Staat en Maatschappij.
Drie opmerkingen beantwoord.
Bij de behandeling van het buitengewoon crediet van de 50 millioen voor ooriogsuitgaven werd door den heer Duymar van Twist een drietal opmerkingen gemaakt en naar aanleiding daarvan enkele vragen aan de regeering gesteld.
De drie opmerkingen betroffen:
1e. de revaccinatie der militairen. 2e. de wijze van benoeming der veldpredikers.
3e. het eventueel verleenen van financieelen steun aan militaire tehuizen en militaire vereenigingen.
De regeering heeft in een Nota aan de Kamer ter beantwoording van verschillemde beschouwingen ook hare aandacht aan deze opmerkingen gewijd.
De opmerking onder nummer êen gold de klacht over dwang, welke door officieren van gezondheid zou uitgeoefend zijn op militairen, die bezwaar maakten om zich aan revaccinatie te onderwerpen. Daarbij schijnen sommige militairen bepaald overlast ondervonden te hebben, Aan den Minister van Oorlog werd nu gevraagd op welke gronden militairen, die bezwaren hebben gerevaccineerd te worden, gedwongen kunnen worden om'dit toe te laten.
In antwoord op deze vraag nu deelde de Minister mede, dat er duidelijke en strenge voorschriften bestaan dat bij vaccinatie, respectievelijk revaccinatie van militairen, door de officieren van gezondheid daarvan moeten worden uitgezonderd diegenen, die daartegen bezwaar maken wegens gemoedsbezwaren of om andere redenen, en dat op hen geen dwang mag worden uitgeoefend. Voorts voegt de Minister aan deze mededeeling toe, dat toen het wenschelijk bleek, na de mobilisatie, aan militairen gelegenheid te geven te worden gevaccineerd, er nogmaals op gewezen werd, dat dwang niet mag worden uitgeoefend.
Wij zijn den Minister voor deze alleszins bevredigende mededeeling dankbaar. Het kan ook baast niet anders of een ieder die om welke reden dan ook be/waren maakt om gevaccineerd of gerevacciiieerd te worden, blijft vrij om de kuustbewerking al of niet te ondergaan.
Toch laat de Minister bet niet bij de vermelding der voorschriften alleen, hij verklaart zich ook bereid om wanneer bij een of ander korps van de bepaling mocht zijn afgeweken, daarnaar een onderzoek in te stellen.
Niet zoo geheel bevredigend als het antwoord op de eerste opmerking, lijkt ons hetgeen door de regeering wordt gezegd over de tweede n.l. de wijze van benoeming der veldpredikers.
Bij de vraag van den afgevaardigde uit Steenwijk om ingelicht te worden over de wordingsgeschiedenis van het instituut van veldprddikers en aalmoezeniers bij het leger en de wijze, waarop de keuze van de benoemden heeft plaats gehad, zat klaarblijkelijk de bedoeling voor om te mogen vernemen welk verloop de onderhandelingen met de Kerken hebben gehad en voorts of de voordracht der benoemden rechtstreeks door de regeering werd gedaan dan wel of er eene zelfstandige* nominatie door de Kerken was opgemaakt en de regeering zich daaraan gehouden heeft.
Deze vraag is van beteekenis vooral in verband met de benoeming van de veldpredikers van de Ned. Herv. Kerk.
Van de vier benoemden zijn er toch twee van orthodoxe richting en twee van moderne richting onder welke laatsten de socialist ds. Bakker. Was dit zoo naar den wensch van de Synode, of heeft de regeering soms op de voordracht der Synode, indien deze voordracht door dit hoogste kerkelijke lichaam opgemaakt werd, invloed uitgeoefend?
Wat in de Nota op dit punt voorkomt, is niet recht duidelijk.
Daar wordt gezegd: „Ten einde nu zooveel mogelijk bevrediging te schenken en de verschillende gezindten zooveel doenlijk te vertegenwoordigen werd besloten per divisie (er zijn er vier) twee predikanten voor een benoeming tot veldprediker in aanmerking te brengen; men kon dan in algemeenen zin aan de orthodoxe en de moderne richtingen gelijk, recht laten wedervaren. Zoo werden na raadpleging met de betrokken Kerkbesturen benoemd: van de Ned. Herv. Kerk twee van orthodoxe en twee van moderne richting; van de Doopsgez. Kerk éen van moderne richting, van de Gerof. Kerken en de Chr. Ger. Kerk elk éen van orthodoxe richting en eindelijk van de Evang. Luth. Kerk éen van moderne richting.
In deze mededeeling is niet heel duidelijk hoever de bemoeienis der Kerken is gegaan.
Welke beteekenis valt er tejj hechten aan de woorden: „na raadpleging met de betrokken Kerkbesturen"?
Voor de eere van de Ned. Herv. Kerk is het gewenscht, dat alsnog het volle licht over deze zaak wordt ontstoken. Het kan toch haast niet verwacht worden, dat de Ned. Herv. Kerk de verhouding van de richtingen in de Kerk kennende, voor de vier plaatsen twee modernen, waaronder dan nog liefst een sociaal democraat op de nominatie bracht.
Maar heeft dan de regeering den socialist op de voordracht gezet?
