Uit het kerkelijk leven.
Uit de Synode.
Terwijl wij in de rubriek „Uit de Pers" een beschouwing overnemen aangaande de Synode van 1914 van moderne zijde, willen we op deze plaats overnemen een groot gedeelte van het verslag der Synodale Vergaderingen, geschrtïven door Ds. Bloem van Chaam, zelf lid van de Synode, voorkomend in „de Geref Kerk" van Donderdag 29 Oct. '14. Wij hopen en gelooven dat noch Ds. Bloem noch „de Geref. Kerk" hier tegen eenig bezwaar zal hebben. En waar wij zelf een artikel geschreven hebben over „het Voorstel der 60" — dat voor het No van verleden week bestemd wtvs, maar door de veelheid van copie moest overstaan — kan het een met het ander vergiüeken en aangevuld worden. Wat Ds. Bloem schrijft omtrent die allerheftigste aanvallen der .... orthodoxe leden van de Synode is weer merkwaardig! Ds. Bloem schrijft dan:
„Het hier bovenvermelde werd , alles afgehandeld op den laatsten zittingsdag. De daaraan voorafgaande dagen hehooren wat de gehouden bespreking«m en genomen beslissingen betreft, tot de meest belangrijke zittingen van dit jaar. Ook in vroegere zittingen was er reeds nu en dan aanleiding geweest tot discussies die ook uit principeel oogpunt niet zonder belang waren. Daarbij was, voor wie het, niet wist, al wel duidelijk geworden dat de groote orthodoxe meerderheid dezer Synode (13 orthodoxen tegen 6 modernen) in bijna geen enkel opzicht een eensgezinde meerderheid was. De vrees dat zij om die reden niet veel principeel belangrijks tot stand zou brengen is in deze laatste week grootendeels juist gebleken. Het mag ons tot dankbaarheid stemmen, dat er ten minste nog iets bereikt is. Het voorstel oni uit art 39 Regl. godsdienstonderwijs de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak enz." — een der voorstellen Lütge CS. — te schrappen is nog met 10 tegen 9 stemmen aangenomen. Uw verslaggever heeft lang gevreesd dat zelfs dit niet zou verkregen worden.
Nadat Maandag eenige zaken van miiider aanbelang waren afgedaan, kwam Dinsdag aan de orde het rapport over de voorstellen van "ds. Lütge c.s. en ds. Homburg c.s. en over enkele daarmee verband houdende voorstellen en verzoeken. Rapporteur was uw verslaggever terwijl met hem in de rapporteerende Commissie zitting hadden ds. Steenbeek, de heer Menthen en ds. Franke.
Bij de kennisneming van dit rapport bleek al dadelijk dat de orthodoxe ouderling-afgevaardigde van Gelderland, de heer Menthen, op alle punten, waarover in den boezem der commissie ernstig verschil van gevoelens was geweest, zich aangesloten had bij het moderne lid, ds. Franke. Ds. Steenbeek en ds. Bloem verdedigden in dit rapport de hoofdzaak van de voorstellen van ds. Lütge c.s. en ds. Homburg c.s. en raadden de Synode deze aan te nemen — ds. Franke, van wien men niets anders mocht verwachten, en de heer Menthen, van wien sommigen toch misschien wel iets anders verwacht hadden, bestreden ze en raadden de Synode aan ze te verwerpen.
De proponentsformule kwam het eerst in bespreking, en wel in de eerste plaats het advies daarover van ds. Steenbeek en ds Bloem. Zij adviseerden de voorstellen van ds. Lütge c.s. — ds. Homburg c.s. aan te nemen en in te voegen. 1e „zooals die (nam. de beginselen onzer Kerk) gekend worden uit haar belijdenisschriften" en 2e. achter de woorden „Jezus Christus" de woorden „gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. (Rom. 4:25)." In de discussie en bij de daarna gehouden ! stemming sloten zich daarbij aan de leden Timmers, Leenmans, Creutzberg, Koopmans, de Groot en Weener. Tesamen met ds. Steenbeek en ds. Bloem dus acht voorstanders. Tegen deze voorstellen spraken en stemden, behalve de zes moderne leden, nog vijf orthodoxe leden, nam. ds. Weyland, Menthen, Couvret, prof. V. Veen en Schrieke — tezamen elf leden. Met hulp van deze orthodoxen was het dus voor de modernen gemakkelijk werk om de voorgestelde aanvullingen van de proponentsformule van de baan te schuiven.
