Uit het kerkelijk leven.
Het voorstel van de 60.
(Vervolg en Slot.)
Daarna komt in behandeling de conclusie van de commissie: om het voorstel van dr. Weyland (gedaan in de cl. vergadering van Middelburg) tot verplaatsing van de woorden "geest en hoofdzaak", af te wijzen.
Dit voorstel bedoelt art. 39 aldus te lezen: „de bevestiging heeft plaats in een daarvoor bestemde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen worden voorgesteld, waarop zij, althans wat betreft deiL geest én de hoofdzaak der daarin vervatte belijdenis verklaring en belofte toestemmend hebben te antwoorden".
Het voorstel wordt verworpen (voor de twee praeadviseurs en de h.h. Weyland, Franke, Visser, Picard, Menthen, Eilerts de Haan, Oremer, Schrieke en Tammens).
Volgens de conclusie van het rapport wordt besloten af te wijzen het voorstel om eenige door de h.h. Lütge c.s. geformuleerde veranderingen aan te brengen in de belijdenisvragen.
Ons zoo getrouw mogelijk houdend aan het meest oflicieele verslag door den vicepresident Dr. Weyland gegeven, is hiermee gegeven het relaas van alles wat in de Synode in betrekking tot deze allergewichtigste zaak is verhandeld.
De losbandigheid is weer eens voor de zooveelste maal heerlijke vrijheid genoemd.
En menschen die bewijzen geheel tegen den geest van de belijdenis in te gaan hebben weer eens voor de zooveelste maal bepleit, om het met de vrijheid te wagen en toch vooral niet „Roomsch" te worden, door zich te gaan binden aan menschelijke geschriften.
Dat orthodoxe menschen zich hierbij nog bij den neus laten nemen ergert ons niet weinig.
Ze bewijzen weinig van het echt protestantsch beginsel te verstaan!
Maar zoo is dan het resultaat niet geheel teleurstellend.
Er is toch wat verkregen.
Nu gaat het er om, om het ook te behouden.
Temeer, waar van moderne zijde reeds een consigne gegeven is tot een feilen aanval, om weer te vernietigen wat aanvankelijk is verkregen.
De orthodoxen mogen geen succes hebben!
De verlangens van duizenden en duizenden die echte zonen en dochters der Hervorming zijn, mogen niet bevredigd worden!
De modernen, onder aanvoering van Dr. Niemeyer, zullen heel het land in rep en roer brengen, om, zoo mogelijk weer ongedaan te maken wat aanvankelijk door de Synode is besloten.
't Kost wat het kost — maar hetgeen nu besloten is zal geen wet worden.
Dr. Niemeyer heeft het commando uitge en vaardigd.
Zooals in een zeker dorp, waar de kermis afgeschaft was, de mannen van den Protestantenboud ook aanstonds besloten: de kermis zal terug komen; waarbij ze besloten om net zoo lang de ruiten stuk te gooien van de anti-kermismannen, dat ze bang geworden zijnde, zouden zeggen: hier is de kermis weer!
„Zoo zijn onze manieren" riep men daar. Én op diezelfde manier roept nu ook Dr. Niemeyer: wacht maar! we zullen dezen winter een campagne openen — en 't kost . wat 't kost, maar we zullen het zoover zien te krijgen, dat wat nu voorloopig werd aangenomen weer terug wordt genomen en alles blijft, zooals wij, modernen, het wenschen.
We zullen zien wat het wordt. Maar een gewaarschuwd man telt voor twee.
Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?
VII.
3. Hoe is de tegenwoordige toestand?
(2de Vervolg.)
Het presbyteriaal karakter onzer Herv. (Geref.) Kerk is aangetast in 1816 en in 18S2 is dat niet hersteld en goed gemaakt; neen! in beginsel is ook na, 1852 alles gebleven zooals het in 1816 op last des Konings is bedorven.
De ingrijpende verandering van 1816 met haar fatale gevolgen is gebleven tot op dezen oogenblik.
En zooals we zagen raakt dat de wyze van Kerkregeering; daar is een hiërarchisch beginsel in gebracht, waardoor het ambt plaats heeft moeten maken voor de bestuurslichamen.
Maar dat hing juist zoo nauw saam met de belijdenis der Kerk en dus met het wezen der Kerk.
