien.
En niet alleen Asaf, maar zoo menige profetenmond had er van getuigd dat wie den Heere zochten Hem vinden zouden, maar dat wie Hem versmaadden licht geacht zouden worden. Ja zelfs in dit hoofdstuk werd het hun nog toegeroepen: O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord: Ben Ik Israel een woestijn geweest of een land der uiterste donkerheid?
En niet alleen gehoord, maar zij hadden het uit zoovele voorbeelden gezien hoe kwaad en bitter het was den Heere den Springader des levenden waters te verlaten en zich zelven gebroken bakken uit te houwen. Of had Juda niet gezien wat er met hare afgekeerde zuster, met Israel, het rijk der 10 stammen was geschied? hoe zij ook heengegaan was op allen hoogen berg en tot onder allen groenen boom om daar te hoereeren met de afgoden, en had de Heere met dit afgekeerde Israel reeds geen voleinding gemaakt? Had de Heere aan de tien stammen niet reeds Zijn oordeel voltrokken? Was de jonkvrouw Israels niet gevallen zoodat zij nooit weer zou opstaan; was zij niet verlaten zonder dat zij door iemand werd opgericht? En met datzelfde oordeel wordt hier nu ook Juda, het rijk der twee stammen bedreigd. Ach dat er met zulk een voorbeeld voor oogen nog een wederkeeren tot den Heere ware geweest, dat Juda nog gedaan mocht hebben, waartoe de Heere in het volgende hoofdstuk vermaant: alleenlijk ken uwe ongerechtigheid dat gij tegen den Heere uwen God gezondigd hebt, en dat zij op de roepstem des Heeren: keert weder gij afkeerige kinderen ook nog gezegd mochten hebben: zie hier zijn wij, wij keeren tot U, want Gij zijt de Heere onze God. Helaas dat zij dat niet hebben gedaan en dat zij niet opgehouden hebben om trouwelooslijk te handelen, hunnen weg te verkeeren en hunnen God te vergeten, totdat de Heere eindelijk kwam om hen te verdoen door de roede Zijns monds en hen in de handen der vreemden over te geven. Daar was dus wel reden om van Israel te zeggen:
Maar mijn volk wou niet Naar mijn stemme hooren.
Israel verliet Mij en mijn gehoon. Heeft zich andre goón, Naar zijn lust verkoren
'k Liet hen dies veracht, Naar 't hun goeddacht hand'len. 'k Liet dit boos geslacht, Naar de keuze viel Van hun dwaze ziel, In hun wegen wandlen.
Uwe boosheid zal u kastijden en uwe afkeeringen zullen u straffen: weet dan en zie dat het kwaad en bitter is dat gij den Heere .uwen God verlaat en mijne vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen. Zoo sprak de profeet Jeremia in naam des Heeren tot Israels volk, maar zou ditzelfde woord ook niet op ons volk van toepassing zgn, inzonderheid in de veel bewogen dagen die we thans doorleven?
Neen, we behoeven waarlijk niet met zachte woorden te komen, want voor ieder die niet ziende blind is, moet het wel duidelijk zijn dat de Heere bezig is om Zijne oordeelen over de volken van Europa te vellen en ieder weet dat ook ons volk — ook al heeft de Heere tot hiertoe over onze landpale den vrede verlengd — van alle zijden door gevaren is omringd en dat er maar een enkele vonk noodig is om ook hier in letterlijken zin het kruit te doen springen.
En zou die kastijding dan ook niet om onze boosheden zgn, zouden onze afkeeringen niet de oorzaak wezen van de straffen die God bezig is aan de volken te voltrekken en waarmede Hij ook ons kleine volk bedreigt? En ik behoef u waarlijk niet te zeggen waarin onze boosheden hebben bestaan en welke de afkeeringen zijn waaraan wij en onze vaderen schuldig staan. In den grond der zaak zijn het immers dezelfde boosheden van Israels volk. Zijn het dezelfde afkeeringen waarvoor Juda straks aan de' rivieren van het land zijner ballingschap weenend nederzat. Immers daar was een tijd dat ook ons volk den Heere een heiligheid was, dat daar geen volk ter wereld was in welks midden het licht van Gods waarheid zoo helder brandde als juist in het midden van ons vaderland. Daar was een tijd dat de vijand nog banger was voor de gebeden die hier opstegen dan voor de zwaarden die hier werden gescherpt.
