De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

Nog eens de Synodale-circulaire.

In „de Geref. Kerk" geeft Ds. Bloem van Chaam, zelf lid van de Synode, een overzicht van 't geen ter Synode behandeld is. In dat overzicht heeft hij 't ook over de kwestie Ds. Bakker. En hij zegt dan:

„Ook was ingekomen een schrijven van den veldprediker Ds. S, K. Bakker, waarin hij zich beklaagde, dat sommige Kerkeraden hem het gebruik van het Kerkgebouw voor een godsdienstoefening voor militairen hadden geweigerd. Dat de moderne leden der Synode het enghartig vonden, dat orthodoxe Kerkeraden, dat verzoek van den socialist Ds. Bakker hadden geweigerd, kan een, verslaggever begrijpen. Maar met welke sofismen orthodoxe leden der Synode konden beweren, dat men natuurlijk aan een modern socialistisch dominé zijn kansel zou moeten weigeren — maar dienzelfden kansel aan een modern socialistisch veldprediker niet had mogen weigeren, dat is hem tot nog toe niet duidelijk.

Het gevolg was intusschen, dat met meerderheid van stemmen werd besloten om door middel van de Kerkelijke Courant het misnoegen der Synode over die weigering kenbaar te maken.

Tegen stemden: Ds. Steenbeek, Ds. de Groot, Weener, Ds. Bloem, en Timmers".

Tot zoover het verslag in „de Geref. Kerk".

Wat treurig figuur maken vele orthodoxe leden der Synode toch.

Is het wonder, dat vele orthodoxe Kerkeraadsleden en orthodoxe leden van de Classicale vergaderingen er wel eens over denken, om in de plaats van enkele orthodoxe leden van Prov. Kerkbesturen endere mannen te candideeren en te verkiezen?

Wat heeft men nu toch ook aan orthodoxe mannen die altijd in den modernen hoek zitten en die geen oog hebben voor de waarheid die naar Gods Woord is, zich voegende naar de kwade practijken van den nieuwen tijd.

't Gaat bij die orthodoxe leden der Synode blijkbaar niet meer om de Christus-prediking. 't Glaat er niet meer om, dat de belijdenis der Kerk zal worden gehandhaafd.

Art. 11 van het Algem. Regl. zegt ^rel, dat „de zorg voor de handhaving der leer steeds het hoofddoel moet zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het Kerkelijk bestuur belast zijn" - ^ maar zij lezen maar trouw dat er staat: „met de lijmstok te loopen moet steeds het hoofddoel zijn van allen, die iu onderscheidene betrekkingen, met het Kerkelijk bestuur belast zijn".

Althans als het gaat in betrekking tot degenen die afwijken van de waarheid der Schriften en van de rechte Christus-prediking.

Dan is en blijft alles zoet als honig.

Gaat het evenwel tegenover de klachten of verlangens der gereformeerden, dan wordt de honing verwisseld met azijn en de Igmstok wordt vervangen door den knoet.

Wee degenen dan ook die voor de belijdenis der Kerk opkomen en die te biecht moeten verschijnen bij die orthodoxe broederen.

't Vonnis is klaar! Er is geen pardon!

Geheimzinnig en vreemd.

Er wordt ten opzichte van de handelingen en beraadslagingen onzer Kerkelijke Besturen niet zelden een wonderlijke geheimzinnigheid gebruikt.

Men komt niets te weten. En niemand kan ook maar eenigszins nagaan, wat er eigenlijk gebeurd is en hoe er geredeneerd is. Men moet maar gissen. En vooral hier is „gissen" dikwijls „missen".

Zoo is er nu in de Synode ook weer iets verhandeld, waar de Kerk niets van hoort en waar niemand iets van weten mag.

't Ging over een socialistisch Hervormd dominé ; over Ds. Schermerhorn van Nieuwe-Niedorp, die onlangs schreef, dat er ongeveer geen mensch meer bij hem in de Kerk kwam en hij gewoon was voor stoelen en banken te preeken.