Die het voorstelt alsof de deformatie onze Herv. (Geref.) Kerk alleen raakt de wijze van Kerkregeering; en die dan concludeert: de Kerkregeering raakt niet het wezen der Kerk, maar alleen het wél-wezen der Kerk — ziet, die zegt naar onze meening een waarheid met een leugen vermengd, wat niet zelden een zéér groote en gevaarlijke leugen isl
Want zeker, stonden de zaken zóo, dat er slechts een ingrijpende wijziging in de manier van Kerkregeering had plaatsgehad — zonder meer; ja, dan zouden we die onderscheiding tusschen het wezen en het wélwezen der Kerk óok zonder meer kunnen maken en daaruit conclusies trekken, zeggende : in het wezen der Kerk is in 1816—'52 niets veranderd bij vroeger; de verandering raakt alleen de wijze van Kerkregeering; en dus onze Herv. (Geref.) Kerk is in alles de Geref" Kerk van ouds, alleen in de manier van Kerkregeering niet.
Doch — die nuchter de dingen onderscheidt en eerlijk de dingen wil zien en zeggen, zal toestemmen, dat men dan toch eigenlijk waarheid en onwaarheid door een mengt en dus niet de werkelijkheid teekent zooals de werkelijkheid is.
Neen, het moeilijke, samengestelde, rampzalige in de huidige toestand van onze Herv. (Geref.) Kerk is, dat men in 1816 heeft gezegd : de wijze van Kerkregeering moet veranderd worden om practische redenen, maar de belijdenis der Kerk zal onveranderd blijven — terwijl in werkelijkheid van 't begin af tot nu toe steeds geknabbeld is aan de belijdenis der Kerk en men door de knabbeltactiek ook in werkelijkheid de belijdenis der Kerk — en daarin de prediking des Woords, de bediening der sacramenten en de oefening der tucht — onnoemelijke schade heeft toegebracht.
Het wezen onzer Herv. (Geref.) Kerk is niet veranderd: want de belgdenis der Kerk van voor 300 jaar is nog dezelfde belijdenis van heden.
Maar toch — en laten we dat goed voelen en ook openlijk uitspreken — die belijdenis onzer Herv. (Geref.) Kerk is zóo omtuind, zóo vastgelegd, zóo beknibbeld en zóo gedraaid, dat, ja zij ts er Gode zij dank nog, maar ze is zóo ingewerkt in allerlei bepalingen en omschrijvingen dat er óok veel verloren is gegaan in de practijk van het kerkelijk leven; zóo veel, dat het diep rampzalig is te noemen en noodzakelijk spoedig verandering en verbetering behoeft, wil de Herv. (Geref.) Kerk niet geheel ten gronde gaan.
Dat het ook de belijdenis der Kerk zou treffen wat de Koning zich in 1815 had voorgenomen — om dat 7 Jan. 1816 tot wet te maken — is van 't begin af aan aanstonds in onze Herv. (Geref.) Kerk gevoeld door predikanten en kerkeraden. Én veilig mogen we zeggen, dat het van 1816 tot op heden ÉEN GROOT PROTEST geweest is tegen de Synodale organisatie, óok — ja juis 't meest — omdat de belijdenis der Kerk gevaar liep en... loopt.
Reeds den 7den Maart 1816, dus twee maanden na de afkondiging, bracht de classis Amsterdam haar bezwaren ter kennisse des Konings in een belangrijk schrijven — waarin óok de vrees werd uitgesproken, dat de Synode wel eens de Formulieren van Eenigheid en de Liturgie zou kunnen veranderen.
De classis Leiden en Woerden dienden in Juli 1816 hare bezwaren in bij de eerste Algemeene Synode.
In Axel verklaarden al de kerkeraadsleden, éen uitgezonderd, dat zij zich aan de Synodale verordeningen niet konden en mochten onderwerpen.
Ds. Nicolaas Schotsman (1754—1822) stelde in 1817 duidelijk in 'tucht „de kunstgrepen, waarvan het hedendaagsche ongeloof zich bedient om den godsdienst door den Bijbel en den Bijbel door den godsdienst te bestrijden" — een antwoord op een vuil geschrift van Mr. H. W. Hoving te Groningen, die de. symbolische geschriften onzer Kerk „allerellendigste formulieren" noemde en dringend en vleiend den Koning had verzocht „deze Dordrechtsche kluisters te verbreken".
Da Costa schreef in 1823 zijn „Bezwaren tegen den Geest der Eeuw".
