De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

21 minuten leestijd

Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?

V.

3. Hoe is de tegenwoordige toestand?

( Vervolg.)

Gansch anders dan toen de Dordtsche kerkorde in gebruik was ging het na 1816 in onze Herv. Kerk toe. Door de machtsdaad van den Koning, daartoe onbevoegd, was alles in een oogenblik veranderd.;

De Dordtsche Kerkeorde was afgeschaft. Het nieuwe Reglement was in werking gesteld. En daarmee was het presbyteriaal karakter onzer Gereformeerde kerk aangetast en geschonden; terwijl een hiërarchisch be beginsel was binnengebracht.

Dat zegt onnoemelijk veel.

Want dat het presbyteriaal karakter onzer Gereformeerde kerk is aangetast, dat beteekent immers, dat men niet meer uit gaat van de plaatseligke Kerk die door den Kerkeraad wordt bestuurd; dat men dus het ambt, van Christus ingesteld, ontwricht heeft; om nu heel de Kerk te maken tot éen groote vereeniging, waarover de Synode „de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht" is, terwijl, ondergeschikt aan die Synode, de Provinciale en Classicale Besturen zijn ingesteld, om voortaan niet door het ambt, maar door bestuursleden alles te laten regelen en beslissen, waarbij de helft plus éen de wet heeft te stellen. Dat is een ingrijpende verandering met fatale gevolgen voor onze al oude Gereformeerde kerk.

Want zeker! men kan zeggen en volhouden: de wijze van kerkregeering raakt het wezen van de kerk niet. Maar men weet toch óok wel — althans onze Geref. Vaderen wisten het 300 jaar geleden reeds — dat het eene zoo nauw samenhangt met het andere.

Dat het met de kerk regeering niet in orde is, is een bewijs dat het met de Kerk zelve niet in orde is.

Ja — men kan veilig aannemen, dat men de endere manier van Kerkregeering gewild heeft en nu die fatale wijze van Kerkbestuur niet wil loslaten, juist hieruit voort komt, dat men de Kerk geen Kerk wil laten en Christus niet wil erkennen als hoofd en Gods Woord als eenigen regel voor geloof en leven.

Het jaar 1816 is een rampzalig jaar geweest voor onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk.

Neenl laat men. niet meenen, dat wij, die dit zeggen niets weten van de verwarring die er heerschte overal in de jaren vlak nd de Revolutie, dat wij niet bedenken, dat de Koning zooveel gedaan heeft om goede orde te stellen op alles enz. enz.

Want gaarne willen wij' erkennen, dat de Heere ons land en ons volk rijkelijk wilde legenen, toen Hij ons Oranje weer terug gaf en een nazaat van Prins Willem den troon deed beklimmen als Koning der Nederlanden.

Maar met groote dankbaarheid gedenkend wat Oranje voor Nederland heeft gedaan, zeggen we ook zónder aarzelen, dat het diep te bejammeren is, dat Oranje, in strijd met de Grondwet, de Kerk in dezen lande van haar Kerkorde heeft beroofd en haar van hooger hand een Bestuursorganisatie heeft opgelegd, waaraan de Kerk zich niet mocht en niet kon onttrekken, hoewel zij in strijd was met Gods Woord en het wezen der kerk.

En ja, bij de grondwetsherziening van 1849 is óver deze zaak gesproken en begon men te bekennen, dat de Kerk onrecht was aangedaan. Dat bleef hangen tot 1852. En toen heeft de Koning zich teruggetrokken. Toen hield het op, dat de Koning benoemde en dat de Koning besloot en dat de Koning vaststelde op het terrein van de Kerk,

Maar toen de Koning zich terug trok heeft hij niet teruggenomen wat zijn hand op onrechtvaardige wijze aan de kerk had opgelegd om toen de kerk zelve te laten beslissen, wat zij verder in deze te doen had en wilde vaststellen. Neen! de Koning trok zich wel terug, maar liet de kerk onder de Synode en Z.M. verklaarde, dat de Synode het hoogste gezag zou hebben en ieder zich aan die Synode had te onderwerpen.

