Stichtelijke overdenking.
Hebt Gij dan Juda ganschelijk verworpen, heeft Uwe ziel eene walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geene genezing voor ons is ? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking. Heere, wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd. Versmaad ons niet, om Uws Naams wille; werp den toorn Uwer heiligheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons. Jer. 14:19—21.
Men wacht naar vrede, maar...
Jeremia beleefde met zijn volk een bangen tijd, doch hij wist vanwaar de slagen kwamen. Heere, zoo vraagt hij, hebt Gij dan Juda ganschelijk verworpen, heeft. Uwe ziele een walging van Sion?
't Is alsof hij zeggen wil: „Neen Heere, dat kan niet waar zijn. Ik wil het toegeven dat er slagen verdiend zijn, maar zóó tuchtigen, dat ze er aan sterven moet, dat ze ongeneeselijk moet verklaard — neen, dit kan in Uwe bedoeling niet liggen."
„Geene genezing voor ons."
't Schijnt dat het daartoe komen zal.
Immers, men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar zie daar is verschrikking.
Heeft ook deze sprake niet in zich meer dan één trek van den toestand waarin wij verkeeren ?
Wanneer ge den geest onzer dagen zoudt moeten typeeren, dan zou het zijn: men wacht naar vrede, maar....
Dat bouwen van een vredespaleis heeft veel meer in dan eene bespotting, het geeft de innerlijke roerselen weer van eene menschenziel.
Alleen hier schuilt de vergissing, men wil vrede zonder den Vredevorst, men rekent niet met de werkelijkheid der zonde. Vandaar dat de mensch onzer dagen zelf moet getuigen: „men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar zie daar is verschrikking."
Wanneer ooit de dwaasheid van den mensch in duidelijke lijnen kan weergegeven, is het nu. En wanneer ooit de waarheid van Gods Getuigenis kan flonkeren, is het thans.
Men wacht op vrede en nergens is 't goed; men zoekt naar genezing maar daar is verschrikking.
Zal de wereld — neen, hare dwaasheid is spreekwoordelijk — zal het volk, dat God vreest, zich van zijne doolwegen wenden ? Is Sion nu genoeg geslagen? Is Juda's breuke nu wijd genoeg?
Och, daar is maar ééne plaats: den Heere te voet vallen.
Dat zag de Profeet zoo goed. Het waren niet de menschen die 't deden, neen zij werden gebruikt, het ging om Juda te genezen, om Sion te brengen op de plaats waar zij hoort.
Daar is geen blijvende vrede denkbaar tenzij, de strijd is uitgestreden. Israels heilige God kan geene trouwbreuk gedoogen, vandaar dat Hij de volkeren oproept om Zijne Kerk weer terug te leiden naar de aanspraakplaats Zijner heiligheid.
Zou dit — ik zeg niet, ten volle — maar ook slechts voor een deel worden begrepen door de kinderen Gods van onzen tijd? Zie dan welt het van de liijpen: „Heere, wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd."
Gg hebt geslagen, maar wij dragen de schuld. De oorzaak ligt niet bij de volkeren, — hoewel hunne ongerechtigheden ook schreien tegen den hemel en hun afwijken de ooïdeelen Gods afroept, — maar bij ons.
Als Juda niet moest teruggeleid en Sion niet vernederd, waren deze slagen niet toegebracht.
Wordt dit ook in onze kringen verstaan, dat achter de oorlogen een tuchtigende God staat ? Daar gaat een nauwziend oog over de daden van Gods Kerk. Zij staat op een andere lijn dan waarop de wereld staat. De Heere kan van Zijn Sion niet half gedoogen wat Hij van den vreemde zich ziet voorgelegd. Dat maakt Zijn toorn niet in die mate gaande.
Vandaar: Ik zal u tuchtigen met de roede, opdat gij bekennen zoudt wat tot uwen vrede mag dienen.
Heerlijk als dat mag gehoord: „wij hebben gezondigd, wij kennen onze goddeloosheid."
Goddeloosheid — weet ge wel wat dit beteekent? Niets meer en niets minder dan leven alsof er geen God bestaat, zonder God.
Moet dat ook niet van onze lippen?
Wat hebben dë volkeren gedaan, die zich noemden naar den Christus? Ze zijn goddeloos geweest. Ze leefden zonder God.
Doet het u wonder, verklaar het mij eens eerlijk, dat het zwaard is losgegespt? Als de mensch door God wordt losgelaten is alle tegenweer gebroken. De eenige macht, die de menschen van elkander houdt, zoodat ze elkander niet vernietigen, is de macht des Heeren. Men heeft oorlog gewild tegen den hemel — men heeft losgemaakt beiden, ook dien op deze aarde.
Wij gaan eene schrede meer binnenwaarts, binnen eigen grenzen.
Is hier de goddeloosheid, d. w. z. de Godloslating, het zonder-God-willen zijn niet gegroeid?
O Heere, als Gij in 't recht woudt treden. Wij kennen onze goddeloosheid, d.w.z. wij belijden het voor Uw aangezicht. Wij zijn niets beter. Van geslacht op geslacht hebt Gij onze ongerechtigheden moeten gedoogen.
Dat thans de Godsgerichten over ons henengaan in den vorm van zwaard en honger, kan niemand verwonderen. Wel dat ze over ons henen gaan. D.i. klaarblijkelijk het wonder van den dag. Daar heeft de Heere ons wat mee te zeggen! Of is het al niet jaren betuigd: „zoo gaat het niet langer." Daar is een tarten geweest van den Allerhoogste. In hoeveel lijnen van ons volksleven werd Gods Naam niet uitgewischt, ja binnen de wanden van Zijn Tempel verstomde zelfs des spotters stemme niet.