De uitvoerige discussie die hieraan voorafging ook maar eenigszins volledig weer te geven, zou veel meer ruimte eischen, dan waarover ik in dit weekblad mag besckikken. Heel kras liet de heer Menthen zich uit. Hij zeide dat hij niet begreep, hoe men het aandurfde, predikanten te binden aan de belijdenisgeschriften, omdat daar zoo veel in staat dat onwaar, is. Hij vindt wat in Zondag 4 en 5 van den Heid. Cathechismus staat leugen en zou willen dat de heeren, die met deze voorstellen aankomen, eerst eens deugdelijk het evangelie onderzochten.
De heeren die met deze voorstellen aankomen behoeven het zich niet aan te trekken. De heer Timmers gaf het antwoord dat hierop paste.
Natuurlijk spraken ook de moderne leden tegen deze aanvullingen. De meesten bepaalden zich echter tot een korte uiteenzetting van hun welbekend standpunt. De felste bestrijding kwam van de orthodoxe tegenstanders. Deze hebben voor de moderne de kastanjes uit het vuur gehaald. Enkele van hun argumenten moet ik toch noemen.
Er werd gezegd: de proponentsformule is al voldoende duidelijk en belijnd. Immers „het evangelie van Jezus Christus verkondigen, " is daar niet alles in op gesloten? Ik zou zeggen: ja, broeders, dat is zoo en dat kunt ge met recht zeggen als ge uwe oogen maar stijf dicht doet en niet ziet wat er in de kerk van die uitdrukking, ook met uwe medewerking, al zoo gemaakt wordt.
Een telkens herhaald argument was, dat het er in de tijden van leertucht in de Kerk ook niet zoo best had uitgezien — dat die leertucht allerlei ellendige gevolgen had gehad, — dat men de gewetens niet binden mocht aan de letter — dat leertucht huichelarij zou aankweeken enz. enz. Anderen zeiden weer: wij willen wel een belijdende kerk maar geen belijdeniskerk, maar verzuimden aan te wijzen hoe een kerk belijdend kan zijn, zonder van haar leden en vooral van haar leeraars een duidelijke belijdenis te vragen en die te handhaten. Dan werd er nog gezegd dat de toevoeging van Rom. 4:25 verkeerd was omdat zij een omschrijving geeft van Christus en niet van het evangelie (ik deel dat mede zooals het gezegd is) en door anderen dat zulk een Schriftwoord te heilig en te teer is om er een partijleus van te maken.
Men ziet dat het onzen orthodoxen tegenstanders niet aan redenen ontbrak. Zij hadden er in soorten. Wij verzuimden nog te zeggen, dat meer dan een orthodox lid ook heel veel voelde voor het anders speciaal moderne argument: „men moet het met de vrijheid durven wagen." Het aantal argumenten was groot genoeg, maar op de kwaliteit viel m. i. nog al af te dingen.
Ds. Steenbeek herinnerde er terecht aan dat nog geen dezer bestrijders iets had ingebracht tegen — laat staan dan weergelegd had — wat door hem en ds. Bloem in het rapport tot aanbeveling van de voorgestelde wijziging was gezegd. Ook ds. de Groot, de heer Timmers en de president kwamen krachtig op voor de voorgestelde invoegingen.