Er kwam dus niet iets nieuws, iets anders in het jaar 1852. Neen, wat er was bleef bestaan, al was het onder wat andere omstandigheden. De Dordtsche Kerkorde was weg. De Bestuursorganisatie was er voor in de plaats gekomen. Alleen de Koning liet de zaken nu voortaan een eigen gang gaan. Met Groen van Prinsterer houden wij dan ook vol, dat de daad des Konings van 1816 in strijd is geweest met de Grondwet en in strijd met de rechten der Kerk; terwijl de overdracht van de hoogste macht in 1842-43 op de Synode — even wederrechtelijk is geweest als de daad van 1816 aanmatigend was.

De Kerk had, toen de Koning tusschen 1842 en 1852 beschikte en besloot om Zich terug te trekken uit de regeering der Kerk, in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich vry uit te spreken, wat zij verder wilde in zake van de kerk regeering.

Dat was eerlijk en wijs geweest.

Maar in al de ellende die aan de bestuurs-organisatie verbonden was geweest; na de bittere smarten uit de jaren der Afscheiding; na de protesten van duizenden en duizenden in de jaren 1841 enz, —na al die ellende, voortkomend uit de ongelukkige, wederrechtelijke handelwijze des Konings, ging de Koning weg, maar liet, bij hooge beschikking, de Synode achter als de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht.

De directeur van de gevangenis ging weg.

De cipier werd tot directeur gepromoveerd.

En de gevangene bleef gevangene.

­ - Waarbij den gevangene met een honend lachen zoo dikwijls werd en wordt toegeroepen: gij hebt altijd zoo stil berust in uw gevangenschap en dus gij vindt het zoo aangenaam om gevangen te zitten, we weten niet beter, dan u maar gevangen te laten!

't Is fraai!

En die gemeenten die zich dan niet schikken in die gevangenschap? Die gemeenten, die geprotesteerd hebben in naam van den Koning der Kerk ? Die gemeenten, die gezegd hebben: we willen Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen? ''

Wel — de Regeering heeft die gemeenten, die zich niet konden schikken onder de door de Regeering opgelegde organisatie, eenvoudig dood verklaard!

Die gemeenten konden heengaan — maar zonder eenig bezit, zonder eenige bescherming, zonder eenig recht te bezitten.

Ja — men heeft in den beginne eerst van hen, die niet konden bukken onder dé bestuursorganisatie, huisraad en koeien en kleederen verkocht, om ze verder in de gevangenis te laten zuchten en daarna ledig weg te zenden, gebrandmerkt als oproermakers en ruziezoekers. Gescholden als zijnde een pest voor de maatschappij!

Neen! dat zullen we nooit vergeten!

Men heeft 't ambt van z'n rechten beroofd. Men heeft den Kerkeraad geknecht. Men heeft de Classicale vergadering haar rechten ontnomen. Men heeft heel de wijze van Kerkregeering wederrechtelijk omgezet, naar 't model van den dwazen mensch, om de rechten van Christus aan te tasten en de prediking der waarheid tegen te staan en de belijdenis der Kerk te verzwakken.

En toen men in 1816 bescheidenlijk z'n mond open deed en erstige bezwaren inbracht tegen deze en dergelijke handelwijze; welke protesten werden herhaald door Kerkeraden, door predikanten, door Molenaar, Da Costa, Moorrees, Groen van Prinsterer enz. enz. toen heeft men eerst dezulken met een kluitje in 't riet gestuurd, daarna heeft men ze bedreigd met des Koninjgs {ongenoegen, toen heeft men hen gescholden, toen heeft men hen vervolgd, toen heeft men hen uitgeworpen.

En nóg heeft het, na 100 jaar van voortdurend protesteeren en adresseeren, geen einde in deze. Nóg zijn de voorstanders van de Synodale organisatie de ware broeders, terwijl degenen die vragen om een presbyteriale wijze van Kerkregeering de scheurmakers en de verdervers der lieve Vaderlandsche Kerk zijn!

