De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Na dezen zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel enz. Openb. 4: 1—3.

Onder het teeken van den regenboog.

In het profetisch boek des N. Testaments, het laatste Bijbelboek, wordt ons bekendgemaakt, wat met de kerk des Heeren staat te gebeuren en wat der wereld wacht als rechtvaardig deel. Godzelf komt ons dat meedeelen. Want neen! het is niet een ziekelijk droomer die wat fantaseert in dit boek, zooals Mohammed of Jozef Smit, de stichter van de secte der Mormonen, hebben gedroomd en gefantaseerd — 't is de verhoogde Heiland en verheerlijkte Koning der Kerk, Jezas Christus, die aan zijn dienstknecht Johannes komt bekend maken, wat Hem van den Vader is geopenbaard.

Lees Openb. 1:1 maar, waar zoo duidelijk staat: De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om Zijnen dienstknechten te toonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijnen engel gezonden en Zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft."

Wat ons dus hier beschreven staat komt van den Heere.

't Is de openbaring van Jezus Christus. En de man die de openbaring van Christus, door middel van een Engel ontvangt is Johannes, de discipel, die door den wreeden Romeinschen Keizer Domitianus verbannen was geworden naar het eenzame rotseiland Patmos.

De omstandigheden waaronder deze openbaring van Jezus Christus aan Zijn discipel Johannes gedaan werd, zijn zoo allerbelangrijkst.

Want was het voor Johannes niet een tijd om vol bange zorg te gaan wanhopen aan de zaak des Heeren?

Van de apostelen was niemand meer overgebleven. Hij was de laatste. En toen kwam die machtige Keizer van Rome zoo wreed en onbarmhartig tusschen beiden, opgestookt door de vijanden van Christus' kerk, om den bij de gemeente zoo geliefden apostel, wegterukken uit het midden der broederen en hem gevangen te zetten in de Aegeïschezee, op het ruwe eiland Patmos.

Wat zou er nu worden van de gemeenten? Hoe zou het gaan met de Kerk van Christus?

In die gemeenten waren allerlei woekerplanten gekomen, om, zoo mogelijk het ware leven te verstikken. Allerlei leugenleeraars waren opgestaan, om de geloovigen af te brengen van den weg Gods. Allerlei verleiders gingen rond om te lokken tot den dienst der zonde. En van de apostelen werd de een na den ander weggerukt door den dood. Nu ook de laatste uitgerukt uit het midden der broederen. Terwijl Jood en heiden saam een verbond gemaakt hadden om, uit vijandschap tegen het Kruis het werk Gods te verderven, totdat er niets meer zou zijn overgebleven. Ach — wat bange tijd!

En ziet dan opent de Heere voor zijn discipel een deur in den hemel en laat hem inblikken in de dingen die zouden geschieden. Dan schuift God zelf het gordijn van voor de hemelsche dingen weg en laat zien wat er boven de zienlijke dingen van den tijd staat in de eeuwigheid.

0! wat is dat wónder-genadig en goddelijk-was dat de Heere dat telkens doen wil met Zijn kinderen, om hen op te trekken uit de tydelijke dingen en hen oog te geven voor de eeuwige dingen; om hun boven de aardsche dingen te dóen zien op de hemelsche dingen. Want daar ligt alleen troost en sterkte.

Zag Paulus op zich zelf, op zijn vleesch, op zijn vijanden van binnen en van buiten dan kwam de bange angstkreet uit zijn geprangd gemoed: „ik ellendig mensch!" Maar mocht hij hoóger op blikken en inzien in den hemel, om te aanschouwen wat Christus gedaan had voor hem en wat zijn Heiland in den hemel voor hem bewaarde, ziet dan werd zijn geest weer verkwikt met dit goddelijk-heerlijk gezicht, dan werd zijn ziele, weer verruimd en de ellendige aardbewoner nam , de harp en greep met volle hand in de snaren en zong blijde uit: „ik danke God, door Jezus Christus, mijnen Heere."

