Stichtelijke overdenkin.
En David kreeg lust en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is? Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het en kwamen tot David; doch hij wilde het niet drinken, maar goot het uit voor den Heere! 2 Samuel 23 : 15 en 16.
Water uit Bethlehems bornput.
Daar stond David op een der vooruitstekende rotsen; bij de spelonk vau Adullam. En zijn oog tuurde in de verte naar Bethlehem, zijn geboortestad, maar nu bezet door de Filistijnen. Allerlei jeugdherinneringen rijzen voor zijn geest op, maar die vredetijd, dat hij in Efrata's velden de schapen zijns vaders hoedde, is voorbij; zijn leven is nu in letterlijken zin strijd, nu hij zijn legerscharen aanvoert tegen de Filistijnen, 't Is oogsttijd, maar niets is van dien rustigen veldarbeid in zijn omgeving te bespeuren door den oorlog alleen herinnert aan dien tijd de felle middagzon, die haar heete stralen neerzendt en de kale rotsen onder zijn voet doet gloeien. Hij smacht van dorst en als hij dan denkt aan die koele bornput, daar in Bethlehems poort, komen onwillekeurig de woorden over zijn lippen: „Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is? "
Wanneer een kind des Heeren hoort van Bethlehems bornput, denkt hij meest niet meer aan dat frissche, heidere water, dat David vroeger zoo verkwikt had in de schaduw der stadspoort, maar zijn geest is bezig met dat water des levens, waarvan Jezus meermalen sprak, dat water dat lescht ten eeuwigen leven en opborrelt, als ik het zoo zeggen mag, uit de bornput van Christus' kruisverdiensten.
Hoe heugt hem de tijd, dat hij door Gods Woord en Geest overtuigd was van zondeschuld en verdorvenheid, onder de heete, lichtende stralen van Gods heiligheid en gerechtigheid dorstte naar verzoening en vrede met God. Maar daar was geen water, dat zijn gekloofde tong verkoelde, tot de Heere in ontferming hem bracht bij Golgotha's kruis en hij schuldvergiffetds smaakte, louter uit genade door Christus' kruisverdiensten.
Hoe verder de Heere leidt op den weg des levens, des te meer wordt verstaan, dat er rijkdom van water is in die bornput van Christus: water van vergeving, van vernieuwing, van heiligmaking, van behoudenis en volmaking, water van vertroosting in droefheid, van leiding in de wederwaardigheden des levens.
Maar nu is het kind des Heeren menigmaal gelijk aan David, daar in de bergvesting van Adullam. In allerlei zielestrijd komt als een jeugdherinnering op, dat drinken uit die fontein van Christus' genade. Als in de verte wordt die bornput aanschouwd, maar onbereikbaar. Verdorvenheid des harten, wereldzin, ongeloof, onboetvaardigheid, biddeloosheid en nog veel meer zijn als een legermacht, die de ziele scheidt van de Bron des levens. Omdat men vroeger gedronken heeft uit die Fontein des heiis, kan geen ander water meer den dorst naar het gemeenschapsleven met God lesschen. Smachtend en kwijnend zucht de ziel met David: „Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput? "
De smartkreet van David was gehoord door de drie helden aan zijn zijde, mannen blijkbaar, die hun leven veil hadden voor hun vorst. Ziet, zij zijn reeds op weg, om van dat begeerde water te halen. Een hartewensch van hun koning doet hen met leeuwenmoed kampen, om door het leger der Filistijnen door te breken. En waarlijk zij komen terug met helder, koel water, geschept uit Bethlehems bornput en bieden het hun vorst aan.
Tot in het diepst zijner ziel is David ontroerd door zooveel liefde en toewijding. Dat is hem te veel en te machtig, dat deze helden hun leven waagden, enkel om zijn dorst te lesschen. Onder die grootmoedigheid wordt David klein. Hij ge^-oelt: hem komt dat water niet toe, zulk een zelfyerloochenende liefde is Gode alleen waardig. En als een dankoffer goot hij het uit voor den Heere, blijde ontroerd dat zijn mannen niet waren omgekomen op dien gewaagden tocht. „Het zij verre van mij, o Heere", zoo sprak hij, „dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? "
Hoe menige ziel, die God, Zijn gemeenschap en vrede mint, ziet hier met jaloerschhëid op David, die omringd is van zulke helden. Op geestelijk gebied staan zij alleen, meenen zij.