In 1827 verscheen er te Amsterdam een naamloos geschrift onder den titel: Adres aan alle mijne Hervormde Geloofsgenooten, waar met nadruk gewezen werd op de afwijkingen der leer — van welk geschrift de Haagsche predikant Dirk Molenaar de opstelier bleek te zijn.
En sinds heeft men niet gezwegen voor de Afscheiding noch na de Afscheiding. Men heeft geprotesteerd vóór de Doleantie en né. de Doleantie. Men protesteert nóg, uit alle deelen van ons Vaderland.
En dat al, omdat de wijze van Kerkregeering niet zóo is, dat het ambt tot zijn recht komt — en niet het minst, daar alles er op aangelegd is, om „de allerellendigste formulieren van eenigheid" stuk voor stuk over boord te werpen en „den godsdienst door den Bijbel en den Bijbel door den godsdienst te bestrijden".
Neen — wij vergeten die lange lijst van verzoekschrften, protesten, voorstellen enz. niet die sinds de invoering van de Synodale organisatie in 1816 bij de Synode zijn ingediend of in het midden van de Herv. Kerk zijn verspreid!
Laat men de Handelingen der Synode vaaav eens opslaan en laat men zich de namen van Schotsman, Molenaar, Ie Roy, Brummelkamp, de Cock, Engels, Moorrees, Callenbach, van Velzen, Gezelle Meerburg, Groen van Prinsterer, de Clercq, Bahler, de Hoest, Eykman, Detmar, Kuyper, Hoedemaker, Kromsigt, Gunning enz. enz. maar eens even herinneren en aanstonds wordt het duidelijk, dat van 1816 tot op dezen dag groote ontevredenheid geheerscht heeft en nog heerscht over de tegenwoordige bestuursinrichting onzer Herv. Kerk, omdat men wist, dat de leer die naar de godzaligheid is op schrikkelijke wijze door een „toevallige" meerderheid in de Synode geweld wordt aangedaan.
OI wat is er een lange en bange worsteling geweest sinds 1816 om toch bevrijd te mogen worden van de tegenwoordige bestuursinrichting — maar gelijk in 1841 een adres van 8790 gemeenteleden onder smaad en schimpwoorden aan het adres van „de gereformeerden" op zij gelegd is en zonder vorm van proces in de prullenmand geworpen, zóo is het steeds tot op dezen oogenblik gegaan.
Men telt de klacht der duizenden eenvoudig niet en een tiental mannen in den Haag doemt steeds elke poging om tot verandering te komen ten doode!
Hoe het met de belijdenis der Herv. (Geref. Kerk sinds 1816 is gegaan, willen we even in 't kort mededeelen. Voor uitvoeriger beschrijving verwijzen we naar andere artikelen die in ons Bondsblad reeds verschenen zijn.
In 1816 dan, — bij de invoering van het Algemeen Reglement, de grondwet der nieuwe kerkelijke organisatie, op 7 Januari 1816 No. 7 (welk reglement „met den meesten spoed en in deszelfs geheel, in den loop van dat jaar moest worden inwerking gebragt") — stond in art. 9 van het Algem. Regl.:
»De zorg van de belangen, zoo van het christendom in het algemeen, als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn."
In de grondwet der Kerk stond dus dat het hoofddoel van allen die in eenige betrekking met het kerkelijk bestuur belast waren o.a. moest zijn: de handhaving harer leer; d.i. dus de leer der Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
Maar.... de classis van Amsterdam was bezorgd, dat door de ingrijpende wijzigingen van 1816 en de eigenaardige samenstelling van de besturen „de zuiverheid van de leer der Hervormde Kerk" groot gevaar kon loopen, waarom zij een adres zond aan den Koning,
28 Maart 1816 antwoordt Z.Ex. de Commissaris-Generaal in naam des Konings en zegt o.a. „dat de geheele grondform van het Kerkbestuur en zelfs de oude namen behouden zijn" (wat natuurlijk een onwaarheid was, dewijl de "grondform" van den alouden presbyterialen Kerkvorm geheel verloren was gegaan, al waren de namen Synode, classis en Kerkeraad behouden; heel de wijze van Kerkregeering was principieel en eigenmachtig ge wijzigd, wat men aanstonds ziet indien men even de Dordtsche Kerkorde van 1619 opslaat); en Z.Ex. antwoordt dan verder: „Het Synode wordt thans niet opgeroepen, om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat de leer zelf betreft, zijn de verpligtingen van des zelfs leden, en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9de Artikel van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk.
