De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Schrift en Belijdenis.

Dat blijft voor den moderne toch maar een lastig ding, om te begrijpen hoe de gereformeerde zich de verhouding denkt tusschen den Bijbel en de belijdenis der Kerk,

Dr, Niemeijer zit er in het Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden ook weer mee te tobben.

Hij had het Concept-Regl. voor de Afdeelingen van de Geref, Bond gelezen, dat in „de Waarheidsvriend" heeft gestaan (tusschen twee haakjes: art. 4 van de statuten, bevattende dezelfde woorden, heeft er misschien al 25 maal ingestaan, zonder die opmerkingen uit te lokken!) en daar stond het weer: „de Heilige Schrift, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid" (art. 2)

Ziet Ge wel — zoo roept Dr, Niemeijer aanstonds triumfantelijk uit — dat de Gereformeerden de belijdenis boven Gods Woord stellen!

Wat onnoozel toch, zeggen we.

Want wanneer wij zeggen: „de Heilige Schrift, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, " dan weet ieder, die de belijdenis onzer Herv. (Geref) Kerk ook maar éen maal in z'n leven gelezen heeft, dat er een zeker art. 7 in de Ned, Gel. belijdenis staat.

En dat art. 7 luidt:

 »Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den den wille Gods volkomenlijk vervat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de geheele wijze van den dienst, welken God van ons eischt, aldaar in den breede beschreven is, zoo is het den menschen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt (Gal. 1: 8). Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel, dat de leer deszelven zéér volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook niet de schriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, vergelijken bij de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte bij de waarheid Gods, (want de waarheid is boven al) noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de opvolging van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten. Want: de menschen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: beproeft de geesten of zij uit God zijn" (1 Joh. 4:  als ook: zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet" (2 Joh, : 10)

"Die dus leest dat de grondslag van een vereeniging is: „de Heilige Schrift, opgevat n overeenstemming met de 3 Formulieren van eenigheid, " die dient dus te weten — en te onthouden! — dat die vereeniging van dit beginsel uitgaat: „de H, Schrift is de eenige regel van leer en leven; daarin is ons alles gegeven wat we noodig hebben te weten tot eere Gods en tot zaligheid dea des menschen; niemand, zelfs geen engel, mag een ander evangelie prediken dan daarin ons is geopenbaard; en geen menschelijk geschrift mag ooit van gelijke waarde geacht worden met den Bijbel — Gods Woord boven alles en boven allen, "

Geen paus staat boven Gods Woord.

Geen dogmatiek eerst — om dan met die dogmatiek tot de Schrift te gaan en de Schrift plassend te maken aan die dogmatiek.

Geen gewoonten, besluiten enz. — om dan vast te houden aan die gewoonten, zelfs tegen den zin van Gods Woord in.

Neen, Gods Woord en Gods Woord alleen „overmits de geheele wijze van den dienst, welken God van ons eischt, aldaar in den breede beschreven is en de wille Gods ons daarin genoegzaam geopenbaard is."

En hoe meer die Bijbel, dit beschreven. Woord Gods, 't welk zijn aanzien en autoriteit van God zelf heeft, in het midden van de Gemeente leeft, hoe beter. Dan zal men zich niet door alle wind van leer laten vervoeren en door een valsch evangelie laten misleiden — maar dan zal men ervaren „inzonderheid, dat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat alle deze boeken van God zijn; en dewql zij ook het bewijs daarvan bij zich zelven hebben, naardien de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden." (art, 5 Ned. Gel. bel.)

Overeenkomstig de 3 Formulieren van eenheid gelooven en belijden wij dus, dat de H. Schrift boven alles gaat — en dat de H. Gees van de waarheid der Schrift levend en klaar bewustheid geeft in de harten van de geloovigen. Dat de Schrift geest en waarheid, leven en wijsheid is en meer en meer wordt voor een iegelijk die gelooft  een levend lidmaat der Kerk van Christus mag zijn.

Waarbij wij dan gelooven en belijden, dat God de H Geest in den loop der tijden aan de kerk van Christus op aarde uit die H. Schrift onderscheidene dingen bizonder duidelijk gemaakt heeft en bijzonder naar voren heeft gebracht tot vertroosting en bevestiging der geloovigen ook tot verdediging en behoud der kerk.

