De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Een kloek woord.

Onlangs werd een aantal nieuw benoemde officieren beëedigd en in functie gesteld.

Gewoonlijk geschiedt de beëediging door de commandanten der korpsen, waarbij de officieren zijn ingedeeld. Ditmaal werd door de omstandigheid, dat het leger in oorlogstoestand verkeerde, van dien regel afgeweken.

De eed werd nu ook afgenomen in de Liniën en Stellingen door de vesting-en fort-commandanten.

Onze Banier het orgaan van de Nationale-Christen-Onderofficieren-Vereeniging maakt in het Decembernummer melding van de plechtigheid zooals deze in het fort bij Vechten plaats had, waarbij de kloeke rede, die de commandant de kapitein Havelaar hield, de bijzondere aandacht trekt.

Blijven de woorden uit de eedsformule: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig" gemeenlijk in de toespraak, die op de eedsaflegging volgt, onbesproken, dit was bij deze gelegenheid niet het geval.

Nadat de fortbezetting in hoefijzerformatie was opgesteld, en de eed was afgenomen, werd aan den jongen officier de beteekenis voorgehouden, van wat hij bij eede gezworen had: „Trouw aan de Koningin, gehoorzaamheid aan de Wetten en onderwerping aan de Krijgstucht."

Doch bij deze uiteenzetting bleef het, zooals de Banier bericht, niet.

Het slot van de rede van den fort-commandant luidde:

Dit alles hebt ge in deze stond plechtiglijk beloofd onder het aanroepen van de hulpe van God almachtig. Moge Hij, zonder wiens hulpe ook gij niets vermoogt, u daartoe kracht verleenen, . En zal ook Nederland met een rein geweten en vaste hand, mocht het zijn onder biddend opzien tot God, naar het zwaard moeten grijpen, laat dan ook in u die heilige snaar mogen trillen, welke alleen getrouw maakt tot in den dood.«

Dit kloek en ernstig belijden van den commandant van het fort bij Vechten zal ongetwijfeld op de groote bezetting diepen indruk hebben gemaakt.

De Zending verstoord.

Het is een bedroevend feit, dat de oorlog ook het rustige en gezegende werk der Zending verstoort.

Daar waar de Duitsche zendelingen arbeiden, wordt zoo spoedig dit aan Engeland gelukt, ook hier met kracht en geweld alles uitgewischt wat aan den tegenstander herinnert.

Eerst werd in Kameroen toen de Engelsche troepen daar binnendrongen als eerste machtsuiting, nadat het Duitsche koloniale bewind was omvergeworpen, Duitsche zendelingen van hun station gehaald, gevangen genomen en met vrouw en kinderen naar elders geëxporteerd.

En thans komt de tijding dat ook in Engelsch-Indie alle Duitsche missionarissen met heel hun gezin naar den kerker zijn verwezen en van daar naar den vreemde overgebracht.

De Standaard, die onlangs op een en ander wees, sprak daarover terecht zijn leedwezen uit,

Indië is evenals Kameroen een heidensch land. En welk een indruk moet 't nu niet op die heidensche bevolking maken, dat de éene Christen-Mogendheid de zendelingen, die uit het land van een andere Christen-Mogendheid kwamen, om haar het Evangelie te prediken, door de politie arresteeren liet, en met geweld van hun stations wegvoert.

De oorlog spaart niets, zelfs de Zending niet,

Twee bladzijden.

Het is een tragische afloop, de gevangenneming , van den vroegeren Boerengeneraal Christiaan de Wet,

Wie herinnert zich niet die grootscbe figuur uit den oorlog in Zuid-Afrika, die met Paul Krüger, Botha, Beijers en zoovele andere helden de Transvaal en den Oranjo-Vrijstaat tegen de Britsche troepen verdedigden.

Ongemeen sterk waren de banden, die de dappere zonen der beide republieken in de dagen van den vrijheidsoorlog bonden. In het heetst van den strijd stonden zij naast elkander, de een den ander aanvurende om tot den laatsten druppel bloeds den kamp vol te houden.

Die strijd om de vrijheid beslaat een schoone bladzijde in de historie van Zuid-Afrika.

Maar hoe is dat alles veranderd!

Christiaan de Wet gevangen genomen op last van het Gouvernement, aan-'t hoofd waarvan zijn gewezen kameraad Botha staat.