Deze socialistische predikant schijnt voor een vereeniging gesproken te hebben, die voorstandster is van de „vrije gedachte", het aantal , vrijdenkers" tracht te vermeerderen, sterk 'is in het verspreiden van; ruwe Godslasterlijke taal en formulieren verspreidt om het lidmaatschap der Kerk op te zeggen.

Daar schijnt men van uit Groningen de aandacht der Synode op te hebben gevestigd, blijkbaar met de bedoeling om te vragen: mag dat uur maar straffeloos z'n gang gaan ?

Een zaak dus, die wel waard is om onderzocht te worden. Want zoo'n Hervormd dominé kon de Herv. Kerk wel eens tot een aanfluiting maken en wel eens bevorderen, dat de Herv. Kerk schade wordt berokkend,

't Kon wel eens blijken, dat zoo'n dominé in strijd handelde met z'n beroepsbrief, waarin hij beloofd heeft in alles te handelen naar Gods heilig Woord en ook in strijd met de Kerkelijke reglementen, die voorschrijven, dat men in alles zal handelen naar het beginsel, den geest en het karakter van de Herv. belijdenisschriften.

Maar men heeft — hoewel tal van leden der Synode daartegen op kwamen — met meerderheid van stemmen besloten om er niet verder over te spreken en er ook niets van in de Handelingen der Synode te zetten; en daardoor zit het in de doofpot!

Wat gaat het toch eigenaardig toe in onze Groote Hervormde Kerk!

't Is om er mee te dweepen! En zoo wil men het nu met alle geweld houden, 't Moet zoo blijven. Nooit zal men dulden dat het anders wordt. Liever vernietigt men de Kerk, dan dat men besluite om andere wegen te gaan bewandelen.

En iemand die aanmerking maakt, iemand die zich daarin niet vinden kan, iemand die protesteert, die— houdt niet van de Herv. Kerk; die wil de Herv. Kerk maken tot een aanfluiting onder de menschen, die breekt de Kerk af — zooals men zegt.

Waarbij men niet voelt, dat men zelf druk bezig is om onze Herv. Kerk ten gronde te richten.

Zal er nu nooit een algemeen protest opgaan ?

Woordbreuk.

„Vergeet de belofte niet, die ieder van u, predikanten en ouderlingen, bij de toetreding tot de gemeente, bij de bevestiging in uw ambt heeft afgelegd. En wacht u, dat gij de kerk niet in beroering brengt en dat gij de kerk geen schade berokkent!" —zoo roepen Synodale heeren ons en onze geestverwanten wel eens toe.

„Wacht u voor woordbreuk!" zegt men dan. Maar hoe zit dat nu?

Wat belooft iemand die toetreedt tot de gemeente en iemand die bevestigd wordt in het ambt?

De Kerk neemt toch zeker nooit iemand een belofte af, die in strijd is met Gods Woordl Dat mag niet.

En dus wat er ook beloofd wordt door eenig lidmaat en wèt er ook beloofd wordt door eenig predikant of ouderling in onze Herv. Kerk, die belofte ts altijd zóo geweest, dat men Gods Woord ten allen tijde als hoogste Wet zou erkennen.

De Kerk mag nooit anders een belofte afnemen, dan onder stilzwggend beding, dat die belofte vervalt, zoodra ze de conscientie in botsing met Gods Woord zou brengen.

Ieder lidmaat stelt zich onder de regeering van het Hoofd der Kerk Jezus Christus.

Ieder lidmaat verbindt zich om zich te voegen naar Gods Woord.

En de Kerk neemt geen belofte af of Gods Woord blijft daarbij ongeschonden en van kracht.

Geen lidmaat legt een belofte af, of het is stilzwijgend aanvaard en afgesproken: Gods Woord staat boven alles.