In hun dorst vreezen zij te zullen versmachten.
Maar zou God, die het gepiep der zwaluwen en het geroep der jonge raven hoort en ze voedt uit Zijn milde hand, het geroep Zijner ellendigen dan vergeten?
Neen „Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht. Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht."
En als de Heere nabij is, zegt dat meer dan dat drie helden aan Davids zijde stonden.
Wat Jesaja ter bemoediging uitsprak voor het moedelooze Zion, het wijzend op de sterren des hemels, schrijven wij neer met het oog op de Fontein des heils, in Christus geopend, voor al wie leerde dorsten naar gerechtigheid en genade: Heft uwe oogen op omhoog, en ziet, wie deze dingen geschapen heeft." (Jes. 40:26).
Merkt gij dan niet, dat meer dan drie krijgsknechten, dat de drie Personen van het Goddelijk Wezen steeds bezig zijn het smachtend Zion te lesschen met het Water des levens?
Is niet reeds in den Vrederaad van den Drieëenige besloten tot het openen van de bornput van Christus' kruisverdienste ? Ja uit den Eeuwige welt dat levenswater op. De Vader heeft Zijn geliefden Schootzoon niet te dierbaar geacht en Immanuel heeft Zich opgeofferd tot in den kruisdood, opdat het Levenswater weer zou opborrelen van onder het altaar. En waar gij, schuldverslagen ziel, in het Paradijs „de Springader des levenden waters" hebt verlaten, is de Heilige Geest voortdurend bezig u weg te voeren van „de gebroken bakken", die geen water houden, en u heen te leiden tot Christus, de Fontein des levens. En deze Fontein is geen dood ding, als de bornput in Bethlehems poort, neen, uit den levenden Christus zelf wordt geschonken genade voor genade. En déze verheerlijkte Heiland zelf heeft er de beschikking over, terwijl in Davids toestand de Filistijnen de bornput in hun macht hadden. En nog klinkt van Jezus' lippen: „Zoo iemand dorst, hij kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijker wijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien."
De van God ontdekte ziel is echter ook alle eigen kracht kwijt en ziende op de Filistijnen, die scheiding maken, klaagt zij: „ik ben ingesloten en kan niet uitkomen."
't Is echter opmerkelijk, dat wij niet van deze drie helden lezen, toen David nog rustig op zijn geboortegrond leefde; ook niet, toen hij in de weelde van Sauls hof deelde, maar dat ze aan zijn zijde gevonden werden, toen hij in woestenijen als balling omzwierf en op leven en dood strijden moest met allerlei vijanden, die hem omringden. Toen beschikte de Heere die helden bij hem.
Welnu, als de zondaar ingesloten, schuldig en hulpeloos, het leven niet in eigen hand kan houden en uit diepte van ellende roept naar omhoog, dan werkt Gods Geest in dien ellendige hartgrondig berouw, innig smeekgebe en toevlucht nemend geloof en zij zijn als 't ware drie helden, die de ziel verkrijgt, om door den vijand heen te breken en gelaafd te worden uit Christus' heilbron. Of liever, in die genadegaven deelt de Drieëenige zichzelf aan het hart mede en kan de hulpelooze ziel roemen: „Met mijn God dring ik door een bende, ik zal niet vreezen voor tienduizenden des volks."
Zalig als de Heere zoo een Helper en alles vervullend God voor Zijn zwak en machteloos volk blijkt en de dorstenden doet drinken uit Zijne volheid.
Dan drinken ze, want dat drinken is leven der ziel, maar toch verstaan zij ook, dat David het water, tegen zoo duren prijs verkregen, uitgoot voor den Heere.
Wonderlijk: dagen en nachten heeft men geroepen om genade, vergeving, gerechtigheid, kracht en troost. En als dan de Heere dat water des levens schenkt, durven ze bijna niet te drinken, maar spreken met Petrus: „Ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch, " Betreffende den duren prijs, dat dit Water des levens betaald is geworden met Christus' hartebloed, spreekt hun hart:
„Laat U mijn tong en mond En 's harten diepste grond Toch weibehaaglijk wezen; O Heer', die mij verblijdt, mijn Rots en Losser zijt. Dan heb ik niets te vreezen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's