De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Overeenkomstig Gods Woord.

Men weet, dat éen van de dingen, die in het voorstel van de 60 predikanten werden genoemd, dit was: dat men zoo gaarne in de 3de belijdenisvraag zag ingevoegd „in gehoorzaamheid aan Gods Woord".

Nu staat er alleen maar „met opvolging van hare verordeningen"; en daar wilde men van maken „in gehoorzaamheid aan Gods Woord, met opvolging van hare verordeningen."

We zouden zoo zeggen: daar is in een Protestantsche Kerk niets tegen en Alles voor te zeggen. Want in een Protestantsche Kerk is het beginsel, dat Gods Woord vóór alles en boven alles gaat. En wie dat beginsel niet aandurft, is niet protestantsch, maar in hart en nieren roomsch; die brengt een beginsel in de Hervormde Kerk 'twelk er niet in thuis hoort; die houdt van pausje spelen en van dwingen der conscientie door menschelijke inzettingen, zooals dat door onze protestantsche vaderen steeds is verfoeid.

Men had dat voorstel van de 60 predikanten moeten aanvaarden, indien men verstandig was geweest.

Maar men heeft zich bang laten maken door allerlei obscure redeneeringen, die niet thuis hooren onder protestantsche theologen.

Men was, indien men de wijziging had overgenomen, ook volkomen in de lijn der historie gebleven.

't Is een staande uitdrukking in onze Hervormde Kerk van ouds, om te zeggen „in gehoorzaamheid aan Gods Woord, met opvolging van hare verordeningen."

Alleen is men in dagen, die voor de waarheid naar Gods getuigenis niet bijster gelukkig waren, met een onschuldig gezicht ook hierin aan 't knoeien geweest, om — héél onschuldig doende — geniepig ook hier het Gereformeerd-protestantsch beginsel een knauw te geven en het anti-Hervormd, vrijzinnig beginsel zoo binnen te smokkelen.

Dat men zulke dingen toch niet meer voelt, dat men door de vrijzinnigen bij al hun redeneeringen leelijk bij den neus genomen wordt!

Neen — men wilde die wijziging, door de 60 predikanten voorgesteld, óm Gods Woord vóór te laten gaan, niet. Daar zaten allerlei kwade bedoelingen achter bij die „confessioneelen" en „gereformeerden". Die wilden zoo iets als „anarchie" in de Herv. Kerk brengen. Die zinden op een tweede „doleantie". Die voerden — ja, wat al niet, in 't schild, om onze Hervormde Kerk ten gronde te richten. Neen — van al die nieuwigheden, om Gods Woord vóór te laten gaan, moest men niets hebbén. 't Moest zijn „met opvolging van hare verordeningen" en'meer niet. Dat was verre weg 't veiligst. Dan bleef alles zoet gaan, zooals het gaat....

En werkelijk heeft men de leden van de Synode zóo bang gemaakt met allerlei dwaze, domme redeneeringen, komend uit den modernen hoek, dat men die voorgestelde wijziging angstig heeft opgeborgen, met den innigen wensch des harten, dat men nu nooit weer den brutalen moed zal hebben om met zulk een „anarchistisch" en „doleerend" voorstel voor den dag te komen.

Ja — te vragen, dat Gods Woord mag vóór gaan en boven de kerkelijke verordeningen mag geëerd worden, dat is tegenwoordig in de Herv. Kerk 't meest verdacht van 't geen men ooit vragen mag!

Ach, arme! Waarbij dit evenwel het eigenaardige (haast badden we geschreven het potsierlijke is, want 't is o! zoo „eigenaardig") dat een dergelijk voorstel zoo echt Hervormd is en zoo juist past in het kader van onze tegenwoordige kerkelijke inzettingen.

