Stichtelijke overdenking.
Wij werpen onze smeekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uwe barmhartigheden die groot zijn." Daniel 9 : 18.
De eenige pleitgrond.
Dit woord is ontleend aan een gebed van een zeer gewenscbt man. Wie onzer kent Daniël niet: den man van den leeuwenkuil, de man die èn voor koning Nebukadnezar èn voor koning Belsazar èn voor koning Darius zulk een kloek getuigenis heeft afgelegd van den Naam des Heeren, de man die zoo groot was bij de menschen, zoo hoog stond zelfs bij de vorsten der aarde en die toch zoo klein was en zoo laag wist te bukken voor God.
Wanneer Daniël het gebed opzendt, waaraan deze woorden ontleend zijn, dan heeft hij een oog voor de ellende, ook voor zijn eigen ellende, want hij sluit telkens zich zelf er bij in, maar toch bijzonder voor de ellende van zijn volk, dat nog steeds zucht onder het juk der vreemde overheersching. Maar hij heeft niet alleen een oog voor de ellende, hij heeft ook een oog voor de oorzaak dier ellende; hij heeft ook een oog voorde zonde waaraan hij en zijn volk zich hadden schuldig gemaakt.
Hij roept het dan ook uit: „wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd met af te wijken van Uwe geboden en van Uwe rechten; en wij hebben niet gehoord naar Uwe dienstknechten de profeten, die in Uwen naam spraken tot onze Koningen, onze Vorsten en onze Vaders en tot al het volk des lands."
Doch niet alleen voor de ellende en voor de zonde van zich en zijn volk, maar weet gij waar Daniël ook een oog voor had? Hij had ook een oog voor de verlossing. Wel was die verlossing nog niet gekomen, maar Daniël wist dat die verlossing toch komen zou. En hoe wist hij dat dan? Wel, hij had gelezen in de boeken dat het getal der jaren, van dewelke het Woord des Heeren tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen Jeruzalems zeventig was. En nu berekende hij dat dat getal dier jaren haast was vervuld. Zich vastklemmend aan de beloftenissen Gods wist hij dus dat het uur der bevrijding weldra geslagen zou zijn.
En wat doet Daniël nu? Denkt hij nu bij zich zelf: de Heere heeft het beloofd en dus zal die verlossing nu toch wel komen?
Neen, dat dacht hij niet. O zeker, hij wist dat de Raad des Heeren zou bestaan en dat Hij al Zijn welbehagen zou doen, maar Daniël wist ook dat de Heere om de vervulling Zijner beloften gebeden wil zijn. Vandaar dat hij zich voor het aangezicht des Heeren diep verootmoedigt en dat hij zijn smeekingen voor den troon der genade nederwerpt.
O, wat een diep schuldbesef spreekt er uit dat gebed dat deze man tot den troon des Almachtigen heeft opgezonden!
Wat is hij er diep van doordrongen dat bij den Heere de gerechtigheid maar dat bij hem is de beschaamdheid des aangezichts en niet slechts bij hem, maar bij al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, ja bij geheel Israël aan hetwelk thans het oordeel Gods is voltrokken.
Wanneer gij zijn aangrijpend gebed eens naleest, hoe wordt ge dan getroffen door dat billijken van Gods heilig en onkreukbaar recht en door dat nochthans pleiten op Gods vrije en souvereine genade.
En vooral in de woorden die wij hierboven schreven laat hij dat zoo duidelijk uitkomen. Wij werpen onze smeekingen voor uw aangezicht niet neder, op onze gerechtigheden, maar op uwe barmhartigheden die groot zijn.
De pleitgrönd voor Daniels gebed lag dus niet in hem zelf, lag ook niet in zijn volk. Niet op onze gerechtigheden. En o, als Daniël gewild had, niet waar, dan had hij tocb nog wel enkele gerechtigheden kunnen bijbrengen. In de eerste plaats had hij kunnen wijzen op gerechtigheden van zich zelf.
