Stichtelijke overdenking.
Zoo ik uitga in het veld, ziedaar de verslagenen van het zwaard; en zoo ik in de stad kome, zie daar de kranken van honger. Ja, zoowel de Profeten als de Priesters loopen om in het land en weten niets. Jer.14:18
Zwaard en honger.
Dat de kastijdingen des Heeren gaan en gaan moeten over de hoofden der menschenkinderen, kan moeilijk iemands verbazing wekken.
Immers zelfs de wereldling, die met God en Zijn dienst openlijk heeft gebroken, kunt ge dit telkens hooren uitspreken; „dit of dat zou niet kunnen gebeuren zoo daar een God ware." M. a. w. het uitblijven van oordeelen en tuchtigingen vreet hij niet anders te duiden: daar is geen God.
Zie, dat begrijpt de mensch niet, dit gaat zijn begrip bergen boog te boven, dat Gods oordeelen komen als mot een ingehouden tred. Hij verstaat niet:
Uw goedheid. Heer', is hemelhoog.
Die deugd kan hij niet onderscheiden, dat God goed zou zijn en hij slecht. Dit maakt hem Gods wegen tot een raadsel. Neen, Hij kan er niet zijn.
Zie, daarom kunnen zulke roeringen Gods, zulke tuchtigingen als thans over de volken gaan, nog wel van achteren blijken heerlijke vruchten af te werpen.
Onverschillige, naar men meende, onbekeerlijke godslasteraars heeft de Heere op deze wijs — de geschiedenis leert het en de eeuwigheid zal het ook nu openbaren — tot staan gebracht. Ze leerden zien wat de Profeet Nahum getuigt-„des Heeren weg is in wervelwind en in storm en de wolken zijn het stof Zijner voeten."
Menigeen, die in zijn onbekeerlijkheid naar geen woord des Heeren vroeg en van geen God meer wilde weten, heeft door zulke duidelijke uitreddingen Gods Hem gezien in Zijne heilig-toornende liefde.
Nu werd het: „ Heere, Gij zijt een heilig God en ik een doem waardig schepsel. Uw Woord is eeuwig waar en ik was bezig mezelven te bedriegen.
Ik sloeg op niets acht meer, ik leefde uitsluitend voor mijzelf. Ik had voorzeker mijne ziel voor eeuwig verloren, ware daar niet bij U nog een omzien geweest."
Ziet dan worden de kastijdingen des Heeren de middelen tot der verlorenen behoud. Eigen dwaasheid wordt dan gevangen genomen door de Wijsheid des Heeren.
Of 't ook anders kan? Helaas ja, en dat is het vreeselijkste van alle oordeelen als betuigd moet worden „Gij hebt ze geslagen, Heere, en ze hebben geen pijn gevoeld." Ze schrokken wel even, daar daar kwam wel een oogenblikkelijke roering, maar de gemoederen werden onmiddelijk weer effen. Daar werd geen bukken geleerd voor den Allerhoogste.
Zou dat niet een van de grootste oordeelen moeten worden genoemd?
't Kan een vader smarten tot in zijn ziel, wanneer hij na gedurig vermaan, zich genoodzaakt ziet het kind zijner liefde te moeten tuchtigen. Maar wat te zeggen als het kind na de bestraffing tot den vader spreekt: ik heb er niets van gevoeld, 't Deed me niet eens zeer.
Dan weet men het van te voren reeds, in nog grootere zonden en in nog grovere ongerechtigheden zal dat kind uitbreken.
Wat zou het nu bij ons afwerpen? Moet het eerste of het laatste betuigd? Hierover kan ons geschil niet loopen, daarover zijn we 't onmiddelijk eens, dat over de christenlanden en z.g.n christen natiën de oordeelen Gods henengaan. 't Kan moeilijk schrikkelijker worden gedacht.
Eén land is reeds geheel vertreden. Honderdduizenden menschenlevens in hun bloei weggevaagd. Zoo opeens is de eeuwigheid geworpen.
En waar zal nog het einde zijn, want dit, gevoelt een ieder, is nog maar een begin.
Daar zullen nog honderdduizenden volgen. Alle volken schier worden in gewikkeld.
Wordt de pijn gevoeld? Zullen de volkeren zich buigen? Gaan de koningen en vorsten voor in het zich vernederen voor het aangezicht des Heeren ?
We speuren daarvan nog weinig. We willen ééne schrede nader treên. Heeft het volk des Heeren, de Gemeente van Christus zich al gebogen. Is 't al één knielende schaar.
Ziet hier is het oordeel begonnen. Het begint — leest maar eens na 1 Petr. 4:17 — bij het huis Gods. Van dit zelfde punt zal ook het schuldbelijden moeten aanvangen en het roepen worden gehoord. Hierom is het de Heere begonnen.
In dit heilgeheim was ook de Profeet Jeremia ingewijd.
Hij zegt: „zoo ik uitga in het veld, zie daar de verslagenen van het zwaard; en zoo ik in de stad kome, zie daar de kranken van honger"
Is het niet alsof dit Godswoord gesproken is met het oog bizonderlijk op onzen tijd.
't Wordt voor ieder, die het zien mag zoo duidelijk, dat het is een eeuwig blijvend woord.
Het gaat met alle tijden mee, Het leeft.
Op het veld verslagenen van het zwaard en in de stad kranken van honger.
Daar hebt gij de neerslag van onze dagen. Niet ver over onze grenzen zijn gansche velden als bedekt met verslagenen. Het zwaard heeft ze weggegeten. Wanneer ge de berichten daaromtrent leest wordt het harte u week. Het zijn allen menschen van gelijke beweging als onzer een. Ze laten achter wat hun lief was als hun leven. Zij zijn allen voor een eeuwigheid geschapen. Levende zielen.