Ten slotte kwam nog de rapporteur aan het woord. Hij wees er op dat nagenoeg alles wat door de tegenstanders is aangevoerd buiten de kern der kwestie omgaat. Natuurlijk zijn er allerlei bezwaren. Het volmaakte zullen wij in deze wereld nooit vinden — ook niet voor de Kerk. Maar daar gaat het hier niet over. Hier gaat het in 't wezen der zaak over de vraag of onze Kerk een Christelijke Kerk en dus een belijdende Kerk zal zijn — dan wel een belydenislooze Kerk d. i. eigenlijk geen Kerk. Bijna alles wat de tegenstanders hebben aangevoerd kunnen wij met evenveel recht ook aanvoeren tegen de bestaande proponentsformule, en tegen elke formule en tegen elke belijdenis. Willen zij dan een belijdenislooze Kerk ? Er is gezegd: de invoeging van Rom 4:25 deugt niet want zij omschrijft Christus en niet het evangelie. Maar het moet juist vastgesteld worden welke Christus de Christus der Kerk is. Er worden allerlei Christussen verkondigd. Er is een prediking die de kroon van Christus rooft, Hem zijn eer en heerlijkheid ontneemt, loochent dat Hij is een Zaligmaker van zondaren en die zegt toch een Christusprediking te zijn. Dat is de prediking der modernen. En nu wil hij de personen en hunne bedoeling in hun waarde laten, maar van zulk een prediking moet hij zeggen, dat zij verderfelijk is en uit de kerk geweerd moet worden. Dan is er gezegd: de tijden van leertucht zijn niet de beste tijden der Kerk geweest. Hij wil toegeven dat er ook toen veel gebrekkigs en veel onverkwikkelijken strijd is geweest. Maar de strijd van dien tijd staat nog oneindig hoog boven denstrijd van onzen tijd van leervrijheid. Die strijd dwong nog tot onderzoek van de waarheden waar het om ging, maar de strijd van onzen tijd is eenvoudig een strijd van de meerderheiden de macht — een strijd die niet anders kan dan verbittering wekken, die de verhoudingen vergiftigt en de Kerk verkankert en in stukken scheurt.
Nu zegt men: het zal toch niet helpen. Ieder zal toch ook de verduidelijkte formule onderteekenen naar z\in eigen uitlegging. Daar tegenover wil hij het toch ook in deze vergadering met nadruk uitspreken, dat zulk een doen zedelijk ongeoorloofd is. Het is een onzedelijke daad aan een formule een andere beteekenis te geven dan de historisch gegevene d.i. de door de opstellers bedoelde. Doet iemand dat toch, dan is dat zijne zonde, maar de Kerk die een duidelijke belijdenis vraagt gaat dan ten minste vrij uit.
Ds. Schrieke kwam nog tegen dit laatste op en noemde dat een onprotestantsche en geheel Roomsche opvatting.
Prof. Cannegieter zeide nog dat de discussies tot nog toe in een aangenamen toon van van wederzijdsche waardeering waren gevoerd, maar dat hg zich nu diep gegriefd gevoelde door hetgeen de rapporteur gezegd had van de moderne leer. Hij hoopte dat deze dat harde woord zou willen terugnemen. De rapporteur antwoordde daarop: Ik heb niet gesproken van moderne personen maar van de moderne leer. De personen beoordeel ik niet. Ik wil gaarne zeggen dat er velen onder zijn aan wier ernst en oprechtheid ik niet twijfel en hoop dat prof. Cannegieter hiermede genoegen zal kunnen nemen. Want van wat ik gezegd heb over de moderne leer kan ik en mag ik geen woord terugnemen.
De uitslag van de stemming die hierop volgde is boven reeds vermeld.
Vervolgens kwam aan de orde het voorstel van ds. Lütge c.s. om uit art. 39 Regl. godsdienstonderwijs te laten vervallen de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak enz." en dus de predikanten te verplichten voortaan de belijdenisvragen te doen zooals zij er staan. Ook dit voorstel werd door twee leden van de commissie van rapport ds. Steenbeek en ds. Bloem aanbevolen — door de beide anderen, ds. Franke en den heer Menthen, voor afwijzing voorgedragen en ook hierbij ontspon zich weder een langdurige discussie. Voor het verslag daarvan moeten wij echter uit plaatsgebrek den lezer verwijzen naar de Handelingen der Synode die over eenige weken zullen verschijnen. Het einde was dat de heeren Couvret en prof. v. Veen zich thans ook aansloten bij de door ds. Steenbeek en ds. Bloem voorgestelde conclusie en dit voorstel met tien tegen negen stemmen werd aangenomen. Van de orthodoxen stemden ook hier tegen de heeren ds. Weyland, Menthen en Schrieke. Een voorstel van ds. Weyland tot verplaatsing van de woorden „geest en hoofdzaak" waardoor de vorige beslissing zijn waarde zou hebben verloren werd vervolgens, met de zelfde stemmen voor en tegen verworpen. De overige hiermede in verband staande voorstellen nam. de verandering in de belijdenisvragen en het voorstel van dr. Meyboom en dr. Oort om de vragen geheel af te schaffen werden naar het eenparig advies der commissie van rapport verworpen.