Wat is het toch in-droevig; wat is het pijnlijk om 't te dragen; en wat spruit er nog steeds velerlei ellende uit voort uit dat halstarrig vasthouden aan 't geen gansch onrechtvaardig verkregen is en wederrechtelijk wordt in stand gehouden!

En neen, nu moet men niet denken, dat het in deze nu enkel en alleen gaat over de manier van Kerkregeering.

Dat het uitsluitend gaat over een vorm van Kerkbestuur.

Want helaas! is dat niet zoo.

In deze zaak is de belijdenis der Kerk betrokken, 't Gaat om de geestelijke belangen der Gemeente, 't Gaat om de waarheid Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard; 't gaat om de rechten van den Koning der Kerk. Jezus Christus.

En dus, als we vragen wat is er gebeurd in 1816 en hoe is de toestand nu, dan hebben we óok onder de oogen te zien, hoe er in Zake de belijdenis der Kerk is gehandeld.

(Wordt vervolgd.)

Een Synodaal schrijven.

We hebben allen wel in de couranten gelezen dat de socialist-predikant Ds. S. K. Bakker van Zwolle, veldprediker in de 2e divisie, zich bij de Synode beklaagd heeft, dat orthodoxe kerkeraden hem geweigerd hebben een dienst in de Kerk waar te nemen.

De Synode heeft aanstonds zijn schrijven in behandeling genomen en na eenige discussie is besloten, dat er aan al de kerkeraden een schrijven zal worden gericht van den volgende inhoud:

„De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk heeft met leedwezen vernomen, dat sommige kerkeraden aan de door de Regeering benoemde Veldpredikers de gelegenheid hebben geweigerd om in het Kerkgebouw hunner Gemeente voor militairen op te treden en spreekt den wensch uit, dat in de tegenwoordige moeilijke omstandigheden de Kerkeraden, die daartoe aangezocht worden, aan de Veldpredikers de voor deze zoo zeer gewenschte tegemoetko­ming betoonen en hun alle medewerking verleènen."

De Synode betreurt het dus, dat een orthodoxe Kerkeraad — b.v. de Kerkeraad van Ede — den kansel en het kerkgebouw geweigerd heeft aan den modernen predikant Bakker, lid van de S. D. A. P.

En de Synode verzoekt nu aan zulke Kerkeraden als Arnhem, Apeldoorn, Ede enz. om zulks niet weer te doen, maar den socialist-modernen predikant Bakker voortaan toe te laten tot den kansel. Daar komt dit schrijven op neer.

Want over onwelwillendheid der Kerkeraden tegen over de militairen of tegenover de veldpredikers in 't algemeen is niet te klagen, Integendeel; overal doet men wat men kan om de miliairen zooveel mogelijk van dienst te zijn en hen te helpen op geestelijk en op 'stoffelijk gebied; en overal juicht men het toe dat er predikanten in het midden van de troepen verkeeren.

Maar 't ging over deze zaak, dat een orthodoxe Kerkeraad een modern-socialistich predikant, met den titel van veldpredikermajoor, even schadelijk acht als wanneer hij als gewoon domine komt — en hem daarom — socialist en modern zijnde — niet op den kansel wil hebben.

Heeft nu de Synode het recht om daarover te klagen?

Heeft zij het recht, om een Kerkeraad die zich stelt op den grondslag van Gods Woord en onze kerkelijke belijdenis te vermanen niet voort te gaan om iemand van bekend modern gevoelen, lid van de S. D. A. P. den kansel te weigeren ?

Handelt zij hierin naar Gods Woord?

Of is dit de oude politiek van oogen-dichtknijpen; van lijmen en krammen; van geven en nemen — in de Kerk van Christus zoo diep verachtelijk! ?

Wij betreuren dezen ijver der Synode — waar zg geen enkele reden heeft, om te meenen, dat het gaat tegen veldpredikers als zoodanig, tegen de mannen die door de Regeering zijn benoemd in 't algemeen.