De Kerk zelve en hare leden kennen geen hoogere wet dan Gods getuigenis.

Lidmaten, predikanten en ouderlingen richten dus steeds hun oog op Gods Woord als ze toetreden tot de Kerk, als ze hun ambt aanvaarden en openlijk in het midden der gemeente bevestigd worden.

Daarbij komen dan ook de bevestigingsvragen, om de richting nader aan te duiden van den weg, dien men als leden der gemeente te gaan heeft.

Men mag niet in een heidenschen weg als men in de christelijke kerk belijdenis af legt.

Men moet in een Bijbelschen weg gaan als men tot de Herv. Kerk toetreedt.

En het is verboden om het Remonstrantsche pad in te slaan als men zich openlijk verbindt aan de Geref. Kerk.

De richting is aangewezen.

En daar mag men niet mee spelen!

Bij de bevestiging tot predikant of ouderling wordt het duidelijker nog.

Het Formulier belicht de belofte die men gaat afleggen en den weg dien men zal hebben te gaan.

En dus van Woordbreuk gesproken: ieder die in de Herv. Kerk des menschen woord boven Gods Woord stelt dwaalt; en ieder ambtsdrager, die in zijn belofte iets anders legt, dan in de Herv. Kerken in de Formulieren van bevestiging is aangegeven die sticht verwarring en staat niet recht.

Door Christus en door de Gemeente geroepen, daarbij openlijk bevestigd naar luid van het Formulier, komen alle beloften in dét verband te staan. En ieder heeft bij z'n belofte Christus te erkennen als het Hoofd der Kerk, Gods Woord als hoogste Wet en de belijdenis en de formulieren der Kerk als nadere omschrijving van hetgeen er te leeren en te doen is in het ambt. Dat is, dunkt ons, zoo duidelijk als wat.

„Maar Gij hebt toch ook beloofd u te zullen houden aan de Reglementen der Kerk? zoo zegt men.

Ja, natuurlijk!

En wij mochten toch veronderstellen, dat in een Protestantsche Kerk, in de Hervormde Kerk van Nederland alles wat gereglementeerd is alzóo is in elkaar gezet, dat men zich daarbij heeft geschikt naar de aanwijzingen van Gods Woord?

We mochten toch veilig aannemen, dat aan hen, die in de Herv. Kerk zijn geboren en gedoopt en belijdenis des geloofs hebben afgelegd, geen reglementen zouden worden voorgelegd, die zeggen: „met Gods Woord hebben we ten slotte niets te maken, wat we geschreven hebben, dat hebben we voor eeuwig geschreven en die op die reglementen aanmerkingen maakt is niet echt Hervormd maar zoekt den ondergang van de Kerk des Heeren."

Immers — zulke dwaze dingen mochten we toch niet veronderstellen in het midden van een Protestantsch-christelijke Kerk in het midden van de Gereformeerde Kerk van Nederland?

En daarom, ja, wij hebben de belofte afgelegd ons aan de Reglementen te zullen onderwerpen.

Maar van tweeën één, of die Reglementen zijn in overeenstemming met het Woord van God, met de H. Schrift en met de belijdenis onzer Kerk.

En dan is er natuurlijk van conflict geen sprake.

Of de Reglementen zijn in strijd met Gods Woord, in strijd met de belijdenis onzer kerk, in strijd met de formulieren die bij onze bevestiging in het ambt zijn voorgelezen, in strijd met de formulieren van Doop en Avondmaal telkens door ons gebruikt in het midden der gemeente — maar dan is het onzedelijk, slecht en ten hoogste afkeurenswaardig als de Kerk gehoorzaamheid aan zulke Reglementen vraagt. En het wordt hoog, hoog tijd dat allen die ernst maken met hun beloften, in het midden van Christus Kerk afgelegd, ten sterkste en ten duidelijkste, zonder ophouden gaan klagen over en gaan protesteeren tegen die Reglementen, die een Protestantsche Kerk dan ontsieren; die een schande zijn voor de Hervormde, Gereformeerde Kerk van Nederland. En ieder die lidmaat is van die kerk, ieder die in het ambt staat, ieder die in eenig bestuur zitting heeft, moet zich als heilige plicht en hooge roeping rekenen mede te werken, dat het Roomsche, hiërarchische, verderfelijke stelsel dat in onze Kerk heerscht — dat n.l. een reglement boven Gods Woord gaat en tot ongehoorzaamheid aan Gods Woord zou dwingen — zoo spoedig mogelijk verdwijnen.

