De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Ds. J. J. Knap Herv. predikant te Groningen is in den laatsten tijd in het midden van ons Kerkelijk leven met zijn geschriften zóo naar voren gekomen, dat het wel ieder zal zijn opgevallen. Kort geleden kende eigenlijk niemand dezen Groningschen leeraar en nu ligt er een stapel geschriften van hem dat het verbazing wekkend is; te meer waar ze schoon en degelijk van inhoud zijn.

't Eerste wat wij in handen kregen was de Heidelbergsche Catechismus. En we bereiden ons nooit voor tot onze Catechismusprediking of we lezen na wat Ds. Knap geschreven heeft in zijn toepasselijke verklaring, 't Is steeds de moeite waard zijn beschrijving en uitlegging door te lezen en na te gaan.

Zoo trof ons onlangs de bespreking van Zondag 31 handelend over de sleutelen des hemelsrijks.

Wij laten hier (in 3 vervolgstukken) overdrukken, wat Ds. Knap daarover schrijft:

„De Catechismus behandelt in deze 31ste Zondags afdeeling een zaak, die in nauw verband staat met den bloei of het verval der gemeente. Hij vermijdt zorgvuldig de klippen, waarop men het scheepke van menige Kerk heeft zien stranden, en wijst het diepe water aan, waarin alleen een veilige weg voor de Kerk des Heeren ligt. Het gaat hier om de vraag, of er, gelijk in elk huisgezin, ook discipline in de Kerk moet heerschen, dan wel of deze groote gemeenschap zonder tucht in stand kan blijven ? Eenerzijds heeft men in den loop der eeuwen meermalen gepoogd de Kerk te zuiveren tot een heiligen broederkring, waarin alléén beslist bekeerden een plaats konden vinden. Dit streven vond meestal zijn oorsprong in een benijdenswaardigen dorst naar heiligheid, en is als zoodanig te prijzen; maar het riep tevens noodzakelijkerwijze gevaren van hoogst bedenkelijken aard op. De hoofden der gemeente moeten bij dit schijnbaar aanlokkelijk stelsel uitmaken, wie bekeerd en wie onbekeerd is. Ze moeten dit niet beoordeelen naar wat voor oogen is, als maatstaf nemende de belijdenis en den wandel, maar zij moeten als rechters zitten over iemands conscientie, een uitspraak over iemands innerlijk, verborgen leven doen, en zoo de plaats innemen, die alleen aan den Hartekenner toekomt. Hiermee is alleen reeds dit stelsel geoordeeld.

Wil dit nu zeggen, dat een Kerk in beter positie verkeert, wanneer alle discipline ontbreekt en het onkruid onbekommerd tusschen de tarwe kan tieren, zelfs op gevaar af het goede zaaisel te verstikken? Bijna niemand wil het laatste. Het zedelijk besef wordt gekrenkt, wanneer de Kerk de lieden, die zich grovelijk misgaan, ongemoeid laat en hun zelfs den toegang tot 's Heeren Avondmaal niet ontzegt.

Maar wel willen, velen, dat er onbeperkte leervrijheid heersche, dat de band eener gemeenschappelijke belijdenis, zoo al niet weggenomen, dan toch gevierd worde en dat de mogelijkheid blijve bestaan om op denzelfden kansel des avonds af te breken wat er des morgens opgebouwd is.

Natuurlijk moet dit leiden tot verwarring der eenvoudige zielen en op den duur tot verwoesting der Kerk. Een huis dat tegen zich zelf verdeeld is, kan niet bestaan. Bovendien verloochent de Kerk aldus haar teeder en heilig karakter; er is geen geestelijke band meer, die haar leden sa4m houdt, de Kerk gaat als zoodanig te loor.

Het is daarom van belang den Catechismus in zijn Schriftuurlijk onderwijs te dezer zake aandachtig te volgen. Hij handelt eerst over de sleutelen des hemelrijks,   beschrijft vervolgens de werking van den eersten sleutel, namelijk de prediking des Evangelies, en bepaalt ons ten slotte bij de werking van den tweeden sleutel, namelijk den Christelijken ban.

Eerst komt dus de vraag aan de orde: „ Wat zijn de Sleutelen des hemelrijks ? " Waarop de Catechismus ze aldus beantwoordt: „De verkondiging des heiligen Evangelies en de Christelijke ban of de uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen opengedaan en den ongeloovigen toegesloten wordt." Naar luid van deze woorden gaat het bij de uitoefening der kerkelijke discipline niet slechts om de opneming in — of uitsluiting buiten den kring der geloovigen op aarde, maar om de toelating tot — of de verbanning uit het hemelrijk. Dit is een zaak van hoogen ernst. '

Toen Jezus Zijn prediking aanving, verkondigde Hij, dat het Koninkrijk der hemelen uabij gekomen was. Het was er nog niet, maar het stond te komen, en toen Hij aan het Kruis gestorven was, toen was dat hemelrijk in beginsel ook op aarde gesticht, schoon het nog steeds zijn rijkste ontplooiing in de hemelen heeft.