Daar gaat het in 't geheel niet om. 't Gaat tegenover een modern predikant, lid van de S. D. A. P.

En wie geeft dan de Synode het recht om den Kerkeraad van Ede, Arnhem of Apeldoorn aan te schrijven en te zeggen: gij moet dien man toelaten op den kansel?

Heeft de Synode Gods Woord geraadpleegd? Spreekt de Synode hier overeenkomstig het karakter en het beginsel onzer belijdenis?

Wij meenen van niet.

En wij betreuren deze handelwijze zéér.

Deze synodale ijver' is een betere zaak waardig.

En de betrokken Kerkeraden zullen wel weten wat ze deden; ook wel voelen wat ze doen moeten.

Moderne verdraagzaamheid.

Men had onder de modernen — de N. Rott. Courant voorop —al een boom opgezet over de onverdraagzaamheid van de Kerkeraden van Arnhem, Apeldoorn, Ede enz., daar deze orthodoxe Kerkeraden geweigerd hadden den socialist Ds. Bakker van Zwolle, veldprediker in de 2de divisie, tot den kansel toe te laten.

Dat was allerverschrikkelijkst!

Maar nu doet zich een leelijk geval voor.

In de streek van Rockanje, Oostvoorne, Zwartewaal enz. liggen vele militairen, uit Delft, de Lier, Maassluis, Vlaardingen enz.

De predikanten van Rockanje, Oostvoorne enz. zijn ultra modern. Als er gepreekt wordt over de opstanding van Lazarus, dan wordt er gezegd: Lazarus was niet dood, maar Lazarus was een man die aan den drank verslaafd was en die door Rabbi Jezus uit een roes werd wakker gemaakt en van dronkenschap werd afgebracht, tot nuchterheid en matigheid!

Van „Schrift en Belijdenis" wil men daar dus niet veel weten op den kansel.

En geen wonder, dat er maar anderhalf mensch in de Kerk komt 's Zondagmorgens, de eenige keer dat er binnen de tijdsruimte van zeven dagen godsdienstoefening gehouden wordt. Totale onverschilligheid heerscht er. En over 't algemeen is de bevolking er vreemd van alle ware godsvrucht. Van dood en eeuwigheid wil men niet hooren; van zonde-schuld weet men niet; aan verlossing door Christus-bloed heeft men geen behoefte. Men leeft eenvoudig geheel builen deze dingen en 't is in die streek alsof men niet in ons christen-Nederland verkeert maar in een geheel endere wereld.

Men slaat er telkens verbaasd, vol diepe droefheid, de handen in elkaar als men bemerkt hoe afgestompt de bevolking, religieus genomen, daar is.

Onze militairen voelen zich daar weinig thuis, wat betreft het godsdienstig-kerkelijk leven. Ze zijn het thuis in hun gezinnen en kringen zoo anders gewoon.

Wat te doen?

Heel beleefd ging men op bezoek bij den plaatselijken predikant en verzocht hem, in  den loop der week, als het Kerkgebouw toch niet gebruikt werd, een spreekbeurt te mogen laten vervullen door een Herv. predikant uit de gemeente van waar men afkomstig was; uit de Lier, Schipluiden, Delft enz.

En wat denkt ge?

De heftigste tegenstand!

Zóo erg — dat toen er in het Kerkgebouw te Rockanje een soort muziek-avondje was er door den predikant last gegeven werd, om goed toe te zien, dat er van de gereformeerden uit de burgerij geen enkele in het Kerkgebouw zou komen.

Men kreeg last den toegang eenvoudig aan dezulken te ontzeggen en mocht er toch een binnen zijn gekomen deze er eenvoudig uit te zetten.

En zoo waren de militairen, die er nu al week aan week ingekwartierd zijn, totaal verstoken van een orthodoxe prediking; verstoken van de prediking van hun eigen herders en leeraars, die gaarne, bij beurte, naar Rockanje enz. willen komen, om eens een avond onder de militairen te verkeeren en dan een dienst voor hen wilden houden in de Herv. Kerk.

Hoe vindt men dat?