Of had hij den trotschen Nebukadnezar niet bekend gemaakt met den eenigen waren God, den God des hemels die alleen verborgenheden openbaren kan, zoo zelfs dat die heidensche monarch den Heere als een God der goden en als een Koning der Koningen had erkend?
Had hij den verwaten Belsazar niet het bekende opschrift Mene Mene Tekèl Upharsin verklaard, en had hij hem niet onomwonden gezegd dat hij van wege zijn zonden door den Heere verworpen was?
Had hij voor den machtigen Darius niet geweigerd te bidden en was hij, niettegenstaande het verbod niet blijven knielen voor zijn open vensters tegen Jeruzalem aan?
Dat waren allen de gerechtigheden van Daniël geweest. En niet alleen op gerechtigheden van zich zelf, maar hij had toch ook kunnen wijzen op gerechtigheden van zijn volk.
Of was er ook onder dat volk niet een geest van verootmoediging ontwaakt? Had men niet geweigerd in een vreemd land een lied des Heeren te zingen en sprak er geen innig verlangen om weer naar Zion weder te keeren in die bekende klacht: indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo vergeto mijne rechterhand zich zelve. Mijn tong kleve aan mijn gehemelte zoo ik aan u niet gedenke, zoo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap?
Indien Daniël gewild had, gij merkt wel dat hij dan wel enkele gerechtigheden had kunnen opnoemen, maar gij gevoelt aanstonds wanneer hij dat gedaan had, dat dan zijn gebed meer op dat vaa den Parizeer dan op dat van den tollenaar geleken zou hebben. Neen. Daniël had het goed leeren verstaan dat al zijne gerechtigheden en al de gerechtigheden van zijn volk niet anders voor God waren dan als een wegwerpelijk kleed. Op zich zelf konden ook die beste werken voor God niet bestaan, en wat er nog goeds in was, dat was immers een vrucht van Gods genade geweest.
En daarom, niet op onze gerechtigheden, zegt Daniël; maar wij werpen onze smeekbeden neder op uwe barmhartigheden, die groot zijn.
Gods barmhartigheden! Weet gij wat we daaronder moeten verstaan? Dat zijn die innerlijke bewegingen in het liefdewezen Gods waardoor Hij zich ontfermt over het ellendige, waardoor Hij zich erbarmt over het nooddruftige.
Ja, de Heere is een barmhartig en een genadig God, een God groot van lankmoedigheid en goedertierenheid. En wij weten dat die barmhartigheid des Heeren niet beoefend wordt ten koste van Zijn heilig en onkreukbaar recht. O wanneer de Heere buiten Christus Zijn barmhartigheden geopenbaard had, zou dat wel het geval zijn geweest. Maar nu in Christus aan het heilig recht des Heeren is voldaan, nu is het waar wat de dichter van Ps. 85 reeds zong: de goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. God de Heere is nu barmhartig zonder dat er aan Zijn heilig recht iets te kort wordt gedaan.
En ziet op die barmhartigheden des Heeren, die daar geopenbaard zijn in den Messias, van wien in het laatste gedeelte van dat hoofdstuk ook gezegd wordt dat Hij - na 62 weken zou uitgeroeid worden, heeft de profeet zijne smeekingen voor het aangezicht des Heeren nedergeworpen. En het kan niemand onzer onbekend zijn dat hij dat niet tevergeefs heeft gedaan. Neen, de Heere heeft geluisterd naar het gebed waarvan de eenige pleitgrond in Hem werd gezocht. De Heere heeft het ook aan Daniël bewezen dat Hij het nog nooit tot den huize Jacobs gezegd heeft: Zoek mij tevergeefs. Wanneer straks onder Kores het bevel werd uitgevaardigd en er een overblijfsel naar het land der belofte is wedergekeerd, dan was dat een bewijs dat de Heere Zijn oor had geneigd, dat Hij Zijn oogen had open gedaan over het volk dat naar Zijn Naam was genoemd en dat Hij Zijn Woord heeft bevestigd,
't Behoeftig volk in hunne nooden, In hun ellend' en pijn, Gansch hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten Redder zijn.