En men stelle zich saam op reglementair standpunt, om met beroep op de grondwet; met beroep op art. XI van het Algem. Reglement te verklaren: alle reglementen moeten alzóó herzien worden en heel de wijze van kerkregeering moet zóo worden ingericht dat in onze Herv. Kerk de Hervormde belijdenisschriften tot haar recht komen en de Hervormde leer, in overeenstemming met Gods Woord, worde geleerd, beleden en gehandhaafd.

Alles wat dat in den weg staat moet worden opgeruimd.

Dat is naar onze belofte eenmaal afgelegd.

Dat is zuiver reglementair.

De Kerkelijke Hoogleeraren en de belijdenis der Kerk.

't Staat in vele opzichten treurig met ons Hooger Onderwijs; niet 't minst met het onderwijs dat onze theologische studenten en a.s. predikanten ontvangen. Dat komt, omdat de Hoogleeraren in de theologie volstrekt aan geen belofte verbonden zijn. Ze zijn vrij man. Ze behoeven niet eens te verklaren of ze in het bestaan van God gelooven, nog minder in den Christus Gods, nog minder of ze instemmen met-de gereformeerde belijdenisschriften.

Wat ze gelooven omtrent de schepping, den val, de verlossing, de eeuwigheid enz. is precies 't zelfde. Ze mogen leeren wat ze willen en ze mogen van de studenten eischen wat ze willen.

Nu kan de Synode hierin weinig veranderen voor 't oogenblik. De benoeming van de theologische hoogleeraren gaat geheel buiten haar om. De Hooge Regeering is daarmee belast, waarom ook in betrekking tot deze zaak er zooveel van afhangt wie er minister van binnenlandsche zaken is; want of Borgesius of Kuyper, Gort van der Linden of Heemskerk achter den minister stafel zit, maakt nog wel verschil!

Maar wat de Synode nog wél in haar hand heeft, dat is de benoeming van de Kerkelijke hoogleeraren te Leiden, Utrecht en Groningen. Door de Synode zijn Prof. Dr. L. Knappert (modern) en Prof. Dr. H. M. van Nes (ethisch) te Leiden benoemd; Prof. Dr. T. Cannegieter (modern) en Prof. Dr. E. F. Daubanton (ethisch) te Utrecht; Prof. W. Mallinckrodt (evangelisch) en Prof. Dr. A. van Veldhuizen (ethisch) te Groningen.

Dan heeft de Synode in haar hand wie er benoemd zal worden en wie niet — althans in verband met de Commissie van voordracht.

Men bemerkt uit het bovenstaande lijstje, dat aan gereformeerde mannen nog niet veel gedacht is, om die te benoemen. En of er spoedig beterschap zal intreden op dit gebied ? We hopen het; maar deze onze hope is gemengd met zeer groote vreeze! We zullen maar geduldig afwachten wat men doen zal, als spoedig Prof. W. Mallinckrodt heengaat, daar hij ongeveer 70 jaar oud is; wanneer Prof. Dr. T. Cannegieter volgt, die in 1846 werd geboren. Zal dan Dr. Kromsigt in Groningen opvolgen en Dr. den Hertog in Utrecht?

We zullen eens zien, wat de Synode doen.