Is het niet afschuwelijk?

Ach — hoe lang zal het nog duren dat onze Herv. Kerk verteerd wordt dat die ellendige vijandschap, die daar uit voort komt, dat ieder in onze Herv. Kerk vrij is, om te leeren wat hij wil en om te doen wat hij wil.

Wat gemeenschap heeft de moderne leer toch met de leer die naar de Schriften en naar de belijdenis is?

Waarom is men niet eerlijk en zegt men niet, dat het onmogelijk is dat alles bij elkaar blijft, wat geen gemeenschappelijke belijdenis heeft en elkander haat zonder weerga?

Men moest van dit ergeiijk gedoe toch eindelijk genoeg krijgen.

Maar zóover is het nog lang niet.

Zelf heeft men uitgeschud wat naar Gods Woord en de belijdenis der Kerk is.

En anderen die er aan vasthouden haat men met een volkomen haat.

Om zoo de Herv. Kerk ten gronde te richten en het leven der menschen te verwoesten voor tijd en eeuwigheid.

Een nieuw Reglement.

Er zijn al tal van voorstellen gedaan in den loop der tijden om in onze Herv. Kerk tot een gansch andere manier van Kerkregeering te komen. Velen zijn niet tevreê met den gang van zaken zooals die nu is, en niet weinigen spreken er telkens over, dat verandering in onze kerkelijke samenleving noodzakelijk is.

De verandering is intusschen steeds uitgebleven.

De Synode wilde er niet aan.

Telkens was het nul op 't request.

Veelal met het antwoord: we weten niet wat gij wilt; gij moet eens duidelijker zeggen wat gij bedoelt.

Misschien is het daarom wel goed, wanneer over heel de breedte van het kerkelijk leven eens de lijnen uitgestippeld worden, om duidelijk te maken wat men wil en aan te toonen hoe alles toe zal gaan, wanneer de nieuwe toestand eens werkelijkheid zal zijn geworden.

Dan kan men zich eenige voorstelling van de dingen maken.

Daarom hebben wij indertijd met vreugd begroet het Concept-Reglement dat de predikanten Dr. Slotemaker de Bruine en Ds. Blanson Henkemans gemaakt hebben.

Met zoo'n boekje in de hand voelt men wat men wil — hoewel er weinig aandacht aan dat ontwerp van een nieuw kerkelijk reglement geschonken is en het nooit tot ernstige bespreking van dit ontwerp kwam in de Synode.

Om gelijke oorzaak hebben we ook met genoegen gelezen, dat Dr. Los van Koudekerk (Z.-H.) zich de moeite getroost heeft om een volledig schema van een nieuw kerkelijk reglement, — of wil men een. volledig ontwerp van een nieuwe Kerkorde — te maken en dat aan de Synode heeft gezonden, met verzoek om deze zaak in behandelidg te nemen.

Zulk werk is te prijzen. En wil men eenig practisch resultaat verkrijgen, dan zal men dien weg op moeten. Er zal gezegd moeten wat men wil.

Jammer, dat de Synode dat werk van Dr. Los opzij schoof en het niet in behandeling genomen heeft. Eerst vond men het zelfs de moeite van het aankijken niet waard. Dr. Weyland gaf daartoe het sein. Maar gelukkig is daar toch nog een stokje voor gestoken en is er ten slotte althans nog even over gesproken; — met het resultaat evenwel, dat de Synode er geen gebruik van wenschtete maken.

En zoo ligt ook dit stuk werk weer waardeloos.

Of er moest wat op gevonden worden.

En wel dit: dat allen die zich interesseeren voor deze zaak en vurig verlangen naar het oogenblik, dat onze Herv. (Geref.) Kerk ook weer een Kerkorde krijgt naar geref. model ingericht, nu de handen in elkaar slaan en zeggen: laat ons eens gebruiken wat de heeren Slotemaker de Bruine en Blanson Henkemans ons vroeger gaven en wat Dr. Los ons nu gaf, en laten we in breede commissie-vergadering eens trachten om een practisch, prin cipieel stuk werk te leveren, dat gebruikt kan worden als model, wanneer gevraagd wordt: wat wilt gij en hoe stelt gij de nieuwe toestand van onze Herv. Kerk u voor?

