Uit het kerkelijk leven.
Een nieuwe professor.
Over de benoeming van Dr. A. Noordtzij van Kampen tot hoogleeraar te Utrecht is nog al wat te doen geweest! Heel het land was in rep roer. Op alle Classicale Vergaderingen werd er over gesproken. Adressen van studenten kwamen er om te protesteeren. Bij de Synode kwam een brief om de Regeering een geweldig standje te geven.
Waarom ? Omdat aan een Rijks-Universiteit door de Nederlandsche Regeering een burger van Nederland benoemd werd, die knap was in z'n vak, een vaardig docent ter plaatse waar hij reeds jaren onderwijs gaf, maar die . . . lidmaat was van de Gereformeerde Kerk.
Dat is nu voorbij. En nu is er weer een ander professor benoemd, nu te Leiden; nu een man voor het Nieuwe Testament.
't Bleef stil overal. Geen woord is erover gesproken. Geen Kerkelijk blad heeft er over geschreven. Geen predikantenvergadering heeft er over georeerd. Geen studenten hebben geprotesteerd. De Synode heeft geen brieven gehad. Ieder heeft gezwegen, zelfs Dr. Gheel Glildemeester.
En wat voor man heeft Leiden nu gekregen, om onze studenten, onze a.s. predikanten onderwijs te geven in de uitlegging van het Nieuwe Testament en alles wat daarmee in verband staat?
't Is een Duitscher; iemand uit Leipzig, en wel Prof. Dr. H. Windisch.
Van welke Kerk? Van welke belijdenis? Van welke richting?
Ach — niemand heeft er naar gevraagd. Wat kan 't ook schelen! Als 't maar niet iemand is van gereformeerde richting. Want dan is Leiden in last.
Dan wordt de pot met laster-verf voor den dag gehaald en de kwast gaat er diep in, om overal en alles wat men maar onder handen kan krijgen te bekladden en te besmeeren, tot dat alles vuil, afzichtelqk vuil is geworden!
Dan wordt geschreven en georeerd, geadresseerd en geprotesteerd, — of de man Visscher of Noordtzij heet, doet er niet toe.
Maar nu is het stil geweest en stil gebleven.
Dus het zal wel niet een man van gereformeerd beginsel zijn, dat is wel zeker!
Van welk beginsel hij dan wel is? Ziehier wat Prof. Dr. H. Windisch zoo ongeveer zelf in zijn eerste rede te Leiden gezegd heeft in zake zijn opvattingen van het N. Testament: „het N. Testament is slechts een deel van de Oud-Christelijke literatuur ;
wij hebben geen geschreven woord van Jezus zelf, noch van Petrus, noch van Jacobus, den broeder des Heeren en evenmin van Johannes."
Dus: „de Petrus brieven zijn niet echt; de Jacobus-brief is niet door hem geschreven; het evangelie van Johannes is niet van hem en de Openbaring is niet door hem geschreven." Zie zoo — nu weten wij het!
Heel het N. Testament is dus niet echt. Het eene na het andere, wat ook door moderne critici nog voor echt werd gehouden, wordt door dezen nieuwen profesor-te Leiden óok over boord geworpen.
Heel het nieuwe Testament is door manmen bij elkaar gebracht, die den boel bedot hebben van 't begin af aan.
En die zotte verzameling van geschriften, vol van onmogelijkheden, leugens en veinzerij, saamgeflanst door een stel falsarissen — moet Prof. Dr. H. Windisch, daartoe uit Duitschland naar Nederland overgekomen, gaan „uitleggen" voor onze a.s. predikanten in de Ned. Herv. Kerk.
Een mooi werkje! — om sprookjes „uit te leggen en te verklaren", om dag aan dag bezig te zijn met een verzameling geschriften, die vol leugens zijn en overloopen van de grootste zotheden, opgesteld door een stel bedriegers.
Hoe een knap man zulk een kinderachtig werk nog doen wil, begrijpen we niet.
Wij gingen liever in 't leger om ons vaderland te verdedigen of werden liever dokter bij de ambulance!
Da's tenminste nog mannenwerk. Maar om geschriften van zotte klappen te gaan uitleggen en jaar op jaar zich met valsche verhalen en valsche brieven bezig te houden — neen, dat is toch eigenlijk al te gek. Dat is z'n leven verbeuzelen!
En intusschen is het een werk dat onze a. s. predikanten in groote moeilijkheden brengt.
Want verbeeld U toch eens, die studenten moeten over een jaar of over twee jaar gaan preeken. Gaan preeken over een tekst. Dan zullen ze ook het Nieuwe Testament opslaan. Dan zullen ze een woord kiezen uit het Johannes-evangelie; een gesprek van Jezus; een wonder van den Heiland; een gedeelte uit de brieven; een stuk uit het boek de Openbaring — en dan moeten ze altijd en altijd beginnen met te zeggen: ^Gemeente, dit woord staat wel in Uw bijbel, maar Johannes heeft nooit die Openbaring ontvangen. Petrus heeft nooit dit woord geschreven, Jezus heeft nooit dit wonder verricht en die woorden gesproken, Johannes heeft dit Evangelie niet geschreven, heel het Nieuwe Testament is valsch!"
Verbeeld U zoo'n begin aan élke preek. Zoo'n inleiding bij élke Godsdienstoefening.
En om dat onze a. s. Herv. predikanten te leeren, heeft de Regeering Prof. Dr. H. Windisch geroepen uit Duitschland om voortaan aan de Leidsche Universiteit als theologisch professor onderwijs te geven aan studenten.