Toen ging er kracht uit van ons volk en tot in verre gewesten bleek het waar, dat wie ons trachtte op te eten niet onschuldig gehouden werd, doch kwaad over zich bracht.
Maar hoe is het goud zoo verdonkerd, het goede fijne goud zoo veranderd? Hoe zijn de steenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen? Hoe komt het dat de kostelijke kinderen Zions, weleer tegen fijn goud geschat, nu gerekend worden als aarden flesschen, het werk van de handen eens pottebakkers ? Omdat ook wij gedaan hebben wat Israël deed, omdat ons volk zich aan diezelfde twee boosheden heeft schuldig gemaakt die ons van Israël staan opgeteekend. Ook hier in het midden van ons Vaderland is de Springader des levenden waters verlaten en men heeft zich zelf bakken uitgehouwen, gebroken bakken die geen water houden,
Den Heere, den God der "Vaderen, hebben ook wij den rug toegekeerd. Ook ons volk heeft Zijn eer veranderd in hetgeen dat geen nut doet. Immers inplaats van den éénen waren God die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, heeft men de afgoden gediend en zich voor dezelve nedergebogen. O, we zullen u geen beschrijving gaan geven van allerlei gesneden en gegoten beeld die ook in ons midden zijn komen te staan op de plaats van Gods heilig en onbedriegelijk Woord. Gij kent allen wel den geest van ongeloof en bijgeloof die als een bruisende stroom zich baanbreekt ook in het midden onzer natie. Ja, gij weet hoe zelfs in de Kerk des Heeren de meest drieste godsverzaking wordt geduld, hoe zelfs de priesters niet meer vragen: waar is de Heere? èn hoe daar allerwege een breken met God en met Zijn Woord en Zijn dienst en Zijn instellingen gevonden wordt.
Maar is het dan wel wonder dat de Heere ons ten roof dreigt over te geven? Is het dan wel wonder dat de jonge leeuwen over ons brullen, dat van alle zijden het krijgsrumoer wordt gehoord? dat de geestelijke kinderen van Noph en Tachfanes ons den schedel dreigen af te weiden? En ach nu kunnen we het wel verwachten van den éen of van den ander; nu kan het oog vanden een zich richten naar Duitschland en het oog van den ander naar Engeland, maar de hoofdoorzaak van al het kwaad dat ons overkomt zal in ons zelf gezocht moeten worden. Wij worden door onze boosheid gekastijd en door onze af keeringen worden we gestraft.
En mocht het nu door ons volk nog maar verstaan en doorzien worden, hoe kwaad en bitter het is om den Heere te verlaten en den Heilige Israels te lasteren, hoe schrikkelijk het is om zich te vervreemden en achterwaarts te wijken van zijnen God. Juda heeft dat niet gezien voor en aleer het aan eigen goed en bloed en leven ondervond dat de Heere is een wreker zeer grimmig, die den toorn Zijnen vijanden behoudt.
Mocht de Heere ons volk in dat opzicht boven Juda bevoorrechten! Immers ten dien opzichte zijn we aan de kinderen van Juda gelijk, dat ook wij het nog uit het Woord kunnen hooren en dat ook wij het nog aan anderer voorbeeld kunnen zien hoe kwaad en bitter het is om ons door den geest der eeuw te laten afvoeren van de paden des rechts
Of wordt het ons door het Woord des Heeren niet telkens weer luide toegeroepen dat de Heere uitroeit al wie van Hem afhoereert, maar dat Hij ook een belooner is dergenen die Hem zoeken?
