Staat en Maatschappij.
Het accoord.
De omstandigheden waarin ons land met het oog op den oorlogstoestand verkeert, maakt het gewenscht, dat de politieke partijen tijdelijk de wapenen neerleggen.
In de allereerste plaats is het noodig dat een ieder, van welke staatkundige richting ook, mede werke om onze positie als onzijdige natie zoo sterk mogelijk te maken en voorts om te zorgen dat het economische leven van ons. volk, dat door den oorlog reeds zoo groote schade lijdt, door een eendrachtig optreden worde versterkt.
Aan dien eisch tot onderlinge samenwerking op staatkundig en maatschappelijk terrein wordt door de onderscheidene politieke groepen vrijwel de hand gehouden.
Het accoord, dat stilzwijgend getroffen werd, wordt zonder veel moeite nagekomen.
Of dit op den duur zoo blijven zal, is voorhands niet te zeggen. Voor een groot deel zal dit afhankelijk zijn van het beleid dat de regeering zal voeren. Niet met woorden maar met der daad.
Dat deze met elkander in strijd kunnen zijn, blijkt uit het optreden van den Minister van Koloniën.
In de nota van wqziging op de Indische begrooting, welk staatsstuk noodig werd, om dat de ontwerp-begrooting in den tijd werd samengesteld, toen van een oorlogstoestand nog geen sprake was, schrijft die bewindsman, dat hij zich zeer tot zijn leedwezen genoodzaakt zag tal van voorstellen terug te nemen en zich, voor zoover nieuwe uitgaven betreft, in hoofdzaak te bepalen tot bestendiging van op tijdelijken voet reeds genomen maatregelen of voortzetting van reeds aangevangen werken.
In deze woorden spreekt de Minister dus uit dat hij van het indienen van nieuwe voorstellen afziet, dat hij het Status quo wil handhaven.
In de tegenwoordige tijdsomstandigheden, waarin van beginselstrijd moet afgezien worden, zeer terecht.
Maar in zijn begrooting zelve doet de heer Pleyte anders. De Minister vraagt daar credieten voor de stichting van eene hoogere burgerschool te Bandoeng, althans deze aanvrage die op de oorspronkelijke begrooting voorkwam, wordt in de Nota van wijziging niet terug genomen.
De stichting van deze hoogere burgerschool is eene nieuwe zaak. Wel is waar werd ten vorige jare ten gunste van de oprichting der school eene motie aangenomen, maar eene motie is niet meer dan de uitdrukking van eenen wensch van eene van de beide Kamers der Staten-Generaal en bindt de Regeering niet.
Zal de Minister nu aan het verzoek van vele leden in het voorloopig verslag gedaan, om de aanvrage terug te nemen, voldoen? Wij zullen dit moeten afwachten.
Maar doet de regeering dit niet, en zal het ook bij de verschillende hoofdstukken der Staatsbegrooting blijken dat ook de andere ministers een zelfde standpunt innemen als hun ambtgenoot van Koloniën, dan zal het met het accoord spoedig uit zijn.
De verantwoordelijkheid daarvoor blijve dan aan de regeering.
Een onjuiste opmerking.
In een der artikelen, welke dr. Schokking uit Leiden aan de brochure van dr. van Baarsel „Het probleem der Nederlandsche Hervormde Kerk" wijdt, komt eene opmerking voor, die zooals zij daar staat niet juist is.
Dr. Schokking schrijft: ...„Wij kunnen ons voorstellen, dat men in het algemeen tegen Rijkssubsidie is aan de Kerken, zooals de antirevolutionaire partij zich op politiek gebied daartegen heeft verklaard en ook alle tot die partij behoorende leden der Hervormde Kerk geacht moeten worden de intrekking der Staatstractementen voor te staan ..."
In deze opmerking is de schrijver onvolledig en daarom onjuist. Immers is het een bekend feit, dat de antirevolutionaire partij en met name de tot die partij behoorende leden der Hervormde Kerk, die nog eens expresselijk genoemd worden, van oordeel is (zijn) dat de kapitalen, waarvan de rente thans als tractementen worden uitgekeerd, bij losmaking der zilveren koorde, behooren uitbetaald te worden, waardoor de Kerken geen cent schade zullen lijden*
Deze toevoeging had in het betoog van dr. Schokking niet gemist mogen worden.
Ook had hij om geheel volledig te zijn nog moeten vermelden dat ook verschillende Christelijk-Historischen van een zelfde gevoelen zijn als de antirevolutionairen. En voorts dat de leider der Christelijk-Historischen, de heer de Savornin Lohman, blijkens zijne nota gevoegd bij de ontwerp-voorstellen der vigeerende Grondwet op het standpunt staat, dat alléén die kapitalen behooren uitbetaald te worden, waarvan de Kerken kunnen aantoonen, dat zij er recht op hebben.
Alleen zóo de zaken voorgesteld, wordt de opmerking juist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's