Waar ligt de troost voor Sion? Waar de sterkte; waar is de hope der toekomst? Immers boven. Ook als het beneden bang is. Ja — juist bizonder wanneer het beneden bang is moet het oog en het hart naar boven — waar Christus is, zittende aan de rechterhand' des Vaders I

Daartoe wordt ook Johannes verwaardigd, door de gave des Heiligen Geestes.

Lees de verzen 1, 2, en 3 maar van dit 4de hoofdstuk.

Een engel komt. De Geest vervult hem. En tegelijk als God hem roept wordt hij bekwaam gemaakt, om in te zien in den hemel der heerlijkheid.

En wat ziet Johannes, die beefde voor den troon van Rome's Keizer ? Wat ziet de apostel, die de toekomst van Christus Kerk in donkerheid zag ondergaan ? Wat mag hij aanschouwen toen zijn benauwde geest uitriep: wie zal ons het goede doen zien?

Hij ziet een onderen troon dan des keizers troon. Hij ziet een anderen Regeerder dan Rome's gebieder. En alles wat hij ziet, is helderheid en licht. Alles wat hij aanschouwt is de vastigheid en de volmaakte uitwerking van Gods trouw-en genadeverbond. Wat hij ziet is de heerlijkheid van Christus' Kerk op aarde, die zich zal ontwikkelen naar Gods raad en eenmaal, na bange en lange worsteling zal worden opgenomen in heerlijkheid, waarna allen zullen zitten op tronen en zullen heerschen als koningen!

O! wat is het noodig om te midden van bange tijden niet te blijven hangen aan 't geen voor oogen is.

Neen — de geschiedenis wordt niet gemaakt, niet beheerscht, door de dingen die beneden zijn. De Heere regeert!

Niet hier beneden maakt men het bestek van het wereldgebeuren, om het alles te laten eindigen naar des menschen raad, met vernietiging van Christus' Kerk.

Neen! Gods volk is ten slotte niet overgegeven aan de machten van beneden.

De Heere, die in den hemel is, regeert.

En ten slotte ligt alles in Zijn hand en gaat alles naar Zijn raad en zal alles beantwoorden aan het doel door Hem gesteld.

't Is zoo noodig om er, te midden van het gewir-war der tijdon, telkens aan herinnerd te worden, dat de Almachtige God de teugels in de hand heeft en houdt, om al het gebeuren in hemel en op aarde te besturen naar Zijn welbehagen.

En ziet — daar geeft de Heere nu Zijn discipel Johannes een wonder heerlijk gezicht in.

Daar gaat een deur open in den hemel, en zooals Johannes het nog nooit gezien heeft aanschouwt hij een troon in den hemel en hij ziet dat er Een op dien troon zit, die gansch heerlijk is.

Geen breede beschrijving van den hemel; geen uitgewerkte teekening van den troon; geen „beeld of gelijkenis" maken van den Heere die boven in den hemel is. Niets daarvan. Maar een kostelijke, duidelijke, hartverkwikkende mededeeling van 't geen hij in den Geest mocht aanschouwen, waarbij duidelijk wordt, dat de Heere heerlijk is en Zijn liefde en trouw tot in eeuwigheid blijft over Zijn Sion.

Of zegt de apostel niet, dat toen hij dea troon zag en Hem, die op den troon zat, alles in het aanzien gelijk was aan dèn steen Jaspis en Sardius?

En is de kleur van den Jaspis niet de kleur der helderheid, zooals het kristal helder is?

Zag hij dus den Heere niet bekleed met heerlijkheid ?

Hing Hem het glanzend kleed der majesteit niet om, waar Hij groot is en aanbiddelijk in heerlijkheid? ,

Neen — de Heere is niet een vorst zooals er zgn op aarde, vol gebrek, vol machteloosheid, vol fouten, vol grillen, — aan den ondergang onderworpen.

Zij mogen verschijnen — maar ze verdwenen pok. Zij mogen blinken — maar verzinken is weer hun toekomstig lot!

Niet alzoo de Heere des hemels en der aarde, de God van Sion, Die is bekleed met hemelsche heerlijkheid en Hij heeft een luister die alles overtreft.

Ook is bij Hem alles recht en waarheid.