Wij werpen onze smeekingen voor uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op uwe barmhartigheden die groot zijn. Zoo sprak Daniël! Maar zou er geen reden zijn om deze woorden van Daniël tot de onze te maken, inzonderheid in deze ernstige dagen, waarin God de aarde slaat met de roede Zijns monds.
Zijn wij dan ook in ellende? O, gelukkig nog niet in diezelfde ellende waarin Israel verkeerde toen het aan de rivieren van Babel treurende nederzat. Immers de Heere heeft tot hiertoe over onze landpale nog den vrede verlengd. Hij heeft ons nog niet uit onze woningen doen wegtrekken. Hij heeft ons nog niet aan het zwaard van den vijand overgeleverd. Integendeel, nog steeds heeft Hij onze vreeze beschaamd. Eben-Haëzer. Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen. Dat woord van Samuel mocht ook het onze wel zijn.
Maar dat neemt niet weg, al zijn wij nog niet rechtstreeks in den wreed en oorlog betrokken, dat wij er toch zijdelings al wat ellende van gezien en gehoord en misschien ook van ondervonden hebben. Over 't algemeen is de toestand dan ook in ons vaderland zoo dat de harpen aan de wilgen zijn gehangen, en dat velen de vraag der vertwijfeling maar niet onderdrukken kunnen: wie zal ons het goede doen zien?
Men voelt de ellende die door dezen schrikkelijken krijg over ons kwam. Maar voelt men nu ook, evenals Daniël, de oorzaak daarvan?
Wordt het ook verstaan dat wij gezondigd hebben, dat wij onrecht hebben gedaan, dat wij goddelooslijk hebbon gehandeld, en dat wij gerebelleerd hebben, met af te wijken van de geboden en de inzettingen Gods?
Ja, is er evenals bij Daniël, ook bij ons een beschaamdheid des aangezichts? Is er een erkennen dat bij den Heere de gerechtigheid is, dat het dus eigen schuld is dat ons dit leed overkwam? Verstaan wij er reeds iets van dat wij en onze koningen en onze vorsten, en onze vaderen tegen den Heere gezondigd hebben? O, als dat niet zoo is, dan is er voor ons geen hoop op verlossing. Zonder onze ongerechtigheden te kennen toch zal er geen wederkeer tot den Heere mogelijk zijn. En zonder een waarachtige terugkeer tot God en Zijn Woord, o dan staat het te vreezen dat er over ons en onze kinderen geen dageraad zal zijn.
Eerst als we met Daniël erkend hebben dat wij der stemme des Heeren onzes Gods niet gehoorzaam zijn geweest, en we hebben Gods recht leeren billijken, ook wanneer het onder dat recht dés Heeren een omkomen zou zijn, dan is er in het dal van Achor nog een deur der hope.
Immers dan is er niet alleen ellende en zonde, maar dan is er ook nu verlossing, dan is er ook nu hulpe besteld. Hoe wij dat weten? Op dezelfde wijze als Daniël dat wist.
Hij wist het uit het Woord des Heeren dat door den Heiligen Geest aan zijn ziel verzegeld was. Welnu uit datzelfde Woord wordt het ook ons toegeroepen: Keert weder tot Mij, spreekt de Heere, en Ik zal tot u wederkeeren. In dat zelfde woord staat het beschreven dat ook al gaat een volk ten onder er nochthans voor de Kerk des Heeren ontkoming zal aijn. Immers , de poorten der hel zullen mijne gemeente niet overweldigen." Maar het is als in de dagen van Daniël. De Heere wil om de vervulling Zijner beloften gebeden zijn. En daarom dat er maar veel reukwerk op het gouden altaar des gebeds mocht worden nedergelegd. Dat het maar veel mocht zijn zooals het was bij den dichter:
Mijn beê, met opgeheven handen, Klimm' voor uw heilig aangezicht. Als reukwerk voor u toegericht. Als offers die des avonds branden.
En dat die smeekingen dan maar geworpen mochten worden op dienzelfden pleitgrond waarop Daniël ze nederwierp.
