De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

5 minuten leestijd

In de Kerkelijke Courant schrijft Prof. Gooszen, — redacteur van het niet-ofiicieel gedeelte — het volgende over de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl Godsd. onderwijs:

Zooals te verwachten was heeft het besluit der Synode om dé clausule: „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak der daarin bevatte belijdenis, verklaring en belofte" weg te nemen uit artikel 32 reg. o. h. godsd, ond, nog al verschillende beoordeeling gevonden, In de Ned, Kerkb, gaf J. R, zijn warme sympathie er mee te kennen; daarentegen drukte het Weekbl. v. vrijz, hervormden zijn spijt er over uit, eerst in een kort bericht, later in een paar uitvoerige artikelen, en acht de wegneming der clausule zeer bedenkelijk voor de vrijzinnigen, zoodat alles door hen moet worden in het werk gesteld om de vaststelling van die wegneming te keeren. Over wat door de vrijzinnigen gedaan moet worden indien toch de weglating tot wet verheven werd, laat het Weekblad zich nog niet uit. „De Heraut, " dit besluit onzer Synode besprekende in verband met de niet-aanneming van de verscherpinsformules in. de proponentsformule, neemt een loopje met de zaak, en vergelijkt de Synode der N. H. kerk bij een kalf, dat kromme sprongen maakt, en nu eens u tegemoet komt, dan weer wegijlt. Het verwerpen der verscherpingstermen en het aannemen van de schrapping der geest-en-hoofdzaakclausule is volgens haar „een geven en nemen, een bemiddelen en modderen, een sparen van de kooien de geit." De Synode was „ongestadig in al hare wegen."  Wij gelooven, dat dit oordeel onbillijk is; niet een „geven en nemen, " een zich zelf ongelijk zijn, maar een (streven het juiste midden te vinden en te handhaven in den strijd der partijen was, naar 't ons voorkomt, het kenmerk dezer besluiten. Het was' bijna niet te verwachten, dat deze overwegend orthodoxe Synode geheel in den geest der vrijzinnigen zou handelen. Er was veeleer grond om te vreezen, dat het streven der Confessioneelen en Gereformeerden zou zegevieren, en de verscherpingsvoorstellen zoo niet alle, dan ten minste ten deele zouden worden rangenomen. Het is reeds eene zaak van beteekenis, waarover de vrijzinnigen zich verblijden kunnen, dat dit niet is gebeurd, en de proponentsformule vrij gebleven is van alle bijvoegingen, die ze voor vrijzinnigen moeilijk te onderteekenen gemaakt hebben zou. Ofschoon de bijvoeging „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" desnoods ook door vrijzinnigen had kunnen warden aanvaard, indien ze geëxegetiseerd werd in den geest der vrijzinnige opvatting, toch is het beter, dat zulk een letterzifterij niet noodig is en vrijzinnige candidaten zonder hun geweten te bezwaren de formule kunnen blijven onderteekenen. Dat het radicale voorstel van de hoogleeraaren Oort en Meyboom, alle voorgeschreven vragen af te schaffen, geen instemming vinden zou, was te verwachten; ofschoon het nog steeds ook onze overtuiging is dat dit'de ware regeling zou zijn, vooral met het oog op de in art. 38 voorkomende bepaling, dat de aannemelingen „belijdenis van hun Christelijk geloof afleggen" moeten. De voorgeschreven vragen schijnen ons een noodelooze herhaling van die reeds afgelegde belijdenis.

Maar... we weten het, dat met uitzondering van weinigen ook de vrijzinnigen niet deze volle vrijheid aandurven, en een zekere geformuleerde «belijdenis" toch wenschelijk achten. Met 't oog op deze nagenoeg algemeene beschouwing kon er natuurlijk geen sprake zijn van het afschaffen der vragen. Wat nu echter de geest-en-hoofdzaak-clausule betreft, hoezeer ook wij de wegneming daarvan betreuren zouden, omdat dit vele, zoo niet alle vrijzinnigen in een onaangenaam condict met hun geweten brengen zou, toch kunnen we het begrijpen, dat het. voorstel tot wegneming een meerderheid, zij het ook een zeer kleine, vinden kon in de Synode. Al deelen wij die opvatting zelf niet, toch begrijpen we dat zelfs gematigde orthodoxen het bedenkelijk vinden door die clausule de voorgeschreven vragen feitelijk waardeloos te maken, de deur open te zetten of te laten, voor schromelijke willekeur en tevens een struikelblok in de kerkelijke rechtspleging te laten bestaan, dat telkens tot procedures aanleiding geeft, terwijl de vraag, wie te beslissen heeft of gedane vragen al of niet «geest en hoofdzaak" der voorgeschrevene weergeven, nog altijd niet is opgelost.

Op de vraag: moet de kerk de vragen, die de belijdenis geacht worden saam te vatten, voorschrijven, ja, of neen, heeft de Synode bevestigend geantwoord. Als de kerk het recht en den plicht heeft dogmatische formules voor te schrijven ter beaming door de nieuwe lidmaten, dan is een verzwakken van die voorschrijving door eene formule als de geest-en-hoofdzaak-clausule zeker inconsequent, en ligt 't voor de hand het ontduiken van de voorgeschreven dogmatische formules door 't zeer ruim opvatten van de termen "geest en hoofdzaak" voortaan onmogelijk te maken.

Wij meenen echter, dat een voorschrijven van dogmatische formules door de kerk in hare reglementen moet afgekeurd worden, en een geheel vrijlaten der formuleeringen voor predikanten en lidmaten gewenscht is. Deze vrijheid wordt echter beter uitgedrukt in de reglementen door een wegneming van de vragen zelf, dan door de bekende thans voorloopig geschrapte formule. Natuurlijk is dit voor het oogenllik voor vrijzinnigen een onbereikbaar ideaal; en daaruit vloeit van zelf voort, dat thans alles gedaan moet worden de gewraakte formule te behouden; maar het eigenlijk doel der vrijzinnigen kan o. i. geen ander zijn dan een geheel wegvallen uit onze reglementen van alles, wat aan confessioneelen en dogmatischen dwang herinnert, en eene herziening van die reglementen in vrijzinnigen geest. En met het oog daarop had het voorstel Oort-Meyboom meer steun verdiend van de zijde der vrijzinnigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's