Verre van Hem is alle goddeloosheid.

En wordt hier beneden wel twijfelmoedig gevraagd: „zou God het weten en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? " — Alles wat Hij doet is vol wysheid en alles wat Hij werkt is groot en goed, zonder gebrek, gansch volmaakt en heerlijk.

O! het is heerlijk en zalig wanneer het harte, door God begenadigd met de gaven des Geestes, weer eens mag inblikken in den hemel en den Heere mag aanschouwen zittend op Zijn troon bekleed met heerlijkheid. Dan legt de ziele de teugels van het bewind weer gaarne in 's Heeren hand en inplaats van mistroostig te vragen: wie zal ons het goede doen zien? wordt gezongen:

»'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên: Uw waarheid t'allen tijd vermelden door mijn reen. Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen. Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen; Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken."

't Was dus wel bemoedigend voor Johannes om zóo te mogen inblikken in den hemel, ziende een troon en op dien troon Een, die in het aanzien gelijk was aan den steen Jaspis en Sardius.

Door de heerlijkheid Gods kon zijn ziele verkwikt worden in betrekking tot de regeering en besturing aller dingen, waarbij de Heere alles zou besturen naar Zijn raad.

En waarbij Hij, de heerlijke en almachtige zou ijveren tegen de zonde en de ongerechtigheid, zou toornen tegen de vijanden Gods en de hateren van Zijn Gezalfde, die ook de geloovigen zouden tegenstaan met kracht.

Want staat er niet, dat de Heere gelijk was in 't aanzien aan den steen Jaspis en Sardius?

Is dat niet het doelen op het roode schijnsel van den Sardius, dat zich mengt in de helderheid van den Jaspis, wanneer men ze aanziet, beschenen door het licht der zon?

En is dat niet een beeld van den ijver Gods, dien Hij openbaart om recht te doen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen?

Neen, de heerlijke God, die bekleed is met majesteit, is.geen ledig Toeschouwer.

Maar zooals iemand het bloed naar het aangezicht vliegt en hem overdekt met een roode kleur als hij gansch zijn kracht en zijn ijver legt in een zaak, die hij met heel zijn hart voorstaat, ziet, zóo zag Johannes, dat de Heere ijvert voor de eere Zijns Naams, ijvert tegen de goddeloozen, ijvert tegen Zijn hateren, ijvert voor Zijn volk, ijvert voor Zijn gemeente, die Hij lief heeft met een eeuwige liefde.

En wat alles schooner nog maakt en de heerlijkheid van het aanzien dezer dingen zéér nog verhoogt, is 't geen volgt in het laatste gedeelte van het 3de vers: „en een regenboog was rondom den troon."

Dat is immers het teeken van Gods onwankelbare trouw, 't symbool van Zijn eeuviige liefde over Zijn uitverkorenen I

Dat is immers naar dat teeken, dat Hij zelf eenmaal schreef aan den hemel in Noachs dagen, om te zeggen, dat Hij nooit zou laten varen de werken Zijner handen en dat Hij Zijn volk nooit verlegen zou laten staan en nooit bedrogen zou doen uitkomen!

Dat is immers het goddelijk teeken en pand, dat Hij zelf gaf, om tot Zijn gemeente te zeggen: „Ik zal altijd by U zijn en U begeven noch verlaten!

En om dien regenboog dan weer boven den Heere te mogen aanschouwen waar Hij zit op Zijn troon, bekleed met heerlijkheid en ijverende voor de eere Zijns Naams — dat is immers 't zelfde alsof de Heere in de ziele geeft: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer". (Jes. 54:10.)

O! om op Patmos verbannen te zitten;  om overgegeven te zijn aan de vijandschap der wereld en de mistroostige overleggingen van eigen hart; om gansch vervaard te worden door allerlei verschrikkkingen van binnen en van buiten — en dan in de eenzaamheid en verlatenheid door den Heere zelf opgezocht te worden, door den H. Geest te worden opgetrokken en zulke dingen te mogen zien en zulke dingen te mogen hooren, o is het niet groot en goddelijk-heerlijk; is 't niet hartverrukkend en ziel verkwikkend. Is 't niet om van vreugd op te springen, in zijn God verblijd zijnde?