Heeft de Wet gezondigd dan wei Botha? Was de Wet een verrader of heeft Botha zich vergrepen? Wij spannen daarover de vierschaar niet.

Arm volk van Transvaal en Vrijstaat, gescheurd in twee deelen. De Wet in de gevangenis en Beijers vluchtende.

Ziehier een donkere bladzijde in diezelfde historie,

üit de Tweede Kamer.

Onder het hoofd „Benoeming van een hoogleeraar" komt in het voorloopig verslag op Hoofdstuk V der Staatsbegrooting het navolgende voor:

Eenige leden oefenden critiek uit op de benoeming van den hoogleeraar aan de theologische faculteit te Leiden, belast met de uitlegging van het Nieuwe Testament, Zij betwijfelden of deze genoeg waarde aan het Nieuwe Testament hechtte om voor eene benoeming in aanmerking te mogen komen. Was hun twijfel gerechtvaardigd, dan ging deze benoeming in tegen de wenschen der Ned. Hervormde Kerk, die de belijdenis niet heeft afgeschaft en wier meerderheid rechtzinnig is.

Sommigen dezer leden had deze benoeming ook hierom bijzonder getroffen, wijl bij de verkiezingen van 1913 de vorige Regeering vanwege de partijen, waaruit het tegenwoordige Ministerie is voortgekomen, bij herhaling was verweten, dat zij de belangen der Ned. Hervormde Kerk verwaarloosde. Dit zou o. m. zijn gebleken uit de benoeming aan de Utrechtsche univeriteit van den hoogleeraar Noordtzij, hoewel deze niet tot de Ned. Hervormde Kerk behoorde. Moet deze Regeering dan niet een sterker verwijt treffen, wanneer zij door de aanstelling van den hoogleeraar Windisch niet alleen de Ned. Hervormde Kerk negeert, maar zelfs een vreemdeling benoemt?

Dat hier met de belangen der Ned. Hervormde Kerk geen rekening werd gehouden, betreurde men ook om de hier volgende .reden. Steeds is verdedigd dat aan eene universiteit, waarvan universitas scientiarum het kenmerk moet zijn, eene theologische faculteit niet mocht ontbreken. Dit bracht echter mede, dat de Staat zich de medewerking verzekerde van een kerkgenootschap, dat bereid was zijne aanstaande leeraren aan de theologische faculteit der Rijkshoogeschool te doen opleiden. Die hulp vond zij in ée Ned. Hervormde Kerk en in haar alleen. Hiermede moest echter bij de benoemingen rekening worden gehouden. Ook indien de Regeering eene benoeming van een orthodoxen hoogleeraar ongeraden achtte, had zij niet buiten genoemd kerkgenootschap behoeven te gaan, wijl ook onder de modernen een geschikt persoon ware te vinden geweest.

Verscheidene leden, die de aangevoerde bezwaren tegen deze benoeming niet deelden, keurden, afgezien daarvan, de benoeming van een buitenlander af en meenden dat in het algemeen aan vreemdelingen eene al te ruime plaats wordt toebereid bij de bezetting der leerstoelen aan onze universiteiten.

Andere leden achtten bovengenoemden eisch betreffende de innerlijke overtuiging des hoogleeraars onredelijk. Waar de Regeering eene vacature aan eene Rijksuniversiteit had te bezetten, moest zij zich afvragen wie der in aanmerking komende candidaten wetenschappelijk de voorkeur verdiende, doch had zij met de eischen van eenig kerkgenootschap geen rekening te houden. De Ned. Hervormde Kerk, die toelagen van het Rijk ontvangt voor de opleiding harer predikanten, is in de gelegenheid aan eigen seminaries docenten te benoemen, die naar haar geest onderwijs geven. Bovendien had de Regeering door deze benoeming zich gehouden buiten hetgeen 'de Ned, Hervormde Kerk verdeelt. Een beroep op hetgeen bij de verkiezingen door sommigen het vorig Kabinet als grief was aangerekend, ' ging tegenover deze extraparlementaire Regeering niet op. Overigens herinnerde men aan de in uitzicht gestelde hervorming der theologische faculteit, wettelijk vastgelegd op voorstel van den Minister Kuyper; leden, die de hier besproken benoeming afkeurden, hebben hunne medewerking niet onthouden' aan de wetswijziging, welke deze hervorming op de lange baan schoof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's