Staat en Maatschappij.
Een openbare bededag gevraagd.
De heer Brummelkamp de anti-revolutionaire afgevaardigde voor Loosduinen heeft in de Kamer een ernstig woord gesproken ter ondersteuning van den wensch dat de regeering er alsnog toe zal overgaan om een openbaren bededag uit te schrijven.
De kloeke rede, die de Loosduinsche afgevaardigde bij deze gelegenheid uitsprak, laten wij hieronder in haar geheel volgen.
De hoer Brummelkamp zeide:
Er is, Mijnheer de Voorzitter, in verband met het nog altijd aanwezig, gansch niet denkbeeldig gevaar, ééne zaak, die ik meen bij uitstek actueel te mogen noemen, en waaromtrent ik der Regeering een wensch zou willen kenbaar maken.
Ik wensch te vragen, of de Regeering niet het oogenblik gekomen acht, om, onder aanwijzing harerzijds van een bepaalden datum, dat een gewone weekdag zou moeten zijn, de natie uit te noodigen — ik gebruik opzettelijk dit woord — de natie uit te noodigen, zeg ik, dien dag het geheele land door af te zonderen tot een openbaren bededag.
Een dag waarop van regeeringswege alle publieke arbeid, behalve wat niet stil kan staan, wordt stilgezet en de natie, afgezien van wat de kerken en kerkgenootschappen, doende wat der kerken is, op haar gebied zelfstandig verrichten, uitgenoodigd wordt het aangezicht van God Almachtig te zoeken en Hem eerbiedig de belangen van land en volk in deze bijzondere omstandigheden in den gebede voor te dragen.
Mijnheer de Voorzitter! Ik behoef niet opzettelijk aan te wijzen de zedelijke bevoegdheid der Regeering om zulk een dag uit te schrijven. Verlangt men het, dan zeg ik dit: de Overheid, regeerende bij de gratie Gods, gelijk in elk wetsontwerp uitdrukkelijk verklaard wordt, ontleent, eo ipso, daaraan dus het recht en den plicht om de natie openlijk te wijzen op Hem van wien alle gezag afdaalt, Die machtig is te zegenen en den zegen terug te houden, te bewaren en los te laten, in gevaar het zwakke sterk te maken en het kleine te behoeden tegen de overmacht van onrecht en geweld.
Van zulk een oproep tot nationale aanbidding geeft jaarlijks en gaf ditmaal de President der machtige Amerikaansche Republiek een indrukwekkend voorbeeld.
Een voorbeeld dat niet alleen staat in de geschiedenis.
Ik herinner aan de in vroeger tijden hier te lande veelvuldig gehouden boet-en bededagen. Van het jaar 1624 alleen vermeldt de kerkhistoricus Kist er acht.
In Gelderland en Overijsel wordt nog jaarlijks zulk een dag gehouden.
Van sommige dier dagen verhaalt de immers bij het tegenwoordig geslacht nog niet vergeten geschiedenis, dat zij den vijand meer vrees inboezemden dan de legers en vloten, die de kleine Republiek tegen hen vermocht uit te rusten.
Mag ik hierbij den naam der Oranjes noemen, dan wijs ik op dat onvergetelijk woord van Willem den Zwijger over het verbond met den alleroppersten Potentaat der Potentaten, dat hij gemaakt had; op het gebed dat hij nog stervende voor »dit arme volk" uitstortte. Ja op den held van Nieuwpoort, die na de zege zich van het paard en op de knieën wierp en zeide: o God, wie zijn wij menschen, dien Gij zulk een eere en overwinning gegeven hebt."
Mijnheer de Voorzitter! Toen in die eerste Augustusdagen de ons bijna vreemd geworden bange werkelijkheid tot de natie doordrong, dat het zwaard getrokken en de krijg ontketend was, hebben we als onmiddelijke terugslag daarvan iets mogen zien van wat de edele F. D. Maurice in zijn Lectures on Social Morality noemt «national worship".
Er was een drang om stil te staan, om tot zich zelf in te keeren, om zich rekenschap te geven van den weg waarop men zich bevond, om te vragen, of God, gelijk in de dagen onzer vaderen, nog als de God van Nederland erkend werd.
De bedehuizen stroomden vol, zonder afspraak, zonder drang op werkdagen; het was opeens of de onzienlijke dingen nader tot ons waren gekomen, en een soberheid in opvatting en levenswijze werd waargenomen, die weldadig afstak bij wat vóór dien dag werd gezien.
We voelden ons als op een keerpunt.... Toch was er in dat gevoel iets van een leemte. Er scheen nog iets te ontbreken in deze beweging.
Het was het besef dat nog niet de geheele natie, de natie als een eenig man, met de Overheid aan het hoofd, als vertegenwoordigende alle volkskringen in hun geheel, aan dezen nationalen «worship" deelhad genomen.
En nu schijnt mij het oogenblik gekomen, om aan deze onvervulde behoefte voldoening te geven.
Mijnheer de Voorzitter, ik mag niet, ik wil niet profeteeren, maar ik durf zeggen, dat velen sedert lang naar dezen oproep van Overheidswege hebben uitgezien, en dat, als hij komt, bij duizenden echo's zal wakker roepen in het hart van het oude Nederland, ook daar waar men het misschien niet zou verwachten.
Laat mij ten slotte er dit eene nog bijvoegen.