Woensdag kwam aan de orde het herzien Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht, Een amendement van prof. v. Veen, Couvret, Bloem en Steenbeek bedoelende het karakter der kerkelijke tucht in art, 1 juister te omschrijven werd aangenomen.
De leden Steenbeek, Bloem, de Groot en Timmers hadden een tweetal amendementen ingediend. Het eerste wilde dat in art. 1 ook zou worden gezegd dat de kerkelijke tucht dient „tot wering van onchristelijke leeringen". Het spijt mij dat ik van de wel belangwekkende discussie over dit amendement hier niets kan weergeven. Het amendement viel met elf stemmen tegen. Voor stemden behalve de onderteekenaars alleen de heeren Koopmans en Weener, prof. v. Veen en ds. Leenmans.
Een tweede amendement van dezelfden op art. 6 kon ook de stemmen van beide laatstgenoemden niet verkrijgen. Het bedoelde uit art. 6 (oud art. 3) te laten vervallen de woorden „geest en beginselen" zoodat tucht geoefend zou worden „ter zake van openbaren strijd met de belijdenis der Ned, Herv. Kerk" (vroeger met „den geest en de beginselen van de belijdenis enz."). Ds. Steenbeek die dit amendement even als het vorige kort en duidelijk toelichtte, wees er vooral op dat er in onze Kerk geen bevoegde macht is die kan vaststellen wat „de geest en de beginselen" der belijdenis zijn en dat dit tengevolge heeft dat door velen de belijdenis geheel wordt weggecyferd. Ook wees hij op het verband met art. 11 Algem. Regl. en op het ongerijmde van met de eene hand te nemen wat men met de andere geeft — aan de eene zijde erkent men de belijdenis — aan de andere zijde vernietigt men haar door dit „geest en beginselen". Alles wordt afhankelijk gemaakt van subjectieve opvattingen. Deze verdediging waarbij zich een paar oudere leden aansloten mocht niet baten. De Synode heeft nog altijd een meerderheid die doodsbang is voor alles wat maar in de verte op leertucht of op een besliste belijdenis der Kerk gelijkt.
Zes leden verklaarden zich voor dit amendement: ds. Steenbeek, ds. de Groot, Koopmans, Weener, ds. Bloem en Timmers — dertien leden, zeven orthodoxen en zes modernen waren er tegen. Het geheele Reglement werd vervolgens afgehandeld en met verscheidene belangrijke wijzigingen ten slotte voorloopig aangenomen. Het wordt nog aan het oordeel der Kerk onderworpen zoodat het niet noodig schijnt er nu reeds meer van te melden.
En hiermede ben ik aan het eind van mijn verslagen over de zittingen van de 99e Synode onzer Kerk. Weinig mocht ik melden dat mij verblijdde — veel moest ik melden dat mij bedroefde, maar toch zijn er teekenen, de lezer zal er ook hebben opgemerkt, die wel wijzen op een beginnende kentering. Wij geven het gemoedigd over aan Hem, Wiens wegen hooger zijn dan onze wegen, en in Wiens hand ook de Synode onzer Kerk te Zijner tijd zal zqn als weeke was, die Hij vormt naar zijn welbehagen.
Chaam, 24 Oct. 1914.
Het voorstel van de 60.
Zooals men weet, kwam de Synode dezes jaars ook voor „het voorstel van de 60" te staan.