Is het niet diep treurig? Waar gaan we toch been? En daar moeten wij in de Herv. Kerk nu onze kinderen weldra aan toe vertrouwen.
Waarbij het stil is; stil door heel het land; stil onder de studenten en onder de predikanten; stil op de classicale vergaderingen en in de Synode.
Waarom zoo stille? Omdat het.... geen gereformeerde is!
Een voorproefje.
De Synode van 1914 is in meerderheid orthodox. Die orthodoxe meerderheid is groot. Grooter dan misschien ooit geweest is.
En nu zal het er om gaan, of deze orthodoxe Synode, naar uitwijzen van Art. 11 Algm. Reglement, iets zal willen doen om de belijdenis der Kerk te handhaven en te bevestigen, tegenover zooveel wat vierkant tegen die belijdenis ingaat.
Men vertrapt in onze Herv. Kerk die schoone belijdenis; men schendt die aloude kerkelijke geschriften; men vernietigt die aloude waarheid, die naar Gods Woord is. Dat weet men. Dat weet de Synode.
En wat zal men daartegenover nu doen? Zeggen, dat het niet zoo erg is? Zeggen, dat men er toch niets aan doen kan?
Of zal men werkelijk het gevaar ziende tegen dit gevaar optreden, om het, zooveel mogelijk, te bezweren en te verhoeden, dat de grondslagen van onze Herv. Kerk méér nog worden losgewoeld?
Wat zal men doen, met de voorstellen in zake de belijdenisv ragen en de proponentsformule ?
We weten het op dit oogenblik, nu we dit schrijven, nog niet.
We hopen nog het beste. Maar een voorproefje in deze hebben we toch reeds ontvangen. En dat belooft niet veel goeds.
Men weet dat met name Ds. Hulsman van Groningen op de groote Haagsche Vergadering de Kerk de aanklacht in het gezicht geslingerd heeft: „gij benoemt zelfs moderne hoogleeraren en zoudt gij dan moderne leerlingen en moderne leeraren in iets maar willen bemoeilijken? "
Dat was kras. En er zijn moderne hoogleeraren benoemd. Er kunnen er nog meer benoemd worden. Wat kan een orthodoxe Synode daaraan doen?
Die kan een soort verordening voor de kerkelijke hoogleeren vaststellen, zooals dat geschiedt b.v. voor leeraren aan Ohr. Kweekscholen, aan Ohr. Hoogere burgerscholen, aan Ohr. Gymnasia.
Zooals dat van ouds gebeurd is voor de Theol. professoren aan de Universiteiten.
En in die verordening kan men zetten, dat de kerkelijke hoogleeraar in zijn onderwijs gebonden is aan Gods Woord en de belijdenisschriften der kerk.
Een heele gewone zaak.
Een zeer voor de hand liggende afspraak.
Een zeer eerlijke en noodzakelijke regeling.
Ziende op de beschuldiging van Ds. Hulsman van Groningen zond de Kerkeraad van Delft een adres aan de Synode en vroeg om in art. 1 en art. 10 al. 2 van het reglement voor hooger onderwijs in te voegen „overeenkomstig de beginselen en het karakter der Ned. Herv. Kerk, kenbaar uit hare belijdenisschriften."
Waarlijk dus zoo'n strakke band niet! Heelemaal niet enghartig.
Maar alleszins noodig en billijk in onze Herv. Kerk.
En wat denkt ge dat het antwoord van de Synode is geweest?
Met algemeene stemmen is besloten afwijzend te beschikken.
't Ligt dus in de prullenmand — waar al zooveel in geworpen is, wat verband hield met de belijdenis der Kerk.
En hoe is deze zaak begraven? Met dezelfde lijkrede die ook in het jaar 1841 gehouden is.
Hetzelfde thema, dezelfde punten in de preek als toen.
Uit de hoogte is geantwoord, dat de Sydode het allerverschrikkelijkst vindt, dat gezegd wordt, dat de Kerk zelve de oorzaak is, dat „zeer velen de grondslagen der Kerk ondermijnen, tegen den zin harer belijdenisschriften ingaan en een gansch ander Evangelie verkondigen dan ons in de H. S. is overgeleverd."
Welnu — is dan de Kerk zelve niet de oorzaak, dat er allerlei wind van leer waait, als ze de kieren in de deur zóo wijd laat, dat ieder, van welke belijdenis ook, er makkelijk door kan kruipen?
Ze weet, dat er moderne hoogleeraren zijn, die onze géref. dogmatiek verknoeien, die onzen Heidelb. Catechismus averechts verkeerd verklaren, die aan onze jongemenschen 't liefst ontnemen, wat aan onze Vaderen lief en dierbaar was.
Ze weet, dat men publiek ingaat tegen den geest van onze belijdenisschriften, dat men flagrant in strijd komt met Gods Woord.
En men verdraait er z'n hand niet voor, om er ook maar iets in te veranderen ten goede.
Dan maakt men zich er af door holle phrases als: „ook mag de studie niet worden verlaagd tot een jurare in verba magistri."
Maar mag het onderwijs dan worden verlaagd tot ibet bestrijden van de hoofdwaarheden onzer kerkelijke belijdenisschriften?
Tot een bestrijden van Gods Woord? Of weet men daar niet van ?
Volgt men de domme struisvogels na? Intusschen houdt deze beslissing schoone beloften in voor de toekomst!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's