In betrekking tot de kerkelijke hoogleeraren, die hooger onderwijs in de Godgeleerdheid geven vanwege de Ned. Herv. Kerk, heeft dus de Synode betrekkelijk alles in haar hand.

Ware dus aan de Synode verzocht, dat zij zorgen moest, dat voortaan de benoeming van de theologische hoogleeraren zou geschieden naar den zin van hen, die in onze Herv. Kerk vasthouden aan het beginsel en het karakter der Kerkelijke belijdenisschriften, dan had de Synode kunnen antwoorden: daar kunnen we niets aan doen; gij moet u wenden tot de Hooge Regeering, want die benoemt de theologische hoogleeraren aan de Rijksuniversiteiten.

Had men nu in 1914 een verzoekschrift ingediend, dat de Synode van 1913 of 1916 Dr. A. of Dr. B. zou benoemen, dan had de Synode kunnen antwoorden: je bent zeker niet goed "wijs, want daar hebben we in 1914 niets over te zeggen.

Maar aan de Synode, het hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende lichaam in onze Herv. Kerk, een verzoekschrift te presenteeren: maak het s. v. p. zóó dat de Hoogleeraren, die van wege de Ned. Herv. Kerk onderwijs geven, voortaan een verklaring hebben te geven en een belofte hebben te teekenen, dat zij hun onderwijs zullen inrichten overeenkomstig de beginselen en het karakter der Ned. Herv. Kerk, kenbaar uit hare belijdenisschriften — ziet, dat kan toch niet zoo héél dwaas genoemd worden, zouden we zeggen. 

En hier kon de Synode niet antwoorden: „daar hebben we niets over te zeggen"; óok niet: „dat behoort niet aan de Synode van het jaar 1914".

Dat heeft de Synode dan ook niet geant­woord, toen een dergelijk verzoekschrift kwam.

Zij heeft niet gezegd: daar hebben wij niets in te zeggen.

Zij heeft erkend, dat zij dit verzoek wel mocht behandelen; dat het wel in haar bevoegdheid ligt, om in deze handelend op te treden.

Zij heeft óok erkend, dat het zéér natuurlijk is, dat de Kerkelijke hoogleeraren aan een belofte verbonden zijn en zich by hun onderwijs houden aan een bepaald beginsel.

Want art. 11 Algem. Regl. is in dit verband genoemd; en art. 3 regl. Kerkel. opzicht en tucht; en art. 27 Regl. op het examen.

Volstrekte vrijheid bij het hooger onderwijs is dus prinicipieel veroordeeld door de Synode.

Maar terwijl dat veroordeeld is geworden en steeds veroordeeld is — weet men, dat in deze een toestand heerscht, die aan het ongeloofelijke grenst.

Want die plechtig beloofd hebben de leer der Kerk te zullen handhaven, breken die leer openlijk af en spreken haar tegen.

In art. 11 Algem. Regl. staat dat ieder voor „de handhaving harer leer" d. i. „der Kerk'", te zorgen heeft.

Niet eigen leer te propageeren, maar de leer der Kerk.

En dus de Hoogleeraren van wege de Kerk aangesteld, om onderwijs te geven in die leer, zullen daar zeer zeker voor hebben te waken, dat ze niet hun eigen leer, maar de leer der Kerk handhaven en onderwijzen.

Dat is zoo natuurlijk als wat.

En dat is ook weer door de Synode uitgesproken — en niemand heeft geprotesteerd.

De Kerkelijke hoogleeraren zijn niet vrij in hun onderwijs, maar gebonden door allerlei beloften en bepalingen in betrekking tot de leer der Kerk.

En daar nemen we weer opnieuw nota van. Maar — men weet intusschen, dat er menschen zijn die met al die voorschriften en beloften en bepalingen geen rekening willen houden of er mee doen, zooals een kind met een popje van elastiek doet.

Rekken, rekken en nog eens rekken tot het ding ten slotte in stukken naast den kinderstoel ligt.