Dat voorstel bedoelde verscherping van de proponentsformule, schrapping van de woorden „wat geest en hoofdzaak betreft" in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs, terwijl gevraagd werd in de 3 bekende belijdenisvragen eenige wijziging te brengen.
Dat voorstel was buiten de Synode nogal becritiseerd en bestreden. Het was van alle kanten bezien en besproken. En ja — er was sympathie betuigd, door zeer velen, maar de bewijzen van afkeuring hadden ook niet ontbroken. Daar hadden o.a. Ds, Schuller tot Peursum en Dr. de Sopper van Amsterdam wel voor gezorgd.
Hoe zou het nu met deze voorstellen in de Synode gaan?
Bij de modernen was er groote vrees — men kon dat zoo nu en dan wel merken — dat de Synode van 1914 hier zou ingrijpen.
Bij de orthodoxen, van het gereformeerde type, was er vrees, dat de Synode van 1914 't wel weer over haar kant zou laten gaan.
Wat zou zij beschaamd worden, de vrees van de modernen of de vrees van de orthodoxen ?
Mannen als Dr. Weijland, Ds. Schrieke en ouderling Menthen van Arnhem zouden wel zorgen, dat de orthodoxen niet te veel kregen; liefst niets.
Al hun voorstellen en hun verlangens waren veel ta partijdig, te drijverig ; — daarbij niet bijbelsch, niet protestantsch.
Van de belijdenisschriften te spreken was niet betamelijk in de Herv. Kerk.
En „het evangelie" nader te omschrijven met de woorden van Paulus, Rom. 4:25, was — zoo sprak ouderling Menthen — een schriftwoord tot eèn partij woord maken I
Van deze orthodoxe leden der Synode was niet veel te verwachten dus. Integendeel, zij zouden wel zorgen, dat in de kaart van de modernen gespeeld zou worden.
't Gaat toch immers zoo goed in onze Herv. Kerk, De „vrijheid" doet alles zoo prachtig loopen!
Nu kan men nog eens wat moois hooren aangaande den timmermanszoon van Nazareth; en de meest interessante vragen kunnen nu gedaan worden bij de bevestiging van de nieuwe lidmaten I Ziet — dat moet immers zoo blyven, beweerden orthodoxe predikanten en orthodoxe ouderlingen!
't Stond er niet zoo heel mooi voor.
De modernen hadden een warm pleitbezorger in Prof. Cannegieter. De orthodoxen waren vogels van diverse pluimage. Wat zou het resultaat van de besprekingen zijn?
Ds. Bloem van Chaam — een confessioneel man, dit jaar voor 't eerst lid van de Synode — was de rapporteur en las een breed betoog voor, waarvan de conclusies nog al verschilden, omdat de commissie van rapport ook onderling verdeeld was.
't Resultaat van alles was, dat eerst aan de orde werd gesteld de conclusie van twee leden an in betrekking tot de proponentsformule, om n.l. in art. 27 Regl. op het Examen (en in art. 19 Regl. Godsd. onderwijs, betreffende de Godsdienstonderwijzers-verklaring) in te voegen de woorden „zooals die gekend worden uit hare belijdenisschriften; " en verder aan te vullen met de woorden „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 4 : 25).
De proponentsformule zou dan luiden:
»Wij ondergeschrevenen, door het Prov. Kerkbestuur van.; ., tot de openbare Evangeliebediening in de Ned. Herv. Kerk toegelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, zooals deze gekend worden uit hare Belijdenisschriften, te verkondigen het Evangelie van Jezus Christus, overgeleverd om onze zonde en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 4:25) en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde Kerk, met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen te behartigen".
De twee andere leden der commissie meenden elke wgziging te moeten ontraden
Van de beraadslagingen stippen we dit aan:
Dr. Knappert erkent de gevaren van de vrijheid, maar meent het met de vrijheid te moeten wagen, en vereenigt zich dus met diebeide leden, die geen verandering wenschen.