Of staat niet in eiken beroepsbrief het volgende te lezen — door ieder die predikant ia plechtig en eerlijk onderteekend —:

„De Kerkeraad, deze beroeping ter kennisse van den WelEerw. N. N. brengende, vertrouwt.... dat hij ten spoedigste tot de Gemeente zal overkomen, om door leer en voorbeeld, bestuur en opzicht, alles te doen wat een herder en leeraar, OVEREENKOMSTIG GODS HEILIG WOORD, VOLGENS DE VERORDENINGEN DER NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK, BE­TAAMT; enz."

Daar staat dus het echt-Hervormd beginsel voorgeschreven, door ieder van de predikanten aanvaard en onderschreven: dat de herder en leeraar in leer en voorbeeld, in bestuur en opaicht, in alles zich schikken zal naar Gods Heilig Woord en naar de verordeningen, der Kerk.

En nu is gevraagd, om dat óók door degenen, die belijdenis des geloofs afleggen, te laten verklaren :

„wij beloven tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bizonder, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, met opvolging van hare verordeningen, naar ons vermogen, volijverig . te zullen medewerken",

maar ziet, dan is dat plotseling „anarchistisch", „doleerend", „voor de Ned. Herv. Kerk tot den ondergang" enz. enz.

Is er iemand, die zulk een redeneering begrijpt?

Ja — op éen manier laat het zich verklaren. En wel zóo: men denkt door lasteren en lasteren en nóg eens lasteren kunnen we in de Herv. Kerk 't meest verhinderen wat tot bevestiging van het echte gereformeerde, protestantsche beginsel kan dienen; en daarom doet men het ook met taaie volharding — niet zonder succes.

Wat moeten de vrgzinnigen toch heimelijk een plezier hebben, dat orthodoxe menschen zich zoo makkelijk bij den neus laten nemen.

Waarbij wij evenwel er hier nog eens aan willen herinneren, dat ieder van de predikanten in de Ned. Herv. Kerk, van wat richting of partij ook, plechtig en vrijwillig heeft beloofd en op den beroepsbrief onderschreven: in alles te zullen handelen OVEREENKOMSTIG GODS HEILIG WOORD.

Dat gaat voorop. Dat beheerscht al het andere. En naar Gods Heilig Woord handelend, zal men zich voegen naar de verordeningen der Kerk, die in Gods Heilig Woord niet alleen den raadgever, maar ook den criticus vinden, wien het hoogste woord toekomt.

Zóo kunnen we degelijke, goede verorderdngen krijgen, de Kerk tot een zegen, — in alles onderworpen aan het Woord van Hem, die onze Rechter, Wetgever en Koning is. (Jes. 33:22)

De opleiding tot het predikambt.

Daar is allang over geklaagd in onze Herv. Kerk, De heeren D. van Hoogendorp en W. de Clercq, alsmede Ds. J. G. Oosterbeek van Wildervank schreven reeds in 1842 aan de Synode, dat het zoo treurig was, dat de Hoogleeraren zoo „verkeerdelijk handelden over de Godsdienstleer."

De Synode heeft toen geantwoord, dat zij zich „ dit hoogst gewigtig belang ten vorigen jare (1841) heeft aangetrokken en op dien weg hoopt voort te gaan enz."

Ook sprak zij toen van „het gezag van Gods onfeilbaar Woord, begrepen in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds, en de wezenlijke leer der Hervormde Kerk", verklarende, dat zij afkeurde en zou blijven afkeuren elk gevoelen waardoor dat gezag van Gods Woord en de wezenlijke leer der Kerk zou worden ondermijnd of bestreden."

De mannen van 1842 hebben dat natuurlijk op de manier van 1842 uitgedrukt en bedoeld!

Maar hierin is toch erkend, dat het van veel belang is welke Hoogleeraren er zijn aan onze Hoogescholen en dat hun onderwijs het gezag van Gods Woord kan ondermijnen en de wezenlijke leer der Kerk kan bestrijden — waarvoor de Synode zooveel mogelijk te waken heeft.