Zoo doen groote menschen ook. Zoo doen zelfs Kerkelijke hoogleeraren! Ze gooien die beloften, bepalingen en voorschriften naast hun katheder op den grond en doen alsof ze vrij zijn als een vogeltje in de lucht.

De 12 geloofsartikelen — ze houden er zich niet aan.

De 37 geloofsartikelen — ze .gaan er fel tegen in.

De 52 Zondagsafdeelingen van onzen Heidelb. Catechismus — ze draaien de dingen, net precies om.

En de 5 Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten, handelend over de Goddelijke Verkiezing en verwerping, over den dood van Christus en de verlossing der menschen door dezen, over des menschen verdorvenheid en bekeering tot God, en de manier van deze en over de volharding der heiligen — ze spreken ze vierkant tegen.

En ziet, daar moet nu een orthodoxe synode eens een weinigaandacht aan schenken om in deze eens uit te spreken: dat gaat zoo niet langer!

Een zeer gematigd voorstel was dien aangaande ingediend.

Maar de Synode heeft het met algemeene stemmen op zij gelegd en aan deze aller belangrijkste zaak verder geen aandacht geschonken.

Voor zoover we weten is door niemand in verband met deze zaak over het onderwijs der Kerkelijke hoogleeraren geklaagd. Er s geen woord gezegd over de wenschelijk heid en noodzakelijkheid, dat kerkelijke hoogleeraren toch moeten spreken overeenkomstig de belijdenis der Kerk.

Het echt protestantsch beginsel, dat men in de Kerk des Heeren gebonden is aan Gods Woord en de belijdenis, zoolang deze op grond van Gods Woord niet door de kerk zelve is gewijzigd — is in deze niet verdedigd; ook niet toen met een dooddoener werd gezegd, dat we niet moesten gaan doen „zooals Rome doet."

Tegenover dat „zooals Rome doet" had zoo mooi het gereformeerde standpunt kunnen worden uiteen gezet en verdedigd. Waarbij had kunnen worden aangetoond, dat het echt protestantsch, gereformeerd beginsel, niets heeft van het Roomsche beginsel, — maar ook principieel verschilt van het modern beginsel, dat alles maar wil onderwerpen aan iemands persoonlijke overtuiging, zonder at Gods Woord de hoogste rechter is.

Van dat moderne, vrije individualistische, roekelooze standpunt moet een waar protestant niets hebben.

Want protestant te zijn is niet zich los te voelen van alle banden; neen; het is gebonden zich te weten aan Gods Woord, de belijdenis der Kerk aanvaardend zoolang niet door de Kerk, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, die belijdenis is gewijzigd.

En o! wat heerscht het onprotestantsch, individualistisch, anarchistisch modern beginsel alom, om maar te leeren en te doen naar de inspraak van eigen gemoed en de uitspraak van eigen verstand, zonder controle van het Woord, zonder band aan het Woord.

Waarlijk — hier had de Synode van 1914 een goed werk kunnen doen; wat zij nu heeft nagelaten.

Daarmee is aan onze Herv. Kerk geen dienst bewezen; integendeel, wat haar grootelijk tot schade strekt is nu bestendigd geworden.

Op twee dingen willen we in dit verband nog even wijzen. Allereerst op 't geen Prof. Dr. Cannegieter gezegd heeft in betrekking tot deze zaak. Deze moderne Kerkelijke hoogleeraar zei; „ik begrijp niet, dat men klaagt over het onrechtzinnige onderwijs van de kerkelijke hoogleeraren en dat men zeggen kan, dat mede door hun onderwijs de grondslagen der Herv. kerk worden losgewoeld.

Over mijn onderwijs is tot op heden nooit geklaagd.'

Wat lomp — brutaal.

Want er is jaar op jaar, van 't begin af aan tot op dezen oogenblik, met woord en daad getoond, dat men niet tevree was met het onderwijs van Prof. Cannegieter.