Men heeft gezegd: zulke oorlogen als waarvan de historie melding maakt, zijn uit den tijd. Slagvelden worden ouder ons niet meer toe gelaten. Wij maken het uit, alle geschil, op onze congressen. Men stond daarop zóó vast, dat men schier aan geen oorlogen meer geloofde.
Alsof het woord des Heeren liegen zoude! Op het aanwassen van de zonde op het toenemen der ongerechtigheden, op het naderbij komen van den dag van Christus zullen de geruchten van oorlog van onze staten niet wijken.
De ziener van Patmos heeft het te duidelijk aanschouwd. Bij het openen van een der zegelen zag hij den ruiter op het roode paard wien macht was gegeven den Vrede van de aarde te nemen.
De verslagenen van het zwaard zullen in getale steeds klimmen.
Of dat dan niet verschrikkelijk is ? Daar is bijna geen grooter verschrikking denkbaar. Dit ééne woord „krijg" doet reeds het bloed in de aderen stollen. O ge moet van menschelijk standpunt bezien u de dwaasheid voorstellen.
Daar heeft men het met al zijn verlichting en beschaving zoo ver gebracht, dat men van enkele menschen mag zeggen: hun levensdraad schijnt iets te worden verlengd, hun lijden iets verzacht, en nu wordt daar van duizenden en duizenden van de allerkrachtigsten de levensdraad afgesneden. Waarlijk der zonde nasleep is wel droef.
Als ik uitga in het veld zie daar de verslagenen van het zwaard.
En bleef het nu daar nog maar bij, Ook dit kwaad komt niet alleen. Op den voet wordt het zwaard gevolgd door den honger. Waar het eerste geweest is komt zonder missen het tweede.
En zoo ik in de stad kom zie daar de kranken van den honger.
Waar de man valt, trekt de weduwe het rouwkleed aan en wordt in vele gevallen door de kinderen geroepen om brood.
Het behoeft zoover nog niet eens te komen. In onze onmiddelijke nabijheid grijpt het spooksel van den honger al rond zich, al werden we directelijk in den krijg nog niet gemengd.
Waar het zwaard rondwaart wordt het bed gespreid waarop de kranken zich strekken van honger.
Ja in de steden inzonderheid.
Door de opeenhopingen van menschen rijzen de zorgen hier het hoogst.
Zou de oorzaak van al dezen jammar en ellende gevoeld worden?
Deze vraag slechts: is daar niet met brood gespeeld in onzen weelderigen tijd? Het meer werd nooit vol. Waarlijk thans zou wel eens kunnen worden geleerd wat het inheeft krank te zijn van honger.
De oordeelen Gods gaan heen over heel het volk.
In de dagen van den Profeet Jeremia moest ook dit woord worden neder geschreven „de Profeten zoowel als de Priesters loopen om in het land en weten niets.
Daarin kan tweeërlei zin schuilen, vooreerst dat ook zij, die in hét heiligdom dienden, aan deze tuchtiging van heel het volk niet ontkomen konden.
Maar ook dat diezelfde lieden die nog kort te voren de geruststellende woorden hadden laten hooren: „ge zult geen zwaard zien en geen honger aal u deren; het zal vrede zijn, — dat deze onder de roede doorgingen.
Rondzwerven en geene hulpe weten. Vreeselijke toestand.
Geroepen tot deze goddelijke taak „troost, troost mijn volk spreekt naar het harte van Jeruzalem" en zelf niet weten vanwaar die troost komen zal en waarin hij toestaat.
Schrikkelijk iets: omloopen in heilanden niets weten.
Zoo stond het in de dagen van den Profeet, staat het nu anders?
Weet thans de Profeet en de Priester het antwoord te geven?
Wanneer hij post mag vatten, geleid mag worden op dezelfde plaats, waar Jeremia stond, ja. Hij kwam er mede voor zijn God.
Zou dit kwaad ook niet zijn gekomen, omdat Zijne hand zulks doet?
Hij is de werkmeester van dit alles, terwijl de kolen door ons worden aangedragen.
Zie de gangen van den mensch gelijken zoo lichtelijk op die van het redeloos gediert.
Hij bijt zoo dikwerf in den steen die naar hem wordt geworpen, zonder dat hij merkt op de vingeren, die denzelven los lieten. Jeremia eindigde bij Zijn God.
Hij kwam te staan in de voorhoven van Zijn tempel.
Daar vond hij de draad.
In heel het samenstel van de wereld, in dit kluwen, dat ge volkeren noemt, zit Juda verscholen, daar ligt Sion ten grondslag.
Neemt dit woord van den Profeet maar eens voor u — leest het eens verder.
Bij Sion ligt de breuke. Daarop richten zich de oordeelen Gods. Het gaat om het volk Gods om de Kerk des Heeren weer terug te leiden tot Hem.
Och dat ook in dezen deze machtige roepstem Gods mocht doorklinken.
Het vragen, dat het zwaard weer terugkeere in de schede, is te verstaan. Het smeeken, dat de honger ophoude is te begrijpen maar wat eerst gezien zal worden: Sion op ééne hoop, saamgebonden in smeekgebeênvoor den Troon, belijdenis doende van hare zonde.
Help ons, barmhartig Heer' Uw grooten naam ter eer; Uw trouw koom' ons te stade ; Verzoen de zware schuld Die ons met schrik vervult; Bewijs ons eens genade!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's