Wij willen daar nog eens aan herinneren. Want deze zaak is toch wezenlijk wel de moeite waard.

We schenken onze aandacht aan kerkelyke vraagstukken, aan kerkelijke reglementen, aan kerkelijke besturen.

We doen moeite om daardoor te bereiken, dat aan de grenzelooze willekeur in onze Kerk eenigermate paal en perk zal worden gesteld.

Maar wie er Hoogleeraar is, dat is een zaak van niet geringe beteekenis!

En daarom ook, waar de Synode geroepen is, om voor elke Universiteit (Leiden, Utrecht en Groningen) 2 kerkelijke Hoogleeraren te benoemen, daar willen we ook in ónze dagen onze klacht doen hooren, dat onderscheidene Hoogleeraran „verkeerdelijk handelen over de Godsdienstleer", waardoor het gezag van Gods Woord ondermijnd wordt en de leer onzer Kerk wordt bestreden, waarbij we ernstig vragen, dat de Synode zich „dat hoogst gewigtig belang" zéér ernstig zal aantrekken, om ons zooveel mogelijk mannen te geven, die wenschen te buigen voor Gods Woord en warme liefde hebben voor de leer onzer Kerk, in de symbolische schriften vervat.

Zooals men weet is de Synode bij het benoemen van een kerkelijk Hoogleeraar gebonden aan een voordracht van drie personen voor elke vacature.

Deze voordracht (zie art. 5 van het Regl. op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid) wordt opgemaakt door eene Commissie van voordracht. De leden dezer Commissie worden gekozen door de Provinciale Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken, die uit kunne leden (of de secundi van dezen) elk éen lid (en een secundus) voor den tijd van drie jaren benoemen.

Van de samenstelling dezer Commissie van voordracht hangt dus zeer veel af. En aangezien deze Commissie weer voortkomt; uit de Prov. Kerkbesturen, blijkt ook hier weer dat het niet onverschillig is, in betrekking tot de kerkelijke vraagstukken, welke personen tot de bestuursfunctiën gekozen worden.

Hoe deze Commissie er tegenwoordig uitziet? Indien we ons niet bedriegen, dan is zij als volgt samengesteld (zie Nieuw Kerkelijk Handboek van Van Alphen, jaargang 1914, blz. 8): Ds. Muller Massis, pr. te Groesbeek (voor Gelderland); Ds. H. van Druten, pr. te Rhijusburg (voor Zuid-Holland); Ds. D. A. Brinkerink, pr. te Bovenkarspel (voor N. Holland); Ds. J. A. Schouten, pr. te Noordgouwe (voor Zeeland); Ds. P. Bongers, pr. te Kamerik (voor Utrecht); Ds. H. A. Leenmans, pr. ie Harlingen (voor Friesland); Ds. Otto Sehrieke, pr. te Enschedé (voor Overijsel); Ds. F. Tammens, pr. te Zuidbroek (voor Groningen); Ds. Ph. H. Edling, pr. te Budel (voor N. Brabant en Limburg); Dr. G. Visser, pr. te Assen (voor Drenthe) en Ds. E. E Picard, Waalsch predikant te Dordrecht (voor de Waalsche Comm.)

Indien we goed zien:6 orthodoxen en 5 modernen.

Deze Commissie zal uiterlijk vier weken vóór de vergadering der Synode, waarin de benoeming van een hoogleeraar zal geschieden, te Den Haag moeten vergaderen, om dan een drietal op te maken; welk drietal in alphabetische volgorde en met wel omschreven adres aan de Synode moet worden toegezonden.

Waar dus Prof. Mallinckrodt van Groningen heengaat, 70 jaar oud geworden zijnde, zal dus bij het begin van den nieuwen cursus 1915—'16 een nieuwe hoogleeraar te Groningen moeten optreden, die zoo ongeveer in de lente van 1915 moet worden benoemd.

Wat zal de Commissie van voordracht nu doen ?