Zou het wonder zijn, dat Juda ganschelijk was verworpen en haar plaats voor goed uitgewischt? Nu geldt: wel getuchtigd, maar nog niet gedood.
Ongerechtigheid is op ongerechtigheid gestapeld. Gingen onze vaderen voor ten kwade
— wij zijn gretiglijk gevolgd.
Hoe stond het met ons volk inwendig?
De samenleving was haast niet meer mogelijk, ieder moment lag ze verstoord. Met den staf des broods werd geworpen. Hoogmoed ontwrichtte alle standen. Ontevredenheid was de kanker in alles.
Thans zou het wel eens kunnen worden, wat men zoo vaak als een klank heeft misbruikt, dat de Heere de volkeren — ook óns volk — krank maakte van honger.
Waarlijk, daar mag wel gemeenschappelijk worden beleden: wij zijn goddeloos geweest. Opdat volge: Heere, vergeef, versmaad niet, om Uws Naams wil.
Zie, daarop mag gepleit.
Werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet üw verbond met ons.
Och, wat staan de dingen hier in heerlijke orde naast elkander.
Hier ligt een Profeet in het stof en achter hem het volk, dat God vreest, dat zijne zonden belijdt. Hij spreidt de schuldbrieven uit: „Heere, niet de volkeren in de eerste plaats, niet de vorsten, niet de wereld welke de zonde lieft, maar wij dragen de schuld. Gij moest uittreden om te tuchtigen, maar daar is tusschen U en ons een band. Wij kennen Uwen Naam, wij weten wat die voor inhoud heeft. Uw Naam is Ontfermer voor wie in schuld ligt neergebogen. Gij zijt in den Zoon Uwer liefde uitgetreden zoo heerlijk, dat we op dien Naam alleen het durven wagen.
Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen. Dien Naam zoo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader, Milde Zegenader, Stel Uw vriendelijk hart. Op Wiens gunst wij hopen. Eeuwig voor ons open.
Zie, als het volk daar komt, maar daar ook alleen, enkel op Zijn Naam pleiten, niets meer van het onze daarbij, zoo mag de heerlijkste uitredding verwacht.
„Heere, het gaat om de eere van Uw Naam. Zoudt Gij dit volk kunnen wegstooten zonder dat Uw Naam werd beleedigd?
'k Vraag u: staat zoo'n bidder niet sterk ? Hij heeft nog meer.
„Werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder."
„Als Gij — zoo wil de Profeet zeggen — Jeruzalem laat vertreden en den Tempel slechten en woest laat, weet ge wat dan met Uwen troon is gedaan? Zult Gij dien zelf nederwerpen ? Neen Heere, het gaat om den Troon Uwer heerlijkheid. Wat zouden de heidenen wel zeggen."
Heere, gedenk.
't Gaat om Uw Naam.
't Gaat om Uwe heerlijkheid.
't Gaat om het verbond dat Gij met Uw volk hebt.
Zie, dit drievoudig snoer wordt niet haast verbroken.
Wanneer een bidder — in dezen een biddend volk — mag pleiten op den Naam des Heeren, op den troon Zijner heerlijkheid, en op Zijn verbond, zoo mogen de rijkste gunsten gevraagd.
Niet dat de oordeelen dadelijk moeten wijken, dit wordt aan Zijne gunst overgelaten.
„Wanneer het kon, Heere! Het zwaard is zoo schrikkelijk en de honger is zoo'n tuchtiging."
Gedenk aan dit drievoudig snoer.
Van het oude volk lees ik:
Hij maakte. Hij, die heerlijk is. Zijn wonderen een gedachtenis, Hij is barmhartig en genadig.
Hij gaf hun, die Hem vreezen, spijs. En, Zijnen groeten Naam ten prijs. Gedenkt Hij Zijns verbonds gestadig.
Zie, op dit punt mag aangehouden, op Zijn genadeverbond.
Heeft Hij hier niet veel volks gehad van ouds?
Wat heeft de Machtige Jakobs zich een naam gevestigd in ons midden!
Dat kleine Nederland stond eenmaal in de rij der natiën vooraan.
Wat blonk de troon Zijner heerlijkheid hier in kostelijke flonkering I
Wat was Neerlands tempel een schoon gewrocht.
Zou de Heere dat alles laten wegnemen. Dat Gods kinderen inzonderheid in deze dagen het gemis van Sion maar geduriglijk neerleggen voor Gods aangezicht. Dat het roepen niet ophoude:
„Gedenk o Heere, gedenk. Let op het volk waaraan Ge door zulke teere banden verbonden zijt."
Ach wat komt de dwaasheid van den mensch telkens duidelijk uit. Wat een zoeken om zich zelven een naam te maken.
Alleen 's Heeren Naam zal bestaan.
Wij zinnen op heerlijkheid en op tronen. Daar is maar één troon der heerlijkheid, die vast staat en die is van Sions koning.
Daar is maar éen verbond, dat de eeuwen verduren zal, dat is het verbond met Israels God.
Gezegend, wie dezen pleitgrond kennen mag, niet enkel temidden van aardsche nooden, maar ook en bovenal als 't gaat om de nooden der ziele.
Heere — vlecht me telkens opnïeuw weer in die drievoudige koorde in, dat het gaat om de eere van Uw Naam, over de heerlijkheid van Uw Troon, en om de glorie van Uw Verbond.
Doe 't me ondervinden en laat in die zoetigheid de ziele juichen:
Hij is het. Die verlossing zond Aan al Zijn volk. Hij zal 't verbond Met hen in eeuwigheid bewaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's