Dit duistere punt vraagt om nadere verklaring.
En ten slotte de 3de opmerking van den Steenwijkschen afgevaardigde wat betreft het eventueel verleenen van financieelen steun aan militaire tehuizen en militaire vereenigingen.
Door verscheidene leden der Kamer was aangedrongen geworden om regeeringssteun te verleenen aan de neutrale commissie tot ontwikkeling en ontspanning van militairen. Ging nu de regeering daartoe over dan was het niet meer dan billijk dat ook aan de militaire tehuizen gedacht werd. Deze inrichtingen hadden zich toch reeds van af begin Augustus beijverd om op verschillende plaatsen in den lande voor de ontwikkeling en de ontspanning der militairen bezig te zijn.
Vandaar de opmerking welke van antirevolutionaire zijde gedaan werd.
Welk antwoord heeft de regeering nu op deze opmerking gegeven?
Na medegedeeld te hebben dat aan de commissie Bos (d.i. bovengenoemde neutrale commisie tot ontwikkeling en ontspanning) bereids steun is verleend, teekent zij aan: dat kan worden medegedeeld, dat aan de militaire tehuizen reeds subsidie wordt verleend; mochten — zoo gaat de regeering verder — in de gegeven omstandiglieden de middelen dier tehuizen te kort schieten, dan zullen de besturen zich kunnen wenden tot de Commissie-Bos, die de organisatie over het geheele land in handen heeft.
Wij hebben onze oogen haast niet kunnen gelooven, toen wij dit antwoord van den minister lazen.
Zeker, het is juist dat aan de militaire tehuizen reeds subsidie wordt verleend. Het is de gewone jaarlijksche subsitlie die aan den Ned. Mil. Bond wordt toegekend; welke Bond ieder van zijn aangesloten tehuizen uit dit subsidie een kleine bijdrage toeschikt. Maar kan op dit subsidie, dat voor een gedeelte in den jaarlijkschen onderhoud van de tehuizen voorziet, in deze tijden een beroep worden gedaan? '
De kosten die avond aan avond in de Tehuizen moeten gemaakt worden om het groote aantal bezoekers te ontvangen zijn toch zoo reusachtig, dat het kleine subsidie dat de Ned. Mil. Bond ontvangt daarvoor niet meer dan een druppel in den emmer is. Daar komt bovendien nog bij dat het aantal Tehuizen door het inrichten van tijdelijke verblijven haast vervijfvoudigde. Uit dien hoofde moet het verwondering wekken dat de Minister aan de subsidie die reeds aan de militaire tehuizen wordt verleend, herinnerde. Maar nog onbegrijpelijker is de verwijzing van de besturen der tehuizen naar de neutrale Commissie-Bos die, zooals de regeering aanteekende, de organisatie over het geheele land in handen heeft. Bij die commissie zal wanneer de middelen der tehuizen tekort schieten, om financieelen steun kunnen worden aangeklopt.
Van dit antwoord begrijpen wij niet veel. In den gedachtengang van den Minister zullen als wij het goed begrijpen de militaire tehuizen zich moeten gaan beschouwen als een onderdeel van de organisatie van de commissie Bos. Die commissie zal dus mede zeggenschap krijgen in den arbeid in de militaire tehuizen, waardoor dan natuurlijk de vrijheid van beweging wordt aanbanden gelegd. Dit kan, wat van zelf spreekt, bij geen der besturen instemming hebben. Ook de minister kan zulks niet willen.
Maar hoe hebben wij dan het antwoord van den minister te verstaan?
Het beste is maar om aan te nemen, dat het antwoord van de regeering niet voldoende doordacht is, waarvan de reden kan zijn, dat de minister met de inrichting en den arbeid der tehuizen onbekend is.
Hoe dit echter zij, ook omtrent dit punt zal het laatste woord niet mogen gesproken zijn.
Wordt de neutrale commissie Bos van regeeringswege gesubsidieerd, dan hebben ook de militaire tehuizen recht op steun van overheidswege.
Verzet van links.
De politieke rust schijnt op ernstige wijze verstoord te zullen worden. Wel kwam er nu en dan eens een kink in den kabel, maar toch hield de oppositie zich, ondanks dat men haar prikkelde, trouw aan het Bestand.
Thans lijkt het dat de wind uit een anderen hoek zal gaan waaien. Het overgroote deel der vrijzinnigen met de sociaal-democraten incluis hebben het er op gezet om het Kabinet tegen te staan. Minister Treub is daarbij de kwade man. De voorstellen van dien bewindsman om door het uitschrijven van een leening in het tekort in de schatkist te voorzien, hebben niet de onverdeelde instemming der linkerzijde.
Integendeel, alles wat zich aan de linkerzijde democraat noemt, verklaart zich daar vierkant tegen. Met alle kracht zal men zich van dien kant tegen het Kabinet verzetten, desnoods met aanvaarding van alle politieke gevolgen, die aan dat verzet zullen verbonden zijn.
Binnenkort wachten ons dus gewichtige beraadslagingen in het parlement.
Staan de democraten links dan schouder aan schouder, minister Treub zal niet minder geharnast in het, strijdperk treden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's