Waar de Geest komt is leven; leven uit God, leven in de waarheid, leven bij Gods Woord — en dat leven openbaart zich door Gods Woord na te spreken en te vertolken, uiteen te zetten en te verdedigen, opdat binnen de grenzen de kinderen Gods worden vertroost en onderwezen en tegelijk ook degenen die buiten staan en binnen willen vallen met wapenen, ontleend aan de ijdele filosofie en zondige wereldsche wijsheid, geduchten tegenstand zullen ondervinden bij hen die weten, dat Gods Woord niet tevergeefs een zwaard des Geestes genoemd is en dé leer naar Gods Woord krachtig en helder gesteld moet worden tegen over de leer der wereld (2 Joh. : 10)

Zoo is de Kerk van Christus gekomen aan de Apostolische geloofsbelijdenis met haar 12 artikelen, om, beginnende met de betuiging dat God de Vader, de Almachtige, hemel en aarde geschapen heeft en eindigend met den blijden jubel, dat er een eeuwig, zalig leven wacht voor Gods kinderen, intusschen kortelijk uit een te zetteu de hoofdwaarheden des christelijken geloofs.

En zoo is, gewrocht van Gods Geest, die in alle waarheid leidt, te midden van de worsteling der eeuwen dezelfde belijdenis steeds strenger bepaald en meer systematisch aan een geklonken, om te worden dat monumentaal bouwwerk van de Dordtsche vaderen, in den name des Heeren óns, hunnen kinderen, overgeleverd.

Als vrucht des Geestes is ons de belijdenis der Kerk geworden, en als een gewrocht Gods hebben onze Vaderen dezelve steeds aangenomen en volgaarne nagesproken; want de Geest getuigde met hunnen geest, dat het de waarheid Gods was, die van alle kanten door knechten des satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veranderden, werd aangevallen en gelasterd, maar die, des ondanks niet mocht worden los gelaten, integendeel, krachtig moest worden beleden en verdedigd.

De Gereformeerde gelooft dus, dat in het midden der Kerk naast den Bijbel altijd een belijdenis is geweest en zal blijven.

Eerst kort, later wat uitvoeriger, nu meer uitgebreid nog — al naar de behoeften der lijden zij en, de Geest Gods de Gemeente komt leiden in alle waarheid.

Zonder een belijdenis naast Gods Woord kan de Kerk niet.

En bij die belijdenis staat bij den gereformeerde dan altijd vast, dat zij 't wettig eigendom der Kerk is; dat zij geen bron der waarheid is, — dewijl Gods Woord alléén dat is —, maar een getuigenis der kerk, onder de kennelijke leiding des H Geestes geworden, dat van groote waarde is tot verduidelijking en bevestiging der goddelijke waarheden; dat zij diens volgens door niemand individueel, noch met beroep op Gods Woord noch met beroep op de rede, mag worden op zij gezet of krachteloos gemaakt — maar dat de kerk deze hare belijdenis heeft te eeren, te leeren en te handhaven, zoolang door de kerk zelve in kerkdijken weg niet ordelijk en ernstig is aangetoond en vastgesteld, dat, naar uitwijzen van de Heilige Schrift, in de belijdenis dingen staan, die moeten worden uitgelicht of veranderd.

Er is dus geen sprake van „menschelijke geschriften boven Gods Woord stellen."

Maar wanneer, wij spreken van „overeenkomstig de 3 Formulieren van eenigheid, " dan willen we daarmee uitdrukken, dat de geschiedenis der Kerk niet nu pas begint, maar sinds lange begonnen ia; dat de H. Geest in dien tijd de kerk heeft geleerd en geleid in de goddelijke, bijbelscho waarheid; dat de Kerk in hare belijdenis schrifteneen heerlijk geschenk des Heeren bezit, om Zijn Woord duidelijk te maken en de stukken der waarheid nader uiteen te zetten; en dat niemand het recht heeft om nu op eigen houtje naar de wijsheid van eigen verstand of de inspraak van eigen conscientie, zonder controle van Gods Woord en zonder band aan de belijdenis, in de Kerk allerlei te gaan leeren, wat met Gods Woord en de belijdenis in strijd is.

Dat is niet betamelijk en niet toelaatbaar.