Wat zal de Synode doen? Wie zal in 1915 D. V. in Groningen als kerkelijk Hoogleeraar optreden?

Wij hopen van harte, dat de Commissie van Voordracht het eens mag worden om „dit hoogst gewigtig belang" zóo te behartigen, dat zij „afkeurende elk gevoelen, waardoor het gezag van Gods onfeilbaar Woord, begrepen in de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments en de wezenlijke leer der Hervormde Kerk zou worden ondermijnd of bestreden" een man kieze, die, wetenschappelijk goed onderlegd, zich het evangelie van Jezus Christus niet schaamt en hartelijk beaamt wat onze belijdenisschriften leeren aangaande de Goddelijke waarheden!

Zulke wetenschappelijke, echt Hervormde mannen zijn er nog wel — en ze kunnen bij de academische opleiding tot het predikambt, onder de gunste Gods, tot zoo rijken zegen zijn voor de a. s. herders en leeraars en voor de gemeenten in ons vaderland.

Ons Hooger Onderwijs.

In 1857 richtte Mr. I. da Costa een adres aan de Synode betreffende de opleiding der aanstaande Evangeliedienaren in de Ned. Hervormde Kerk, waarin hij o. a. beweerd heeft „dat hetgeen omtrent godsdienst en godgeleerdheid aan onze Universiteiten geleerd wordt, in onverzoenlijken strijd is met het wezen des Christendoms en het geloof der Hervormde Kerken."

Daarop vatte Prof. Hofstede de Groot vuur en zeide: de gegrondheid dezer onderstelling ontkennen wij!

Wat hij dan aldus aanvult: „In onze Kerk wordt thans nog door alle leden, ook door de (door da Costa) bestredene mannen der wetenschap, hetzelfde geloof beleden, 'twelk onze vaderen bij de vestiging der Hervormde Kerk uitspraken"; alleen, zoo zei hij, de dogmatische formuleering was wat anders dan vroeger....

Wat onnoozel antwoord van zoo'n geleerd man. Waarom niet ridderlijk bekend: we kunnen ons in het oude geloof niet meer vinden ?

Dèt is toch de waarheid. En helder als glas is het, dat hetgeen de vrijzinnigen gelooven en belijden „in onverzoenlijken strijd is met het wezen des Christendoms en het geloof der Hervormde Kerken."

Ons Hooger Onderwijs en de opleiding der aanstaande Evangeliedienaren in de Herv. Kerk mag dan ook niet in zulke handen zijn en blijven.

We hebben mannen noodig, die met beide voeten staan op het fundament der Apostelen en Profeten, waarop alleen het huis Gods staan zal tot in eeuwigheid 1

Jammerlijk intusschen — dat onze Kerk alzoo stelselmatig nu jaar op jaar bedorven is door zulke wetenschappelijke mannen, die met hun nieuwerwetsche dogmatische formuleering in onverzoenlijken strijd zijn geweest met het wezen des Christendoms en het geloof der Hervormde Kerken.

Daar hebben we de wrange vruchten van geplukt!

En hoe lang zal dat nu nog voortduren?

Onzinnig en geloofverwoestend.

In het jaar 1859 werd een adres aan de Synode gericht, waarin allereerst dank betuigd werd aan de Synode of aan degenen van hare leden, die aan de benoeming van Dr. Doedes tot hoogleeraar te Utrecht hadden meegewerkt — maar waarin vervolgens door de Doedes-gezinde adressanten ('t waren geen leden van den Geref. BondI) werd gezegd, dat zij het betreuren, dat in de Herv. Kerk vrijheid wordt gegund „om ook de meest onzinnige en geloofverwoestende meeningen openlijk te verkondigen" en „dat de kerkelijke besturen niets wezenlijks doen, om dit tegen te gaan."

Verder zeggen adressanten: „dat zij met droefheid aanzien de pogingen, om aan dien abnormalen toestand telkens meer den schijn van wettigheid te geven, ook daarin, dat de verpligting tot het prediken over den Catechismus nu is opgeheven."