Dr. Cannegieter is van oordeel, dat wij aan de tegenwoordige proponents-formule volkomen genoeg hebben. Het zijn waarlijk geen kleine dingen die daarin worden uitgesproken. Het zijn zulke diep insnijdende beginselen . Wat wil men toch meer! Er moet vertrouwen zijn op de werking van God in het geweten. En dus moeten wij ook vertrouwen op het geweten van hem, die deze belofte aflegt.
De secretaris, de heer Bakhuizen van den Brink, acht het zeer bedenkelijk een woord te grijpen uit Paulus' geschriften, om datgene te omschrijven wat wij van Christus gelooven moeten. Ook hij acht de tegenwoordige proponents-formule geheel voldoende.
De vice-president, dr. Weyland, deelt het gevoelen van den secretaris. Hij acht de tijden niet van dien aard, dat wij nu aan wijziging van formules moeten denken. Onze kerk is geplaatst voor zoovele andere groote en moeilijke vraagstukken en zorgen. Bovendien neemt men de beteekenis en de schoonheid van de formule weg, door haar telkens te veranderen.
De heer Timmers betreurt het, dat er verschillende evangelie-prediking is in de kerk. Hij vreest wel, dat door de wijziging misschien meer onoprechtheid zal komen. Maar desondanks vereenigt hij zich geheel met de conclusie.
Dr. Visser citeert met instemming het woord van een rechtzinnig predikant, die er op wees hoe volgens de Openbaring het nieuwe Jeruzalem 12 poorten had, en deze waren altijd open. Gaarne zag hij in de Kerk iets van dien geest verwezenlijkt. Hij wil in de. Kerk de verscheidenheid niet dooden, want in alle stroomingen is iets van het eeuwigheidslicht.
De heer Menthen keurt het af, dat heerlijke bijbelwoorden (Rom. 4 : 25) als partij, woorden zullen worden gebruikt. Hij vindt de proponents-formule zóo duidelijk, dat aanvulling alleen schadelijk kan werken.
De heer Steenbeek beroept zich als lid van de commissie op de gronden, die in het rapport vóór de wijziging zijn aangevoerd.
De heer Eilerts de Haan vereenigt zich met dr. Cannegieter. Hij bestrijdt de opvatting, dat de bijvoegingen eene verduidelijking zouden zijn. Het eenige gevolg zal wezen, men zal krijgen aankweeking van huichelarij.
De heer de Groot acht het dure roeping van de Kerk, om het woord uit Rom. 4:25 er bij te voegen.
Prof. van Veen herinnert aan het woord van Bucer: neminem condemno in quo aliquid Christi invenio" d, i. ik veroordeel niemand waarin ik iets van Christus bespeur." Hij zegt, dat het niet allereerst op de fundeering van het geloof aankomt, maar op het geloof door de liefde werkende. Hij wijst op de woorden: „al hebt gij ook gewankeld in den geloove, gij hebt mij toch van harte liefgehad." Hij wil het wagen met de vrijheid, zooals die tot mu toe in onze Kerk geheerscht heeft. Hij wenscht noch „verduidelijking", noch „verscherping" der formule.
De heer Schrieke wijst op het groote verschil tusschen eene belijdende kerk en een kerk die een belijdenisgeschrift heeft. Wij mogen aan dat belijdenisgeschrift, drie eeuwen geleden opgesteld, niemand binden. In elk geval zouden dan eerst die belijdenisschriften moeten worden herzien naar het licht, dat in latere tijden daarover is opgegaan. De belijdenisschriften zijn niet beschermend opgetreden voor het christelijk leven en hebben ketterijen niet geweerd. Wordt deze invoeging (verscherping) in de proponentsformule aangenomen, dan zal blijken, dat men onder en over het staketsel heen toch de kerk zal binnenkomen.
De heer Leenmans merkt op, dat het voor hem een gewetenskwestie is. Het woord van Bucer is hier niet ad rem. Het is de vraag, wat de Kerk mag eischen van degenen die haar dienen. Spr. ontkent, dat de bijvoegingen zouden binden aan de letter. Waarom mogen de belijdenisschriften niet genoemd worden, welker inhoud spreker met zijn bloed zou willen onderschrijven ?