Hot zou zoo jammer zijn, indien het werk van Dr. Los als dood kapitaal bleef liggen.

Misschien kan het nog rente opbrengen, indien het in handen gesteld wordt van een commissie, die in deze begeert werkzaam te zijn.

Gewetensdwang.

Groen van Prinsterer schreef eens over den gewetensdwang in de Herv. Kerk.

Dat kwam zóo. Wornxser had geschreven in „de Nederlander" van 6 Maart 1855: „in geen Kerkgenootschap van ons Vaderland welligt, wordt tegenwoordig zulk een gewetensdwang uitgeoefend als in de Nederlandsche Hervormde Kerk. De gemeenteleden zijn daar feitelijk, — niet regtens — in geestelijken en kerkelijken zin de lijfeigenen van de Predikanten, en van de luimen van dezen volkomen afhankelijk".

Groen stemde met die woorden geheel in en voegde er nog aan toe:

„Aldus wordt, door gelijktijdige verloochening der leer en handhaving der reglementen dikwerf jegens de meest Godvruchtige en nauwgezette leden der gemeente een gewetensdwang gepleegd, waarvan door iedereen, die, al is hij zelf aan den strijd in de Kerk onverschillig, zich met eenigen zin voor recht en waarheid op het standpunt van anderen verplaatst, de afschuwelijkheid zal worden gevoeld."

Daar denken wij nog wel eens aan in deze dagen.

Wat afschuwelijk is het toch, dat men in onze Herv. Kerk de mazen in de belijdenis hoe langer hoe wijder trekt en hoe langer hoe grooter breit — terwijl men dan tegelijk de duimschroeven van de reglementen hoe langs hoe vaster aandraait.

Dat is voor menschen die op het punt van de belijdenis geen conscientie hebben, zoo erg niet.

Maar voor degenen die vasthouden aan de waarheid van Gods Woord, in onze kerkelijke belijdenis neergelegd, is het afschuwelijk.

't Is niet om uit te houden.

Men wordt zóo geplaagd, dat het is om wanhopend te worden.

De Spaansche inkwisitie was er niets bij.

En zoo tiert de grootste dwangoefening in het midden van de Herv. Kerk, uitgeoefend door hen, die den mond vol hebben van.... de vrijheid!

Heldring vroeg in 1855: „Is er nog vrijheid voor de Hervormden in onze dagen overgebleven?»

En hij gaf zelf dit antwoord:

„Zegge nog iemand ons: de slaven moeten geëmancipeerd worden. Ik antwoord hem: waarom emancipeert gij niet eerst uwe eigene Kerk van zulk een dwinglandij".

Die vrijheid geeft slavernij.

't Is duidelijk dat de vrijheid in de prediking dwang wordt voor de hoorders.

Leervrijheid wordt-gehoordwang.

Want nu de predikanten vrij zijn om te prediken wat ze willen is de gemeente gedoemd om maar te luisteren naar 't geen men belieft voor te draden.

Door de vrijheid der leeraars staan de hoorders machteloos en moeten zwijgen.

Dat is de vrijheid van de willekeur, die den grootsten dwang schept.

Dat is de dominocratie, de predikantenheerschappij, die de jammerlijkste slavernij voor de gemeente te gevolge heeft.

De dominê zegt of hij den catechismus zal gebruiken of niet.

De predikant zegt of hij het Psalmboek zal gebruiken; de gezangen met de psalmen of de gezangen, alleen.

De dominé zegt of hij het Doopformulier zal lezen, of niet.

De dominé zegt hoe hij 't Avondmaal zal bedienen en Ouderlingen en diakenen zal bevestigen. De dominé zegt of hij gereformeerd zal preeken, of ethisch, of modern, of als een socialist of als een anarchist of als een boeddhist. Alles de dominé!