Er is zelfs aanstonds een vereeniging opgericht, om te bewerken, dat tegenover het onderwijs van den modernen hoogleeraar die onderwijs moest geven in de dogmatiek, onderwijs zou jworden gegeven in dat zelfde vak door een orthodox geleerde.

Jaar aan jaar heeft dan ook Dr. Bronsveld dogmatiek gedoceerd tegenover Prof. Cannegieter.

En wanneer er door den Geref. Bond is overlegd: waar is het meest zwakke punt bij het Hooger Onderwijs in de theologie aan de Rijks-Universiteit van Utrecht, dan is het natuurlijk, dat geantwoord is: dat meest zwakke punt ligt op het terrein van dogmatiek !

Jammer, dat er niet iemand in de Synode geweest is, die even op deze dingen gewezen heeft en heeft gezegd: er is altijd een klacht tegen uw onderwijs geweest en die is er nog.

Wat we hier uit weer leeren?

Dat tegenover modernen veel meer geageerd moet worden. Tegenover 't geen zij leeren en tegenover 't geen zij doen moet veel meer ons protest uitgaan.

Want het is toch schrikkelijk brutaal, dat een modern hoogleeraar als Prof. Cannegieter, die nu 36 jaar hoogleeraar te Utrecht is geweest onder stil protest van zéér velen, met een stalen gezicht durft zeggen: „er i» over mijn onderwijs nooit geklaagd"

Brutale menschen zijn toch maar gelukkig. Ze kunnen altijd 't hoofd in den nek werpen en gaan overal met ongescheurd kleed uit.

Het andere waarop we wijzen willen, is de verklaring die men van orthodoxe zijde gegeven heeft waarom men tegen het voorstel van Delft's Kerkeraad is geweest en met algememe stemmen dit verzoek op zij gelegd heeft.

Die verklaring vinden we min of meer, in 't geen Ds. Bloem van Chaam, confessioneel predikant en lid van de Synode, in „de Geref. Kerk" schrijft.

We laten het hier volgen:

„In de zitting van Zaterdag 10 Oct, werd nog aan de orde gesteld een voorstel van den Kerkeraad van Delft, om in het reglement op het Hooger onderwijs de bepaling op te nemen, dat de Kerkelijke hoogleeraren hun onderwijs zullen geven „overeenkomstig de beginselen en liet karakter der Ned. Herv. Kerk, kenbaar uit hare belijdenisschriften". Dat dit voorstel bij een groot deel der Synode geen greintje sympathie kon vinden is bijna overbodig te zeggen. Maar andere leden, die met de bedoeling van dit voorstel volkomen stemmen, hadden hunne bezwaren.

Van deze zijde werd gevraagd: waarom komt de Kerkeraad van Delft juist nu tot deze Synode, waarin toch al zooveel principieele kwesties te behandelen zijn, óok nog met dit zoo weinig voorbereide voorstel?

Kans op aanneming had dit voorstel toch niet en degenen, die met de bedoeling er van wel instemden, vonden het blijkbaar beter hun krachten te sparen voor andere beter voorbereide en ook meer in de belangstelling der Kerk deelende onderwerpen. Daardoor gebeurde het, dat het zonder hoofdelijke stemming werd afgewezen."

We zullen hierover niet veel zeggen; om allerlei oorzaak niet — hoewel over onderscheidene beweringen wel wat te praten viel.

Alleen zal het nu goed zijn, dat deze zaak niet losgelaten wordt en verder beter voorbereid.

Waartoe ook dienen kan in de gemeente meer over het Hooger onderwijs te spreken

De spreekbeurten voor het Leerstoelfonds kunnen daar best voor gebruikt worden. En voorts is het noodig om slag te leveren over héél de linie.

En de hoogleeraren, èn de proponenten, èn degenen die belijdenis doen in onze Herv. Kerk moeten weten dat onze Kerk nog een belijdenis heeft!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's