De rapporteur, de heer Bloem, zegt, dat het hier gaat om de Kerk van Christus, of zij zal zijn eene belijdende kerk dan wel een kerk zonder belijdenis, en dus eigenlijk geen kerk.
Er worden verschillende Christussen gepredikt; en nu bedoelt de toevoeging, in het licht te stellen, welke Christus in de kerk moet worden gepredikt. Spr. geeft toe, dat de tijden van leertucht niet altijd gezegend zijn geweest. Maar geeft — zoo vraagt spr. — de tijd van leervrijheid niet ook veel te zien, wat weinig verheffend is ? De strijd, die er thans in de kerk is, is een kanker in de kerk. Het wordt een strijd die vijandschap kweekt, en die de kerk in stukken scheurt. Er is een prediking, die den Christus, die ons tot zaligheid gegeven is, loochent, en dat is, hoewel hg de personen en hun bedoeling in volle waarde laat, verderfelijk. De verlosser, die zalig maakt van zonde, verdwijnt in die preding. Voorts legt spr. er nadruk op (tegenover hen die zeggen: ook de verscherpte formule zal naar eigen uitlegging worden onderteekend) dat het ongeoorloofd is eene andere uitlegging te geven, dan de bedoelde, de historisch gegevene uitlegging.
Prof. van Veen vreest, dat velen toch de verscherpte formule zullen onderteekenen, al stemmen zij niet in met de Belijdenisschriften, gelijk dit reeds door enkele predikanten van vrijzinnige richting is uitgesproken.
Prof. Cannegieter komt op tegen het verwijt van den heer Bloem, als zouden de modernen Christus de eer en de kroon van het hoofd nemen. Ook zij hebben liefde voor God en voor Christus.
In stemming gebracht, blykt dat er 8 stemmen worden uitgebracht vóór en 11 stemmen tegen de uitbreiding der proponentsformule.
Vöor stemden de heeren Bloem, Timmers, Creutzberg. Steenbeek, De Groot, Koopmans, Weener, Leenmans. Tegen de heeren Tammens, Menthen, Franke, Visser, Picard, Weijland, Couvret, Eilerts de Haan, Cremer, Van Veen, Schrieke en de praeadviseurs Knappert en Cannegieter en de secretaris. Dezelfde stemmen verklaren zich vóór en tegen de 2de conclusie, nl. de toevoeging van Rom. 4 VS, 25.
Summa summarum: de in meerderheid orthodoxe Synode is weer vrijzinnig genoeg geweest tot het bestendigen van den wantoestand, dat predikanten, die „allerlei wind van leer" zullen brengen, niet uit de Kerk en van den kansel kunnen worden geweerd.
Eenstemmig ontraadt de commissie van rapport de aanneming van het voorstel van de heeren dr. H. U. Meyboom en dr. H. Oort (aan allen die het lidmaatschap der kerk begeeren, dit lidmaatschap te geven, wanneer zij blijk geven voldoende kennis te bezitten, en dus zonder dat belijdenis, verklaring en belofte van hen zal worden gevraagd; en voorts ook de voorwaarde van het gedoopt zijn of worden te laten vervallen.)
De conclusie wordt met algemeene stemmen aangenomen.
In behandeling komt nu de conclusie over het voorstel-Lütge c.s. 1o. Om uit het Regl. op het godsd. onderwijs te laten vervallen de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte". 2o. In de tweede belijdenisvraag de woorden „te streven naar heiligmaking" te vervangen door „de heiligmaking na te jagen". 3o. In de derde belijdenisvraag voor de woorden „met opvolging van hare verordeningen" in te voegen „in gehoorzaamheid aan Gods Woord".
De beide prae-adviseurs zijn beiden voor de vrijheid, en willen de tegenwoordige redactie behouden. Wij mogen met gerustheid aannemen, dat de predikanten, die zich misschien hebben vergrepen aan de vrijheid, wijsheid zullen hebben geleerd. Wij mogen vertrouwen op de gevoelens, op de eerlijkheid en den ernst van die predikanten, die de verklaring volgens art. 27 hebben afgelegd.