En daarmee is nog niet alles gezegd aangaande dat wondere gezicht van Johannes.

Want staat er niet nog wat bij? Staat er niet, dat de regenboog rondom den troon in het aanzien den steen Smaragd gelijk was ? Niet de zeven kleuren springen in het oog voor Johannes, 't Is, of de boog overtrokken is met de groene kleur, van den Smaragd.

En dat die groene kleur de overhand heeft is niet zonder groote beteekenis.

Of kan het groen, dat uitgespreid ligt over, het veld in het voorjaar ons niet toe roepen, dat alles nieuw is gemaakt; dat alles leeft; dat er nog geen einde is gekomen aan de barmhartigheden des Heeren, maar dat de Heere ook met óns geslacht weer opnieuw beginnen wil, om ons te zegenen? Spreekt het groene blad aan tak en twijg niet, dat de Heere niet moede wordt om ook nu weer Zijn verbond te gedenken?

En daarom — ja, die regenboog sprak van Gods verbond, van Gods trouw en liefde Maar zal dat verbond het wel altijd uit houden? Zal die liefde en trouw ten slotte toch niet eindigen?

Er gebeurt toch zoo veel wat God in den weg staat, wat den Heere smart en hoont en tergt — in de wereld en in de Kerk. Zal de Heere niet moede worden om te zegenen en wel te doen? Zal de Heere Zijn lankmoedigheid niet af breken over de wereld en zal Hij niet ophouden Zijn volk genadig te zijn? Als elk geslacht in goddeloosheid het vorig geslacht overtreft en als de voortgang der geschiedenis een voortgang in roekeloosheid en ongerechtigheid is — zal de Heere dan niet afbreken wat Hij begonnen is te doen; zal Hij niet moede worden om voort te gaan in het bewijzen van weldadigheid en ontfermen?

En ziet — dan staat daar een regenboog boven Gods troon. Een regenboog dekt Israels God en Sions Heer. En die regenboog spreekt met zijn groene kleur van hope voor de toekomst. Neen! de Heere zal Zijn Verbond niet verbreken. Hij zal voor elk geslacht weer Zijn trouw en liefde vernieuwen en bestendigen. Ook voor ónze dagen geldt nog, dat Hij niet zal laten varerr wat Zijn hand begon.

Ook voor Zijn Kerk in deze tijden spreekt Hij: „Ik de Heere word niet veranderd."

Ook nu mag Gods volk vernemen, dat de Heere regeert; dat Zijn raad zal bestaan; dat Zijn hateren zullen vallen; dat Zijn Sion zal leven.

En dat niet om iets dat in den mensch is. Maar alleen om de wille van Gods genadeverbond in Jezus Christus geopenbaard.

Ziet — dat is de vastigheid voor Gods kind en de blijde hope zijner ziele, dat alles ligt in dien verhoogden en verheerlijkten Zaligmaker en Borg, die dood geweest is, maar die nu leeft en die nog altijd zegt: „vreest niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven, dat voor u is weggelegd van voor de grondlegging der wereld."

O! ligt ónze zaligheid ook reeds iij Christus Jezus en is onze verwachting van Hem, die op Golgotha stierf aan een vloekhout, maar nu verhoogd is aan 's Vaders rechterhand ?

Die Hem mag kennen door genade als zijn Heiland en Borg, die zal niet beschaamd uitkomen.

Maar die hun hope hebben op iets anders — die zullen zien, dat alles vergaat en Jezus Christus als de laatste over het stof zal opstaan, om te oordeelen de levenden en de dooden en allen uit te werpen, die niet in oprechtheid tot Hem hun toevlucht leerden nemen.

Is onze toekomst dan reeds verzekerd, door het geloof in Hem die als Sions Vorst heerscht in den hemel en alles op aarde regeert?

Onder Zijne vleugelen is het veilig voor een nietig en ellendig zondaar, die leerde roepen: „Zone Davids, ontferm u mijner."

Veilig! Veilig altijd! Eeuwig veilig!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's