Tegenover de uitgesproken bezwaren van de classis Amsterdam verklaart Hij die de nieuwe bestuursinrichting aan de kerk oplegde en het nieuwe Reglement gaf, dat het bij allen gaan moest om de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk.
in En Z.M. de Koning liet nog eens extra verklaren, dat Hij met ronde woorden in de grondwet der kerk had neergeschreven, waaraan ieder zich zou te houden hebben.
Zoo was en bleef dus de historische grondslag der Herv. Kerk de leer, — „hare leer" die begrepen was in de Ned, Geloofs belijdenis, den Heidelb. Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordrecht tegen de Remonstranten.
Het woord des Konings stond er borg voor!
Heel gerust was men er nog niet op. En bij de eerste algemeene Synode kwam een adres van eenige predikanten uit de classis Leijden en Woerden behelzende het verzoek de onderteekening der Formulieren van eenigheid te eischen van de predikanten en zorg te dragen dat „door de schikking en regeling van het Godsdienstonderwijs de eenmaal vast gestelde en aangenomen leer" niet zou verander worden, verzoekende de adressanten op deze punten van bezwaar „genoegzame en geruststellende opheldering."
En de Synode van 1816 (zie de vergadering van 16 Juli 1816, acta blz. 41) stelde hen gerust! De leer der kerk zou niet veranderd worden maar gehandhaafd; want allen die in eenige betrekking waren om de Kerk te besturen moesten en zouden daarvoor zorgen, daar 't alleen mannen moesten wezen die „aan de ware leer verkleefd" waren.
En wat de proponents formule betrof werd in art. 28 van het Regl. op het Examen en de toelating tot het Leeraarsambt in de Hervormde Kerk (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 30 July 1816 No. 1) voorgeschreven:
„De geëxamineerde zal verpligt zijn de navolgende verklaring en belofte af te leggen en met zijne onderteekening te bekrachtigen: „Wij ondergeschrevenen door het Provinciaal Kerkbestuur van (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken) tot den openbaren predikdicnst in de Nederlandsche Hervormde Kerk, geadmitteerd, verklaren bij deze opregtelijk: dat wij de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap in het bijzonder, door leer en wandel, zorgvuldig zullen behartigen; dat wij de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk is vervat, ter goede trouwe aannemen en hartelijk gelooven dat wij dezelve naarstig zullen leenn en handhaven en dat wij op de bevordering van godsdienstige kennis, christelijke zeden, orde en eendragt ons met allen ijver zullen toeleggen ; verbindende wij ons, bij deze onze handteekening, tot al het voorgeschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, des wegens ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde Kerkelijke vergaderingen."
Na dit art. 28 volgde dan art. 29, waarin stond:
»De geëxamineerde zal hierop met gepaste aanspraak door den President tot den predikdienst toegelaten en aan denzelven afgegeven worden het navolgende getuigschrift....« met dit slot: «Hebbende dezelve den, bij art. 27 van het Reglement op het examen gevorderden solemnelen eed gedaan, alsmede verklaring van overeenstemming met de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene forumlieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk vervat is: plegtig afgelegd en onderteekend.«
Terwijl dan nog waarborgen waren genomen, dat de proponenten, in den tijd tusschen hun examen en hun intree, niet ongemerkt zouden kunnen veranderen in „de leer", want in art. 35 was bepaald:
»De Kandidaat beroepen zijnde, zal, om te kunnen toegelaten worden tot den dienst der gemeente, waar hij beroepen is... bij handteekening verklaren bij zijne vorige onderteekende ' verklaring en belofte (zie art. 28) opregtelijk te persisteren.«
(Wordt vervolgd.)
Leugen.
De bestrijding van enkele orthodoxe leden der Synode dezes jaars tegenover de voorstellen tot wijziging van de proponentsformule enz. moet nog al kras geweest zijn.
(Wat zullen de modernen in hun vuistje gelachen hebben!)
Zoo is met name de naam van ouderling Menthen van Arnhem genoemd.
Die schijnt eens flink gescholden te hebben op de 3 Formulieren van Eenigheid en met name van den Heidelb. Catechismus te heb ben gezegd dat wat in Zondag 4 en 5 staat leugen is!