Niet op onze gerechtigheden dus. Want ach, waar zouden die in bestaan? Wat dunkt u, zal het ook daarvan niet gezegd moeten worden dat zij voor God niet anders zijn dan als een wegwerpelijk kleed? Zeker, als wij het doen wilden, dan konden er nog wel enkele voorrechten opgenoemd worden, waarmee de Heere ook op geestelijk gebied ons volk boven andere volken bevoorrecht heeft. We zouden er op kunnen wijzen, dat wij toch èn geestelijk èn zedelijk nog niet zoo diep zijn gezonken als vele volken die rondom ons zijn. We zouden er op kunnen wijzen dat het licht van Gods Woord, bij andere volken vergeleken, hier nog helder op den kandelaar staat, ja, dat er toch onder ons nog een volk gevonden wordt dat buigt en bukt voor Gods Woord en dat niet nalaat om drie tijden daags voor den Heere den God des hemels te knielen. Maar gij beseft immers dat dat alles alleen een vrucht van Gods rijke en vrijmachtige genade is. Dus geen enkele reden om ons te verhoovaardigen, geen enkele reden om ons te verheSen.
Integendeel, een reden te meer om ons te verootmoedigen voor Gods aangezicht en het voor Hem te belijden: Heere, wat onderscheidt ons en wat hebben we dat we niet hebben ontvangen?
O, dat wij er voor bewaard bleven onze smeekingen te werpen op een onzer gerechtigheden, waarin die dan ook zou bestaan, maar dat wij evenals Daniël onze smeekbeden kregen te werpen op de barmhartigheden Gods, die groot zijn, immers ook over ons. Neen de Heere heeft Zijne barmhartigheden over ons en de onzen nog niet door toorn toegesloten. Integendeel, het zijn Zijne goedertierenheden, dat wij niet vernield zijn. Zijn barmhartigheden hebben ook over ons geen einde genomen. Ook in ons midden roemen zij nog tegen de oordeelen Gods.
Maar wanneer zullen die barmhartigheden Gods nu de pleitgrond voor ons gebed kunnen zijn? Niet, wanneer we van die barmhartigheden Gods nog een gansch verkeerde voorstelling hebben, zooals de mensch der wereld dat heeft; niet, wanneer wij ons die barmhartigheid des Heeren nog voorstellen als een oogluikende toelating van wat den Heere mishaagt.
Neen, als we onze bede nog gronden op een barmhartigheid die gespeend is aan alle rechtvaardigheid, dan moeten wij er maar op rekenen dat zulk een gebed bij den hoogen God geen verhooring erlangt en dat het dus ledig tot ons wederkeert.
Eerst als we gevoelen dat dié barmhartigheden des Heeren gegrond zijn op en geworteld zijn in Zijn heilig recht, als we dus dat recht leerden billijken, maar we mochten ook zien dat dat recht vervuld is in den Messias die eenmaal uit Zijne volken werd uitgeroeid, dan kunnen Gods barmhartigheden de pleitgrond zijn om van den Heere te vragen: Heere laat ons niet uit het midden onzer volken uitgeroeid worden. En als wij zoo onze smeekingen op de barmhartigheden des Heeren mogen nederwerpen, als we zoo mogen bidden: o Heere behoud, die Koning verhoore ons ten dage van ons roepen, dan zal de God van Daniël toonen dat Hij nog leeft. Ja, als daar zoo op de barmhartigheden des Heeren een pleiten mocht gevonden mocht worden, dan zal de Heere Zijn oor neigen tot ons geroep, dan zal Hij Zijn oog open doen over de ellende waarin ook ons volk verkeert, dan zal Hij omzien naar de stad van Zijn kerk, die ook hier naar Zijn Naam werd genoemd, dan zal Hij Zich wenden tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is en ook in het midden van ons vaderland zal Zijn waarheid bevestigd worden:
Open uwen mond, Eisch van mij vrijmoedig. Op mijn trouw verbond, Al wat u ontbreekt Schenk Ik, zoo gij 't smeekt mild en overvloedig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 december 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's