Dat is revolutionair vandalisme, om het werk dat God in den loop der tijden wrocht, onderst boven te loepen.

Dat is verwaande eigenwijsheid en domme onnoozelheid om, los van het verleden, iets van eigen vinding aan te prijzen als het ware.

Of — als het is om oude dwalingen, die vroeger reeds verworpen zijn, alzoo weer stilletjes in de 20ste eeuw in de Kerk des Heeren in te brengen — ziet, dan is het zondig conservatisme, om maar niet te willen erkennen het getuigenis der Kerk en te blijven zweren bij de dwaalleeringen van Arius, Pelagius en Arminius.

Die oude leugenpraat is veroordeeld. Die oude leugenpraat blijft veroordeeld.

Daar heeft onze kerk reeds lang geleden getuigenis in gegeven, door de leiding des Geestes en de onderwijzing in het Woord daartoe bekwaam gemaakt.

En ja — nu verwondert het ons niet, dat de vrijzinnige Hervormden die aloude belijdenis der waarheid weg willen hebben, om dan die oude, veroordeelde leugenleer van Arius, Pelagius en Arminius des te gemakkelijker te kunnen invoeren.

Maar tegenover die oude dwaalleer zet onze Kerk nog altijd haar aloude. Goddelijke belijdenis der waarheid, die leeft in de harten der geloovigen.

En met de 3 Formulieren van eenigheid voor zich, wijst de kerk het uit Gods Woord aan, dat de leer der vrijzinnige Hervormden niet Hervormd is.

Zachte meesters maken . . .

Valsche teergevoeligheid komt zoo dikwijls verleiden, om af te doen van de woorden Gods. Dan worden zachte woorden gesproken, en van den vollen raad Gods wordt afgedaan.

Maar zachte meester maken stinkende wonden; zachte predikers verderven de zielen

Wij moeten niet medelijdender willen zijn dan God, de Heere, zelf!

En zoo gaat het toch met vele predikers in onze dagen.

Van die harde leer van zonde zonde te noemen en te spreken van den vloek der verdoemenis over alle vleesch; van die schrikkelijke leer der voldoening door het bloed des kruises, van die „bloedtheologie" gruwen zij tot in het binnenste hunner ziel.

Neen! God is immers liefde. God is immers barmhartig.' Weg met die harde leer van Gods Gerechtigheid en des menschen geheele verdorvenheid.

De goede Vader in den hemel, de lieve Heer daarbovan is immers liefde en denkt niet aan voldoening noch aan straf.

Hij toornt niet tegen den mensch. Hij is verzoend als een barmhartig Vader, die alles door de vingers ziet en vriendelijk lacht. Als wij maar niet aan Zijn toorn denken en flink ons best doen, dan komt alles terecht.

En zóo wordt Gods volle Raad niet verkondigd.

Zoo wordt de eere van Gods heiligen Naam de weg der verzoenig, de staat des menschen en alzoo de poorte der gerechtigheid, waardoor het gerechtvaardigd volk zal ingaan om hunnen God eeuwiglijk te loven, meiden volke bekend gemaakt en niet geëerbiedigd.

Men maakt een evangelie naar den mensch.

Omdat men wijzer wil zijn dan God.

Omdat men barmhartiger wil zijn dan God.

Maar wee die barmhartigheden van de Goddeloozen, ze zijn zoo wreed!

Dwaze dokter, - die de wonden niet peilt, omdat het den zieke pijn veroorzaakt.

Onverantwoordelijk handelen van den geneesheer, wanneer deze de operatie uitstelt, omdat de patient er tegen aan ziet.

Straks breekt de kwaal uit, straks ontsteekt de wond.

En als het te laat is, dan heeft de geneesheer zich zelf te verwijten, dat hij een slecht verzorger van het lichaam is — en de kranke moet het duur betalen.

Betalen met ontzettend leed, schrikkelijke teleurstelling — met den dood !

Neen, predikers, weest niet barmhartiger dan de Heere isl

Beter hier pijn dan hiernamaals den eeuwigen dood te ontvangen.

Beter hier weenen dan hiernamaals voor eeuwig te jammeren.

Den goddelooze worde dan aangezegd, dat de Heere een heilig God is, rechtvaardig in al Zijn richten, waarbij geen vleesch voor God kan bestaan, daar aller mond door de wet gestopt is en alle gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.