De meeste van onze lezers zullen wel zoo ongeveer weten wat er in die beide Zondagsafdeelingen staat.
't Is bovendien een oud praatje reeds zoo dikwijls uit den modern-ethiscken hoek vernomen !
Immers 't gaat over de schuld des menschen en de gerechtigheid Gods in den weg der verdoemenis en der verlossing.
(Wonder dat de heer Menthen ook Zondag 7 niet aanroerde.)
Gemakshalve laten we evenwel gaarne Zondag 4 en 5 hier volgen — opdat ieder wete wat „leugen" is in onzen ouden Heidelberger volgens het oordeel van den eerw. heer Menthen, ouderling of oud-ouderling te Arnhem, lid van de Synode, ethisch v . beginsel, trouw bondgeuoot van de modernen'j.
Zondag 4.
9de vraag; Doet dan God den mensch onrecht, dat Hij in Zijne Wet van hem eischt, wat hij niet doen kan? .
Antw. Neen Hij; want God heeft den mensch alzóo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mensch heeft zichzelven en al zijne nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van die gaven beroofd.
10de vraag. Wil God zulk eene ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antw. Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk, beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die, door een rechtvaardig! oordeel, tijdelijk en eeuwig straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen" (Gal. 3:10).
11de vraag. Is dan God ook niet barmhartig ? Antw. God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom eischt Zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde."
Zondag 5.
12de Vraag. Aangezien wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel, waa door wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
Antw. God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelven, óf door een ander, volkomenlijk betalen.
18de Vraag. Maar kunnen wij door ons zelven betalen?
Antw. In geenerlei wijze; maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
14de Vraag. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
Antw. Neen, want ten eerste wil God aan een ander schepsel do schuld straffen, welke de mensch gemaakt hééft; ten anderen kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
16de Vraag. Wat moeten wij dan voor eenen Middelaar en Verlosser zoeken?
Antw. Zulk eenen, die een waarachtig en rechtvaardig mensch is en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die tegeijk waarachtig God is,
Zulks noem de heer Menthen leugen. En vol zelfbewustheid sprak hij: die 60 predikanten mochten eerst wel eens onderzoeken wat het evangelie is, alvorens zij bij de Synode met voorstellen komen tot wijziging van de proponents formule!
Men moet maar durven. En toch is men geloovig-orthodox!
Is het evenwel wonder, dat er geloovig orthodoxen zijn die van zulke leden der Synode niet zijn gediend?
Dan zijn er in Gelderland toch zeker nog wel Andere geloovig-orthodoze ouderlingen te vinden!
De Vrije Universiteit.
Bijna was in een oogenblikje een zaak van ingrijpende beteekenis door de Synode beslist geworden, op een wijze die zeer zeker velen zou hebben verblijd, maar meerderen zeer zeker nooit hadden verwacht.
Dat zat zóo:
Het ging er wéér over, om de gemeente-Universiteit van Amsterdam, waar geen kerkelijke hoogleeraren zijn en allerlei slag professoren onderwijs geven in de theologie, op te nemen in den kring van hoogescholen waar de a.s. Hervormde predikanten mogen en kunnen studeeren.
Dat voorstel werd aangenomen, met 16 tegen 3 stemmen. De heeren Picard, Couvret en Weyland waren er tegen.
Alzoo kunnen onze a.s. Hervormde predikanten studeeren aan de Gemeente Universiteit te Amsterdam, waar de hoogleeraren benoemd worden door de Amsterdamsche Gemeenteraad en waar, om practisclie oorzaken, bijna uitsluitend remonstrantsche, doopsgezinde en luthersche predikanten tot professor zijn en worden benoemd; mannen als: dr. Völter, de Bussy, Bruining, Pont, van Bakel, Kühler en Hackman.
Toen dit voorstel aangenomen was, kwam Prof. van Veen met een voorstel om dan ook te erkennen het goed recht van de examens, die afgelegd worden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Werd deGemeente inrichting te Amsterdam erkend, wat zou er dan tegen zijn om de Vrije-Universiteit, die door het Rijk óok erkend is, in den kring van de Hoogescholen op te nemen?
Is het onderwijs aan de Vrije Universiteit niet even goed wetenschappelijk als aan de Gemeente-Universiteit?
Door niemand in de Synode werd eenig principieel bezwaar genoemd. Men kon op goede gronden, ontleend aan het onderwijs, niets aanvoeren wat er tegen pleitte.