De secretaris weet, dat die woorden „geest en hoofdzaak" eene geschiedenis hebben. Die geest en hoofdzaak-formule is aangenomen om de dogmatische formule in de eerste vraag te verzachten. Hij zou die woorden „geest en hoofdzaak" willen laten staan. Geven die woorden echter aanleiding tot improvisatie en willekeur bij het doen van de vragen, dan is dat te betreuren. Nochtans, de vrijheid om de vragen iets anders te formuleeren, moet worden toegestaan. De menschen mogen niet aan letters gebonden worden.
De heer Weyland merkt op, dat, indien de belijdenisvragen door de Kerk in haar reglementen zijn opgenomen, die vragen dan ook niet moeten worden gewijzigd. Het is immers ook niet toelaatbaar, dat de geformuleerde proponentsformule door het eene kerkbestuur anders dan door het andere aan de candidaten zou worden voorgelegd. Met de belijdenisvragen is het niet anders. Maar iets anders is het of men jonge menschen nu ook aan de letter van die vragen mag binden. Spr. heeft daarom in de cl. vergadering van Middelburg voorgesteld, de woorden „geest en hoofdzaak" in het artikel te verplaatsen, zoo dat de lidmaten althans wat den geest en de hoofdzaak der daarin vervatte belijdenis enz. aangaat, toestemmend hebben te antwoorden. Hij zou zich alléén kunnen vereenigen met wijziging van art. 39, als het een wijziging geldt in den door hem en 15 leden van de cl. vergadering van Middelburg bedoelden zin.
De heer Couvret stemt het den vorigen spreker toe, dat de vragen, als zij in het reglement zijn opgenomen, dan ook ongewijzigd moeten blijven. Spr. zou daarom wijziging van die vragen willen, zoodat zij meer intellectueel werden gesteld. Hij gevoelt echter het bezwaar, dat aan wijziging is verbonden, en gaat daarom mede met hen, die de bekende woorden willen zien geschrapt, opdat er vrede moge komen met betrekking tot dit strijdpunt.
De heer Eilerts de Haan gelooft niet, dat men het heil van de Kerk in 't oog houdt, als men een vrede wenscht dié de dood is, en de zoodanigen uitsluit, die nu nog door de prediking van het Evangelie worden getrokken. Daardoor zal men een groote ramp brengen over de Kerk.
De heer de Groot is van oordeel, dat in de belijdenisvragen alles geest en hoofdzaak is, en dat er geen woord van kan worden gemist. Verschillende andere leden zijn met hem van gevoelen, dat de woorden moeten verdwijnen uit het artikel.
De heer dr. Van Veen deelt wel het gevoelen van den vice-president, dat, als eene formule is vastgesteld, die formule ook moet worden gebruikt. Maar dan moet ook, naar zijn gevoelen, de uitdrukking „geest en hoofdzaak" worden geschrapt.
De heer Schrieke staat geheel aan de zijde van den vice-president. Hij is er beslist tegen de gewetens van a.s. lidmaten te binden aan de letter van hetgeen in art. 39 is geformuleerd.
In stemming komt nu de conclusie van twee leden der rapporteerende commissie: voorloopig aan te nemen het voorstel om uit art. 39 Regl. G. O. te laten vervallen de woorden: „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte."
Dit voorstel wordt aangenomen, daar nu twee leden, die tegen de verscherping van de proponentsformule waren, vóór schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" zijn.
't Zijn de heeren: Prof. van Veen en de em. predt. Couvret, ouderling te Rotterdam.
Vobr stemden: Bloem, Timmers, Croutzberg, van Veen, Steenbeek, de Groot, Koopmans, Weener, Couvret en Leenmans.
Tegen waren: Tammens, Menthen, Franke, Visser, Picard, Weyland, Eilerts de Haan, Cremer, Schrieke en de prea-adviseurs Prof. Knappert en Cannegieter en de secretaris.
Men ziet: de heeren Weyland, Schrieke en Menthen zitten steeds waar de modernen zitten!
8lot volgt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's