Ja, de Heere heeft nog wachters over ons gesteld, zeggende luistert naar het geluid der bazuin. O, dat we dan niet mochten zijn onder degenen die zeggen: wij zullen niet luisteren, maar dat wij dan staan mochten op de wegen en vragen naar de oude paden en dat het niet te vergeefs moeht zijn dat het ons wordt toegeroepen: O, land, land, land, hoort des Heeren Woord.
Maar niet alleen uit het Woord des Heeren kunnen we hooren welke bittere gevolgen het verlaten van de wegen des Heeren na zich sleept, maar daar zijn ook tal van voorbeelden waaruit het ons duidelijk wordt. En nu kunnen we Israel en Juda en al de volken der oudheid nog wel buiten beschouwing laten; we behoeven alleen maar naar de ons omliggende volken te zien. O, we hebben in de achter ons liggende weken telkens van de vreeselijke verwoestingen ge hoord die (laar in België plaats gehad hebbon, en onze ziel werd met deernis vervuld als we zien op dien stroom van ellende die van uit dat geteisterde land ook ons vaderland aantast.
Bovendien lezen we nu weer telkens van de gruwelen van den oorlog, waarin het haast schijnt alsof een wederkeerige vernietiging eenerzijds van Duitschand en anderzijds van Frankrijk en Engeland er uit voortkomen zal. En weer krimpt ons hart van ontzetting ineen als we daar lezen van die duizenden bij duizenden die door het zwaard worden nedergeveld, of van die honderden bij honderden die in een oogenblik tijds wegzinken in de diepte der zee; ja, wie zal in staat zijn om een flauw denkbeeld te geven van het leed dat daar vooral nu in éen uur geleden wordt?
Maar hebt gij wel eens gedacht hoe dat oorlogsleed niet zou bestaan indien onder die verschillende volken de gruwelen der ongerechtigheid niet tot den hemel waren geklommen, en indien zij tot den Almachtige niet geroepen hadden om een ure van wraak ? De verwoesting van België staat in verband met de uitbrekende zonden van dat zoo lichtzinnige volk.
En het leed dat daar thans zoo in Frankrijk als in Engeland als in Duitschland geleden wordt, wel het is nergens anders uit voortgekomen dan uit den gruwelijken haat tegen God en Zijn dienst die in allerlei ongerechtigheden tot uitbreking kwam.
O, als inzonderheid de straten van Parijs, Londen en Berlijn eens spreken konden, hoe zouden ons de haren ten berge rijzen, en hoe zouden we zeggen: wat is de Heere lankmoedig dat al niet veeleer Zijn Woord werd bevestigd: uw boosheid zal u kastijden en uwe afkeeringen zullen u straffen.
O, dat ons volk nu uit het voorbeeld zijner naburen mocht zien hoe kwaad en bitter het is om op allen hoogen berg en onder allen groenen boom te hoereeren met die goden die inderdaad geen goden zijn. Nog strekte de Heere Zijn lankmoedigheid en goedertierenheid over ons en onze kinderen uit. Nog werd geen onzer zonen door het zwaard van den vijand gedood of gewond; nog werd geen inval, noch uitval, nog gekrijsch op onze straten gehoord. En dat is zeker niet omdat ons volk voor God zooveel beter en zooveel waardiger is dan de volken die rondom ons zijn. Het is alleen Gods rijke en vrijmachtige genade dat de Heere ons nog niet tot een roof heeft overgegeven. Maar o, dat het nu ook niet noodig ware dat de Heere het zwaard van Zijn wrekend recht op het hoofd van ons volk deed nederdalen. Immers dan zou het te laat ingezien worden, hoe kwaad en hoe bitter het is om zijn nek te verharden tegen de roepstemmen Gods. Maar dat, als nu ook tot ons volk de stem des Heeren nog uitgaat: Keert weder gij af keerige kinderen en Ik zal uwe afdwalingen genezen, dat het dan ook onze belijdenis nog zijn mocht: Zie, hier zijn wij; wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's