Maar toen kwam het oude stokpaardje weer van de doleantie-haat, en in een oogenblik verklaarden zich onderscheidene leden van de Synode tegen het voorstel van Prof. van Veen.
't Ging daar tegen onze Herv. Kerk — zei men.
Wat niet waar is. 't Gaat daar om Gereformeerd hooger onderwijs.
Terwijl juist aan de Gemeente-Universiteit remonstranten, doopsgezinden en lutherschen onderwijs geven, die dus niet tot de Herv. Kerk behooren en grootendeels vierkant vijandig staan tegenover de waarheden, in onze belijdenisschriften neergelegd en verdedigd.
Men heeft dus de discussie op onwaardige wijze vertroebeld — waaraan Prof. Cannegieter niet weinig deel nam, terwijl Prof. Knappert in deze tegenover hem stond en beweerde, dat men verkeerd zou doen om het eene aan te nemen en het andere af te wijzen.
Ten slotte kwam het tot stemmen. En het voorstel van Prof. van Veen om ook het candidaats-examen van de Vrije-Universiteit te erkennen — haalde 9 stemmen, terwijl er 10 tegen waren.
Bijna dus!
Maar toch verworpen.
Waardoor we krijgen, dat remonstrant, doopsgezinde, lutheraan enz. wêl erkend worden door onze Herv. Kerk maar de gereformeerden van 1886 nog niet.
Men heeft zich nog niet boven z'n antipathie, over z'n haat en vijandschap in deze kunnen uitwerken.
Maar waar nu deze zaak hijna er door gehaald werd, waarbij ook modernen als Prof. Knappert en Ds. Bilerts de Haan vóór stemden daar is er wel hoop, dat we eindelijk in onze Herv. Kerk zóo ver zullen komen, dat we ook het onderwijs van de Vrije Universiteit als even wetenschappelijk leeren erkennen als 't onderwijs gegeven aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam.
Vóór het voorstel van Prof. v. Veen stemden: Prof. Knappert (modern), Prof. v. Veen, Koopmans, Bloem, Timmers, Menthen, Steenbeek, Eilerts de Haan (modern) de Groot en de president.
Bangmakerij,
Telkens stelt men het aan den kant der modernen voor — en de ethischen stemmen er van harte mee in — dat het toch allerdwaast is, om iemand in de Herv. Kerk te binden aan de 3 Formulieren van eenigheid. Dat zijn belijdenisschriften van voor 300 jaar terug!...
Dat is om in onze Kerk het gezag van die kerkelijke belijdenisschriften te ondermijnen; om haar beteekenis in twijfel te doen trekken bij velen; om velen bang te maken nog van de 3 Formulieren van eenigheid te gewagen.
Ze zijn zoo oud; ze zijn verouderd; ze behooren in een museum van antiquiteiten; liever misschien nog bij een koopman die in oud roest handelt.
't Is om je te geneeren nog met zulke dingen op vergaderingen te komen.
Maar laten wij dan hier het woord van den grijzen Voorzitter onzer Synode van het jaar 1914 eens met volle instemming aanhalen: , waarom mogen de belijdenisschriften niet genoemd worden, welks inhoud wij met ons bloed zouden willen onderschrijven? "
Neen I — wij laten ons niet bang maken door de modernen en ethischen, die in deze trouw in bond gaan.
Wij laten ons het recht niet ontnemen om te spreken van die belijdenisschriften en men wete het, dat wij den inhoud van die belijdenisschriften nog geheel voor onze rekening nemen.
Zoo uitnemend ia 300 jaar geleden de waarheid naar de Schrift uiteengezet en verdedigd!
En neen wij vinden het niets bespottelijks om die waarheid, voor 300 jaar uiteengezet, nu nog te onderschrijven.
Zeker! het kan besproken worden of het, ziende op onderscheidene secten, dwalingen, leeringen van onze dagen niet noodig en nuttig zou wezen, indien de belijdenisschriften hier en daar werden aangevuld, verduidelijkt of uitgebreid.
Maar ten 1e zou dan het kerkelijk leven anders behooren te zijn om dat te ondernemen; en 2e is het niet allernoodzakelijkst te noemen, daar de gronddwalingen in de belijdenisschriften onder de oogen zijn gezien en kostelijk zijn weerlegd.