En die vrijheid is de grootste slavernij voor de gemeente.

Want die moet maar stil zijn.

O! die dwaze inrichting van onze Herv. Kerk. Omdat men den band aan het Woord, den band aan de belijdenis niet wil.

Daarom moet de dominé het maar zeggen. Wat de droevigste dingen in het leven roept en onze Geref. Kerk verwoest en uit elkaar rukt.

De Volkskerk.

De geschiedenis doet ook wat.

En wat door de historie een bepaalde beeekenis gekregen heeft mag men dan zoomaar niet gaan gebruiken in een gansch andere beteekenis dan de gangbare is.

Dat werkt niets dan verwarring.

Want men kan wel telkens breed beweren, at men dit of dat bedoelt. Maar die zich an de gangbare beteekenis van het woord oudt zegt: als gij dat bedoelt gebruikt dan en ander woord dan het woord dat heel iets anders be teekent! 

Zoo met het woord volkskerk.

De gangbare meening is, dat dit woord beteekent een Kerk waar, met behoud van een tintje christelijkheid, héél het volk bij elkaar wordt gehouden; of althans het grootste gedeelte van het volk.

Dat is dan zóo'n Kerk, dat in die Kerk nagist wat onder het volk leeft.

Nu kan men wel zeggen: „ja maar, dat bedoelen we niet met dat woord volkskerk!"

Evenwel —die beteekenis heeft dat woord volkskerk nu eenmaal gekregen en die beteekenis houdt dat woord.

Volkskerk en volksschool gebruikt men voor een Kerk die pasklaar gemaakt is voor het volk, in doorsnee genomen; voor een school, waar de kinderen des volks, zonder onderscheid te maken in religie of richting, onderwijs ontvangen.

En ziet zoo willen wij de Kerk des Heeren in dezen lande daarom niet noemen.

Wij spreken daarom van de Gereformeerde  Kerk van Nederland.

Dan weet men, wat we bedoelen.

Men herinnert zich toch nog wel de Synodale verklaring van dat woord Volkskerk ? Dat is toch nog zoo lang niet geleden; dat het al weer vergeten zou zijn?

't Was in 1816 toen door de Synode in een officieel schrijven, onderteekend door Voorzitter (Ds. J. K. Koch van Delft) en Secretaris (Ds. L. Overman van den Haag) gezegd werd wat het woord volkskerk beteekent.

De Synode schreef:

„Omdat onze Kerk de Volkskerk is, en dus in haar midden nawerkt wat in den tijd gist, hebben de kerkelijke besturen zooveel mogelijk aan ieders geweten overgelaten, om te bepalen, of hij in de Hervormde Kerk zou kunnen blijven en arbeiden."

De Herv. Kerk dus Volkskerk... en in die Kerk moet ieder zelf maar bepalen, op welke voorwaarde hij lid of opziener wil zijn.

Men mag er gelooven en prediken wat men wil.

Alles wat in den tijd gist, moet dus ook in haar midden zijn nawerking openbaren!

„Maar" — zoo schreef Dr. Hoedemaker in zijn vlugschrift „Machtsvertoon of Wettig Gezag": „maar dat houdt op een Kerk te zijn!"

Zoo is het!

Wij willen geen Kerk waar alles wat in den tijd gist en onder het volk leeft nawerkt: Arminianisme, Pelagianisme, Remonstrantisme, Modernisme, Atheïsme, Socialisme, Anarchisme, Spiritisme, Buddhisme enz.

Dat is geen Kerk meer.

Wij willen een Kerk waar Christus het Hoofd is en Gods Woord de levensregel.

Wij willen de Gereformeerde Kerk, zich voegende naar Gods getuigenis, met de geref. belijdenis ten grondslag en de geref. Kerkorde tot levenswet.

Waarin prediking, en sacramentsbediening, waar in leering en vermaning en in tucht gehandeld wordt naar Gods getuigenis.

Laat men het maar gerust weten, dat we de Kerk ook Kerk willen laten.

En laten we het dan ook maar zeggen aan de menschen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's