Die klachten — 't zijn aanklachten — nemen we in 1914 gaarne over.

Is het niet schrikkelijk, dat het in 1859 reeds zóo gezegd is en 't nu nog zoo is?

Ingetrokken.

In 1878 schreef de predikant Herderschee van Nijmegen met eenige zijner geestverwanten aan de Synode, dat zij hun belofte, indertijd gedaan, terug wenschten te nemen.

Zij voelden, dat het niet aanging een Kerk te dienen, een belofte te doen — en dan de leer der Kerk te ondermijnen en de belofte dagelijks te schenden.

Als eerlijk man nam men dan liever ontslag uit het predikambt in de Herv. Kerk en ging heen.

Dat kunnen we verstaan. Men moet het ver gebracht hebben in het „onwaarachtige schipperen", maar anders is het toch op den duur onmogelijk, om niet te doen wat men beloofd heeft en om een dienaar der Kerk te zijn en de leer der Kerk tegen te spreken.

Dat moet op den duur onhoudbaar worder voor een eerlijk gemoed.

En de geest en de hoofdzaak van de leer der Kerk is te duidelijk, dan dat het niet gevoeld zou worden dat het wezen en het karakter van de leeringen der modernen daar principieel mee verschillen.

Wanneer zullen ze Pierson en Herdersche navolgen?

De leer der Kerk.

In zijn boekje „de organisatie der Ned. Herv. Kerk, beschouwd in het licht van belijdenis en geschiedenis" (het kan geen kwaad als onder ons dat boekje, uitgegeven bij G. J. A. Ruijs te Utrecht in het jaar 1905, nog eens gelezen wordt) zegt Prof. van Veen, hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, aangaande de leer der Kerk o. a. het volgende (blz 83 en 84): art. 61 van het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk bepaalt: 

Bij de Synode berust de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, onder verschillende waarborgen, in dit Algeme Reglement en in bijzondere reglemente. vastgesteld". .„ . art. 61 zegt dus duidelijk en zoo  beslist mogelijk, dat deze macht bij de Synode berust „onder de verschillende waarborgen in dit Algemeen Reglement en in bijzondere reglementen vastgesteld".

Er zijn dus waarborgen, waaraan de Synode gebonden is bij de uitoefening van haar macht. Of zij zich daaraan altijd gebonden voelt en zich daaraan altijd houdt, hebben wij thans niet te onderzoeken, maar de waarborgen bestaan en de Synode is verplicht zich er aan te houden. Welnu de voornaamste waarborg is gegeven in art. 11 van het Algemeen Reglement, een artikel, dat, hoe dikwijls ook overtreden en hoe willekeurig er ook mee omgesprongen zij, toch altijd nog bestaat en daarom van kracht blijft. Dit artikel nu verplicht „allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het Kerkelijk bestuur belast zijn", verplicht alzoo alle Kerkelijke besturen en dus ook de Synode zelve, tot handhaving van de leer der Kerk.

Met hare gewone voorzichtigheid, geboren uit vrees om conflicten uit te lokken, heeft de Synode steeds geweigerd eene nadere verklaring te geven en met ronde en duidelijke woorden vast te stellen, welke de leer is, die moet worden gehandhaafd. Maar even beslist heeft zij elk verzoek afgewezen om de woorden „de handhaving harer leer uit art. 11 te schrappen. Niemand kan echter ontkennen — en daaruit is het verzet van velen tegen dit artikel te verklaren — dat met deze leer geen andere bedoeld is en bedoeld kan zijn dan die, welke te vinden is in de Formulieren van eenigheid.

Aan die leer is dus de Kerk en zijn de besturen der Kerk nog altijd gebonden."

Misschien dat dit woord van Prof. van Veen, in 1905 geschreven, nog wel eenig nut kan doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's