Wie de gereformeerde waarheid liefheeft, zijnde de waarheid naar de Schrift, door onze Herv. Kerk steeds beleden, zal moeten erkennen, dat hij zich in de 20ste eeuw voor de 3 Formulieren van Eenigheid in geen enkel opzicht behoeft te schamen en tegenover de leeringen der 20ste eeuw nog altijd van harte die belijdenisschriften kan onderschrijven.
Neen — men moest nu ophouden met te schermen: die 3 Formulieren van Eenigheid zijn al 300 jaar oud en dus kunnen wg ze nu niet meer gebruiken.
Men moet eerlijk zijn en zeggen: de gereformeerden kunnen de 3 Formulieren nog even goed gebruiken als voor 300 jaar, want het gaat nog altijd in hoofdzaak om dezelfde dingen, zoowel rechts als links — maar wij modernen, wij haten den inhoud van die belijdenisschriften als de pest; zooals 300 jaar geleden. de Arminianen er tegenaan briesden, zoo kunnen we ook nu die geschriften niet uitstaan en daarom: weg met die rampzalige belijdenis!
Omdat men den inhoud van die geschriften haat, daarom wil men er niet van weten.
Welken inhoud wij aanvaarden en blijven aanvaarden, biddende, dat de naneef nog eeuwen lang dat onderwijs ontvang'.
Wel wat verwaand!
't Is de trots der modernen, dat zij zich niet houden aan die oude belijdenisschriften van voor 300 jaar.
Oud en beschimmeld brood! Wie er lust in heeft die ete er van — maar de vrijzinnige Hervormden bedanken er voor.
Neen — dan hebben zij wat anders. Nieuwe openbaring; nieuwe ervaring; nieuwe wijsheid; nieuwe waarheid.
En zóo moet het ook. Ieder moet zélf wat vinden en zélf wat ervaren en zélf wat weten en zelf wat vertellen.
Niet napraten Maar och, arme! Wat is die eigen vinding, die eigen ervaring, die eigen waarheid die men z'n.eigendom mag noemen?
't Is uit de oude doos; 't is van een ander afkomstig; 't is al lang veroordeeld.,
't Is uit de nalatenschap van Arius die een paar honderd jaar na Christus leefde en door Athanasius reeds ontdekt werd als een leugenleeraar te zijn;
't Is ontleend aan Pelagius, den man van den vrijen wil ten goede — die leerde dat de zonde als gebrek was te beschouwen en niet als schuld — door Augustinus reeds wederstaan als een die ongoddelijke leeringen verspreidde,
't Is naar het systeem van Arminius, die in Gomarus zijn bestrijder vond en zijn leeringen te Dordt in 1618-'19 zag veroordeeld.
Neen — als men nu toch van oude dingen wil spreken, dan moet men bij de modernen zijn, die gretig aannemen wat honderde jaren geleden door de kerk van Christus reeds verworpen werd als strijdig met Gods Woord!.
Wel vriendelijk
De Moderne is telkens zoo vriendelijk om ons toe te voegen: Waarom blijft gij in de Herv. Kerk daar gij toch weet, dat de Herv. Kerk is ingericht voor alle wind van leer.
Maar wij antwoorden: de Herv. Kerk heeft haar belijdenis; die belijdenis is nog steeds van kracht — en alles wat die belijdenis wil verkrachten is er bij gekomen, is er in geslopen en weet zich nog steeds door een ongelukkige samenstelling van het hoogste wetgevende lichaam sukkelig en knoeierig te handhaven — wat denkt gij nu, dat wij gaan loopen, omdat gij u wederrechtelijk handhaaft en knoeierig de dingen weet te vertroebelen?
Dat nooit!
Integendeel, wij zullen uw ongeoorloofd handelen en drijverig schikken en plooien hoe langs hoe meer openbaar maken en brandmerken.
Maar heengaan, neen, dat doen we niet!
Uitrekenen.
Men is aanstonds aan 't uitrekenen gegaan in het kamp van de vrijzinnige Hervormden hoe de kansen het volgend jaar zullen staan ten opzichte van het wil of niet aannemen der voorgestelde wijziging in art. 39 Regl. Godsd.onderwijs.
Want men weet dat nog maar voorloopig is aangenomen, dat de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak" zullen vervallen in het art. waarin de 3 belijdenisvragen zijn voorgeschreven.