Om in Christus Jezus het heil des Heeren te verkondigen, daar Hij door Zijn bloed verzoening heeft aangebracht voor een gansch zondig volk, dat gerechtvaardigd wordt om niet, in den weg des geloofs.

Geen blanco krediet.

God zendt nooit Zijne dienaars bloot op goed vertrouwen uit.

Gods knechten krijgen nooit blanco krediet, noch Zijne gezanten een oningevulden lastbrief!

De Heere geeft nooit Zijn werk uit handen, om het aan de wijsheid en goede bedoeling der menschen over te laten.

Zoo ook met de predikers, met de dienstknechten van Jezus Christus, met de evangelieboden.

't Zijn maar geen gezondenen zonder boodschap.

't Zijn geen knechten zonder opdracht.

't Zijn geen herauten zonder bepaald bevel. Het is maar niet zóo, dat de prediker eigen idee, eigen inzicht, eigen wil mag volgen.

Neen! hij is des Heeren knecht, die met den last des Konings en met het Woord Zijns Zenders heeft te gaan en te komen.

Hij heeft te prediken wat de Heere zegt en wat Jezus Christus heeft gesproken, gelijk in Gods Woord ons is geopenbaard, waarvan de H. Geest getuigenis geeft aan des Heeren gaarne Getrouwe knechten.

Dat geeft dien goddelijken inhoud aan de prediking.

Dat geeft ook dat goddelijk gezag aan des dienstknechts woord.

Twee zwaarden.

God heeft twee zwaarden: het zwaard des Woords en het zwaard des gerichts.

Het eerste gaat het tweede vooraf. Wat voor het eerste niet buigt, moet voor het tweede bezwijken.

Onze Herv. Kerk bewijst het elk jaar duidelijk — totdat des Heeren langmoedigheid een einde over ons neemt.

Of zullen wij ons nog leeren schikken naar den eisch van Gods Woord en ons nog leeren voegen onder de tucht van Zijn heilig getuigenis?

Dan alleen is er genezing.

Want zoo zeker als „de stalen stift, die wij op het dak van ons huis plaatsen den bliksem uit de wolken naar zich toe trekt". — Zóo zeker, neen! véél zekerder nog haalt de zonde onzer Herv. Kerk het Godsgericht over ons en over onze kinderen.

De Heere Iaat niet roekeloos met Zijn Woord en Wet spotten.

Zullen wij dan het zwaard des gerichts nog ontvlieden, door ons te leeren schikken naar Zijn Woord?

Een speelbal.

Heel de 19de eeuw door is de Gemeente een speelbal van theologen geweest en is zij opgeofferd aan stelsels, die men zelf had uitgedacht.

Wanneer zal daar in onze Herv. Kerk eens een einde aan komen?

Zoodra ingezien wordt, dar, nu aan de vrijheid der predikanten alles, alles wordt opgeofferd.

Wanneer die maar vrij zijn om te leeren wat ze willen, dan volgt al het andere van zelf wel, denkt men.

En dat is juist de verwoesting van de Kerk.

Dat is de grootste slavernij, de schrikkelijkste tyrannie, de droevigste ellende voor de Gemeente.

En dat moet dus veranderd worden. Er moet beleden worden, dat de Heilige Schrift alleen het beginsel mag zijn, waaruit de theologie begint; de kiem waaruit zij opwast.

Al wat wij van God kennen, ligt in de Heilige Schriften besloten. En aan onzen Bijbel komt toe om de band voor allen te zijn, opdat de ellendige losbandigheid van heden verdwijne!

Heengaan.

Dr. A. Pierson, leerling van Opzoomer, man van moderne beginselen, verliet in het jaar 1865 de Hervormde Kerk met de verklaring, dat hij tot de overtuiging was gekomen „dat hetgeen de wetenschap hem had geleerd niet met de leer der Hervormde Kerk overeenkwam".

Hij werd gevolgd door de gebroeders Hugenholz beiden predikant te Amsterdam, waar zij de Vrije gemeente stichtten.

Jammer, dat zeer velen van de modernen het hooge standpunt van zulke groote mannen maar niet kunnen bereiken.

't Is te hoog voor hen.

En ze zijn met een lager standpunt bijster te vree.

Dat teekent.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 november 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's