Stichtelijke overdenking.
Want het Lam, dat in 't midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen. Openb. 7:17.
In bange dagen greep de Kerk des Heeren vaak naar 't boek der Psalmen. Bepaalde toestanden en bizondere omstandigheden doen iets van de diepe heerlijkheid Gods verstaan.
Ook werden (en worden!) sommige gedeelten van het boek der openbaring van Jezus Christus met voorliefde opgeslagen in bange dagen. Als 't heden drukt, richt zich het oog dikwijls naar de verre toekomst. Eigenaardig, dat wij menschen meestal vergezichten beminnen. Als kind zocht gij al gaarne een hoogte, om ver te zien. Geen wonder, als we ouder worden en de engte om ons heen ons beklemt, wij gaarne op een hoogte gesteld worden, om een vrij uitzicht te hebben op de deugden des Heeren.
't Was, dunkt me, voor Johannes op Patmos erg eenzaam, en hij zal ook wel eens op een hooge rotspunt geklommen zijn, om, ware het mogelijk, de kust te zien en dan te denken : daar, daarachter ligt mijn geliefd Efeze; daar is volk, dat met mij lijdt en strijdt en voor mij bidt.
Met de weenenden te mogen weenen, is soms zoo goed, en de gewisheid te mogen hebben, dat anderen met ons bedroefd zijn, „hunner tranen te mogen gedenken", geeft een eigenaardig genot en verlicht vaak uwen last.
Of Johannes veel geweend heeft (geweend heeft hij zeker!) kan ik niet zeggen; dat hij zich dikwijls heeft verblijd, staat wel vast. Wat kreeg hij heerlijke mededeelingenl Hoe trok de nevel telkens op! En hij genoot van de uitnemendste vergezichten in de eeuwen, die komen zouden en ... gekomen zijn.
Het zevende hoofdstuk is zoo schoon. Hij ziet een groote schare, die niemand tellen kan, uit alle geslachten enz., bekleed met lange witte kleederen, en in hunne handen droegen ze palmtakken en zij riepen met groote stem: De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit en het Lam. De Engelen, die rondom den troon staan, gaven hunne stem in krachtig accoord, doch spreken niet het woord zaligheid uit.
Overweldigend is, wat Johannes hoort en ziet. Hij verkrijgt verklaring over de groote, lange rij, die hij als feeststoet, in het gezicht voorbij zag trekken, en verneemt, dat het menschen zijn, die uit de groote verdrukking komen en gerechtvaardigd zijn door 't bloed des Lams.
Daarom (wie het leest merke daarop!) daarom zijn zij voor den troon. En dan komt allerlei heerlijke mededeeling aangaande de lieflijke schaduw, de tente, waaronder ze wonen, en dat hun geen leed zal treffen, doch altijd overvloed hun deel zal zijn.
Aan het creatuurlijke geen beeoefte meer, daarvan geen last en volle verzadiging van geestelijke behoefte, overeenkomstig den nieuwen toestand.
Het Lam, dat in het midden des troons is, dat hier 't middelpunt is van alle begeerten (want 't is een goed teeken van geestelijk leven, als een mensch overtuigd is van de noodzakelijkheid en heerliikheid van den Christus) en in Wien alle beloften ja en amen zijn; 't Lam 't middelpunt van 't leven des geloofs, is het ook der heerlijkheid; en dat Lam zal ze zachtkens leiden tot de levende, altijd vloeiende Fonteinen der wateren; gedurige frischheid en nieuwe opwekking der genegenheden; ook nieuwe stoffe tot eeuwige verwondering en aanbidding; en „eeuwige blijdschap zal op hunne voorhoofden zijn."
Hier drogen de beekjes soms op; vaak lusteloos en mat; hier is het nu eens eb en een enkele maal vloeit het water ruimschoots toe; dèar is het anders, voor alle volk, dat bij de „poelen en moerassen" niet meer leven kan, doch stroomend, frisch water noodig heeft, als een „hert, dat jaagt naar de waterstroomen."
Toen ik voor enkele jaren las, dat Jeruzalem van waterleiding was voorzien, trof me dat; maar nu ik daar weder aan denk, treft het me te heerlijker, dat hier van „levende fonteinen" gesproken wordt.
't Gebeurt hier onder ons, dat een teuge „levend water" doet vergeten de smart en dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds daardoor geheiligd wordt; daar is voor 't vergeten van leed en teleurstelling geen plaats meer, wel voor dat gedenken, dat nieuwen jubel brengt, omdat men zich in God zelven verheugt.
Alle leed vergeten; alle smartelijke herinnering onmogelijk en alle smart buiten. Moet er daarom nog bij staan: En God zal alle tranen van hunne oögen afwisschen?