Deze wijziging moet nu eerst een jaar lang langs alle mogelijke kerkelijke wegen wandelen, om dan in 1915 in de Javastraat te den Haag waar de Synode in Juli—Augustus zal vergaderen, terug te komen en dan daar tè hooren of deze wijziging wet zal worden of., , in de prullenmand (die groote !) zal komen.
De Synode van 1915 zal daar ten slotte over hebben te beslissen — en wanneer de voorloopige wijziging van 1914 en in het jaar 1915 wordt vastgesteld en tot wet gemaakt, dan zal de nieuwe bepaling 15 Januari 1916 inwerking treden.
Wat zal de Synode van 1915 nu doen?
Men is aan 't uitrekenen gegaan — want die Synodale machinerie zit wonderlijk in elkaar — en werkelijk! men kwam in het midden van de vrijzinnige Hervormden tot de verrassende ontdekking, dat de Synode van 1915 het werk van de Synode van 1914 wel ongedaan zou maken.
Dr. Niemeyer heeft dat uitgerekend en Ds. Kater heeft dat uitgerekend en de een met den ander was uitermate verheugd over dit fortuintje.
Dat zit zóo:
In 1914 zond Geld. 2. Z.Holland 2, N.Holland 2, Friesland 2 en Groningen 2 afgevaardigden naar de Synode. Dat is in 1.915 net precies zoo. Die 5 „groote" provincies zenden elk jaar ieder 2, samen 10 leden (7 pred. en 3 ouderlingen) naar de Synode. Maar met Zeeland, Utrecht, Overijsel, N.Br.-Z-Limburg, Drenthe en de Waalsche Commissie is dat anders. Die zenden élk jaar minstens 1 predikant, maar er zijn ook jaren, dat 3 van die provincies (de Waalsche Commissie wordt ook gerekend gelijk een prov. ressort) behalve 1 predikant nog 1 ouderling afvaardigen mag.
Er zijn dus altijd 19 leden in de Synode, 13 predikanten + 6 ouderlingen.
Maar die 6 ouderlingen komen niet altijd uit dezelfde provincies.
En ziet — zoo kan het een groot verschil maken of b, v, Utrecht een ouderling afvaardigt of Drenthe.
Hoe staat het nu voor 1915? We willen de lijst van 1914 eens naast die van 1915 plaatsen, dan kan men weieenen ander opmerken.
1914 1915 Zeeland 1 afgev, ook één Utrecht 2 „ slechts éên Overijsel 2 „ . ook twee N.Br.+Limb.2 „ . " ook twee Drenthe 1 „ dan twee Waalsche Cl „ ook één
Zooals men ziet zit de verandering in Utrecht en Drenthe; want Utrecht zendt in 1915 een minder en Drenthe een méér.
Voor Utrecht valt dus Prof. van Veen, ouderling te Utrecht, af — en voor Drenthe komt er een ouderling bij.
En dewijl Prof. v. Veen vóór gestemd heeft zal 5 er in 1915 éen stem minder voor het voorstel zijn — en van 10 voor nu 9 voor worden, terwijl Drenthe, zoo schreef men, er wel voor zorgen zal een modern ouderling te zenden die tegen zal stemmen.
De voorstanders (10) alzoo met éen verminderd (Prof. V. Veen) — en de tegenstanders (9) alzoo met éen vermeerderd (de Drentsche ouderling), waardoor het voorstel in 1915 dus zou worden van de baan geschoven !
Wat een vreugd!
Maar.... daar doet zich nu reeds een addertje voor onder 't gras.
Want de modernen gingen bij hun rekenen zoo zeker op een modernen Drentschen ouderling, terwijl het blijkt dat dit nu nog niet zoo héél zeker is.
Plotselinge schrik!
En er zal een vergadering belegd worden waarin de heeren overwegen zullen wat ze hebben te doen.
Gelukkg dat de Heere regeert. En intusschen zullen ook wij overleggen, hoe we bij deze dingen, waar zooveel van afhangt, hebben te handelen.
En op de Classicale Vergaderingen én in de Prov. Kerkbesturen moet in deze een getuigenis gehoord worden; en ziende op de stemmen in die kringen dit jaar gehoord, hebben we goeden moed, dat men vrij algemeen zal voelen en uitspreken, dat aan het schrikkelijk misbruik, door vrijzinnige Hervormden nu zoo lange van de tegenwoordige redactie van art. 39 gemaakt, eindelijk paal en perk moet worden gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's