Toen Hare Majesteit de Koningin onlangs in ons midden de Zitting der Staten-Generaal kwam openen en een openhartige blootlegging van den toestand gat, met een warme opwekking om eendrachtig onze taak te vervullen, besloot Zij hare rede:
ïMet de bede dat God ons kracht moge schenken" en verklaarde daarmee de zitting geopend.
Mij dunkt, de oproep waarvan ik sprak zou geheel en al passen op dat Koninklijk woord.
Hij zou het bewijs zijn dat in het Nederlandsche volk een hart klopt, eenstemmig met het Oranjehart, dat in deze bede zich uitsprak.
Deze rede die met groote aandacht door de Kamer werd aangehoord, zal ongetwijfeld bij ons Christenvolk in den lande weerklank vinden.
Zeker is het dat velen hebben uitgezien en nog uitzien naar een oproep van Overheidswege om gezamenlijk het aangezicht van God Almachtig te zoeken en Hem eerbiedig de belangen van land en volk in deze byzondere omstandigheden in den gebede voor te dragen.
De heer Brummelkamp verdient den dank van alle man van Christelijken huize voor het goede woord wat hij in 's lands vergaderzaal sprak, en waarin hij vertolkte wat op dit oogenblik in veler hart leeft.
Afgewezen.
Het antwoord van den Minister van Binnenlandsche Zaken op de vraag van den heer Brummelkamp was niet bemoedigend. De wensch, dat de Overheid de natie zou uitnoodigen tot een openbaren bededag werd afgewezen.
Zeker de Minister gaf toe en hij was het er mede eens, dat het zich in tijden van druk en rampspoed wenden tot den Allerhoogste niet alleen overeenkomstig de menschelijke natuur, maar ook een uiting van vroomheid is, die den mensch siert Maar ondanks dat, blijft het naar 's Ministers meening twijfelachtig, of het wel zou strooken met den wensch van de meerderheid der natie, dat de Regeering in geloofszaken het initiatief zou nemen, dat zij zich op eenigerlei wijs in geloofszaken zou mengen. Waar dit het geval is, was de Minister van oordeel, dat het beter is zich te onthouden, want men zou gevaar loopen, dat inplaats, dat men kreeg een algemeene uiting van vroomheid, men zou staan voor een uiting van tweedracht, die in elk geval zou zijn te vermijden.
De motieven, die de Minister voor zijne weigering om het verzoek van den afgevaardigde van Loosduinen in te willigen, aanvoerde, lijken ons niet alleen zwak, maar ook weinig steekhoudend.
Het groote argument dat Mr. Cort van der Linden bezigde, kwam eigenlijk alleen hier op neer, dat de Overheid heeft rekening te houden met den volkswil. De regeering, zoo de Minister, heeft zich af te vragen, of wat begeerd wordt wel overeenkomstig den wensch van de meerderheid der natie is.
Terecht voegde de heer Brummelkamp in zijn repliek Mr. Cort van der Linden toe, dat diens standpunt geen ander schijnt te zijn, dan: „ik sta hier eenvoudig om uit te voeren den op een gegeven oogenblik gebleken, wil van de natie".
De Minister wraakte echter in tweede rede zijn beroep op den volkswil. Wat hij had willen zeggen, was, dat wanneer van Overheidswege, het initiatief zou worden genomen om tot een dergelijken biddag te komen hetzij in den vorm van een verzoek, hetzij op andere wijze, dit bij vele menschen in den lande aanstoot zou geven.
Merkwaardig is het verschil tusschen de eerste en de tweede rede van den Minister wat betreft de woorden „de meerderheid de natie" in de eerste en „vele menschen" in de tweede redevoering die aan de oproeping der Overheid aanstoot zouden nemen.
Met die nadere toelichting kon Mr. Cort van der Linden intusschen zijn beroep op de meerderheid der natie niet ongedaan maken. Gelukkig vond hij er iets op om uit de impasse te geraken. Hij wilde het dr. de Visser, die zich ook in het debat gemengd had, nazeggen: „dat een biddag te heilig is, dan dat men dien moet maken tot een voorwerp van discussie".
Dr. de Visser, die zijn warme sympathie betuigt met het denkbeeld, dat door den heer Brummelkamp was naar voren gebracht, nam aan de discussie deel om het Staatsrechtelijk bezwaar van den Roodhuizen te weerleggen, dat gelegen was in den aandrang om een biddag van Overheidswege uitgeschreven te krijgen.
Op juiste en onaanvechtbare gronden bestreed de afgevaardigde van Katwijk het bezwaar van den heer Roodhuizen. Daar de heer de Visser later de uitdrukking bezigde, dat hij de zaak van het gebed in het algemeen en van een biddag in het bijzonder veel te heilig en te ernstig achtte om haar tot een onderwerp van discussie te maken, is juist, maar hij voegde daaraan deze woorden toe „in deze Kamer" wat natuurlijk, naar het ons voorkomt, heel iets anders is als wat Mr, Cort van der Lindon er van maakte, die de woorden van den afgevaardigde in het gemeen nam.
Intusschen was het resultaat van het debat, wat wij hierboven neerschreven, dat de wensch om de natie van Overheidswege tot een openbaren biddag uit te noodigen, werd afgewezen.
Het doet ons leed, dat de regeering niet heer aan het verzoek van den heer Brummelkamp voldeed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 december 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's