De toegang tot dit rijk beslist over ons eeuwig wel of wee. Wie er in is, wordt zalig; maar wie er buiten staat, heeft de rampzaligheid te verwachten.

Vandaar de vraag van ons hart, waar de poort is, die toegang tot het hemelrijk verleent?

In den diepsten grond is Christus zelf natuurlijk de toegang, zooals Hij gezegd heeft: „Ik ben de Deur, " en er is voor niemand mogelijkheid buiten Hem de genade en later de heerlijkheid deelachtig te worden.

Nu heeft Christus echter ambten en bedieningen in het aanzijn geroepen, de bediening des Woords en der Sacramenten verordend, alvorens de aarde te verlaten en aldus alle gegevens verschaft, waaruit later de zichtbare Kerk vanzelf moest opbloeien. Deze Kerk moest Zijn Naam uitdragen in de wereld tot aan de uiterste einden der aarde. Zij werd aldus de door Hem zelf aangewezen weg naar het hemelrijk. Zij was niet en is niet het hemelrijk zelf, maar leidt er den zondaar heen. Zij staat niet los naast het hemelrijk, maar beheerscht er den ingang van. Zij is, om alles in éen woord te zeggen, de poort, en wel de door Christus zelf gebouwde poort, die den zondaar van het terrein der wereld naar dat der genade overbrengt.

Om deze poort tot het hemelrijk nu te openen en te sluiten heeft Christus een tweetal Sleutelen ingesteld: den Sleutel der Evangelieverkondiging en den Sleutel van den Christelijken ban.

Toen Simon Petrus Hem als den Christus,  den Zoon des levenden Gods beleden had, beloofde de Heiland op deze petra Zijn gemeente te zullen bouwen. Hij bekleedde dien apostel, die uit aller naam gesproken had, daarop met de Sleutelmacht, zeggende: En Ik zal u geven de Sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoowat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn, " (Matth, 16 : 19)

Deze macht werd zóo weinig aan Petrus uitsluitend opgedragen — gelijk Rome beweert — dat de Verrezene haar uitdrukkelijk na de Opstanding aan alle apostelen schenkt. Wanneer Hij in hun midden verschijnt, blaast Hij op hen, deelt hun aldus de ambtelijke gave des Geestes mede en betuigt: Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden, " (Joh, 20 : 22—23)

Ja, er is nog meer. Ook de gemeente zelve oefent die macht, zij het dan dat zij dit door den dienst der opzieners en voorgangers doet. Zij is het hoogste gericht op aarde, wijl zij den Naam des Heeren Jezus Christus belijdt, die over den toegang tot het hemelrijk beslist. Daarom zegt Christus' ook tot haar, wat Hij tot Simon Petrus en de andere apostelen gezegd had: „Voorwaar zeg ik u, alwat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen."

Tot driemaal toe heeft Christus alzoo over de Sleutelmacht gesproken — wel een bewijs van den ernst der zaak: Petrus, de apostelkring en heel de gemeente — het wordt hun allen op de conscientie gebonden om de wacht bij het heiligdom te betrekken en scherp toe te zien, dat er geen moedwillige smaad op den Naam des Heeren worde gelegd, "

(Wordt vervolgd.)

Het vloeken.

In zijn Studiën en Schetsen schrijft prof. Fabius:

Tegen het misbruiken van Gods heiligen naam wordt soms verzet geboden op zwakken, eenigzins bedenkelijken grond.

Het heet dan, dat vloeken moet worden nagelaten, wijl het stuitend is voor wie 's Heeren naam heilig achten, en bij het misbruiken van dien naam tegenwoordig zijn,

Zoo wordt het eene zaak van een ontzien van elkaars gevoelens, van naastenliefde, van beleefdheid, van fatsoen.

En straks kwam wellicht een ander, die verklaarde zich juist gehinderd te voelen door het noemen van God's naam op eerbiedige wijze.

Ook is verdragen, het immers eene deugd veel te kunnen •

Neen, heel anders heeft men de kwestie te stellen.

Des Heeren naam mag nimmer worden misbruikt; dit te doen is altijd groote zonde.

Die zonde mag de Overheid niet dulden op het openbare erf, noch in hare instellingen.

In het private leven mengt zij zich ook ten dezen aanzien niet.

Maar wèl is ieder particulier gehouden, waar ook dat kwaad zich voordoet, mede ter ontlasting van eigen consciëntie, daartegen te getuigen.

Niet wijl het hem hindert.

Dat beteekent in zekeren zin niemendal.

Veeleer, wijl dit kwaad den vloeker zelve hindert, dien bezwaart.

Bovenal wijl het zonde is tegen God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's