Hier zijn er allerlei redenen voor tranen. In de wereld-ellende in 't algemeen. Vooral in dezen tijd. Gij weet het wel, dat er veel gedaan wordt om zijn leed weg te huichelen (of weg te dartelen!) maar dat het niet altijd even goed gelukt, is u, als mij, bekend.
Wie telt 't getal der tranen, gestort in Duitschland, Engeland, Rusland en Oostenrijk enz. Vaders en moeders, zusters en broeders, leggen bezwaard 't hoofd terneder en'in stilheid weenen ze, de duizenden, om geliefde dooden. En al verdriesten zich de velen tegen God en Zijne wegen in en zoeken balsem voor de wonde, die niet genezen kan, er zijn er anderen, die in pijnlijke spanning de dagen doorbrengen en in de eenzaamheid tranen plengen in grooten overvloed.
Ook algemeene goedheid wischt vele tranen weg, in allerlei middellijke wegen; en anderer tranen zijn spoedig gedroogd.
Maar er is een volkje, dat niet slechts wegens de ellenden, doch eerst en voornamelijk wegens de zonde, den afval van God, en 't missen van den Vader en van Vaders huis zijn tranen tot zijn spijze heeft dag aan dag. Dat ziet ge ze zoo niet aan. Het zalft nog wel eens het aangezicht voor anderen, opdat die niet kwaad zullen denken en spreken van den Heere en Zijn weg; evenwel in 't verborgen weenen ze dikwijls en ondervinden, dat Hij, die in 't verborgen ziet, nog tranen wegneemt door de oorzaak der droefheid weg te nemen en der ziele genadig te zijn door haar te doen gelooven met kracht in 's Heeren goedheid, „die geen palen kent."
Dat volk, dat met tranen zaait (ja, zaait!) wordt nog wel gewaar, dat het reeds hier in bizondere wegen met gejuich maait.
Wat heeft die goede God al een tranen gedroogd! En wat heeft Hij er, eer gij ze weg kondt pinken, vele weggenomen en bewaard in Zijne flessche!
Er zijn er onder hen, die straks met witte kleederen wandelen en met palmen, die hier soms moe geweend zijn. Een van hen, die er al bij is, toen wonende in S., zeide mij: „och, ik heb geen tranen meer", zooveel had ze geweend. De blijdschap zal er niet minder om zijn, doch smartelijk is me de gedachte aan sommiger weg. Eén schreef: beladen met een zondenpak, omsingeld door ellende, omzwervende buiten 't Vaderhuis, hoe zou ik niet weenen? Een ander, overtuigd van zgn gemis, vroeg: hoe is 't mogelijk, dat ik zoo opgeruimd kan zijn? — Het ondiepe leven in kringen van belijders vindt zelfs de betiteling van deze aarde als een tranendal al te pessimistisch.
Bij de algemeene ellende der volkeren, vooral ook bij ervaring der geringe mate van geraaktheid en het weinig speuren van vernedering onder de hand Gods, mocht de geestelijke nood wel eens een traan kosten aan een volk, dat deernis gevoelt met zonde en ellende.
Huet zong in een zijner Afrikaansche gedichten : „ Ween, kind der aarde, ween, omdat ge een zondaar zijt." Dat mocht hij zeggen, in 't algemeen.
Maar waar dwaal ik heen, mijn lezer? Daar staat van den Heere (laat ons terugkeeren) dat Hij alle tranen van de oogen Zijns volks zal afwisschen. Dat te doen is een liefdewerk, en 't wordt der liefde ook alleen toegestaan. Wie kust, als moeder, de traan weg uit 't oog? Wie vermag het oog te verhelderen van den man, gelijk de vrouw, welke God hem gaf? Tranen te drogen, is een teeder werk, en werk van hartelijke genegenheid onder ons menschen.
Wie is in dit werk den Heere gelijk ? Wie kan Hem evenaren?
Niemand.
Er spreekt een historie van eeuwen; ook de historie van eiken dag. Ook de historie van uw leven?
Men heeft bij dit laatste woord van Openb. 7 gevraagd: maar wordt dan hier verondersteld, dat ze allen, die met witte kleederen bekleed worden (straks!) binnenkomen met een traan in 't oog? Velen komen zóó (er zijn ook tranen van blijdschap!) doch hier wil het zeggen: In den hemel geen enkele traan, ook de laatste wordt eerst weggenomen, opdat het oog helder zie, de heerlijkheid Gods en het Lam dat in het midden van den troon is.
Wie van onze lezers heeft, in deze dagen, een weg van veel tranen? Hij leze dit woord, bepeinze de oorzaak van zijn verdriet en geloove, dat eens bij terugzien (dat is nu immers ook wel eens zoo? ) die tranen als parelen zullen schitteren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's