Uit de Pers.
De sleutelen des hemelsrijks.
III.
Ds. Knap schrijft over den tweeden sleutel het volgende:
„Er is echter nog een tweede Sleutel, waarvan de Catechismus spreekt in de vraag. „Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban? " (Vr. 85.)
Hierop luidt het antwoord „Alzoo als, achtervolgende het bevel van Christus, degenen, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren nadat zij menigmaal broederlijk vermaand zijnde van hunne dwalingen of hun schandelijk leven niet afstaan willen der gemeente of degenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en zoo zij naar de vermaning niet vragen, van hen lieden door het verbieden van de Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van God zelven uit het Rijk van Christus gesloten worden, — en wederom als lidmaten van Christus en Zijne gemeente aange nomen, zoo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen." (Antw 85).
De naam ban, dien deze Sleutel draagt, is aan Israël ontleend Er was daar drieërlei ban: voor den eersten werd men tijdelijk uit de vergadering buitengesloten, de tweede ging met een verwensching geaard, en de derde bestond in een volledige afsnijding of consuier voor de gemeente. Eene soortelijke tuchtoefening is nu eveneens onmisbaar in de Nieuw-Testamentische gemeente. Zij ontleent haar gezag, zegt de Catechismus, aan het bevel van Christus gelijk dit neergelegd is in de hierboven reeds aangehaalde Schriftuurplaatsen, en werd in de eerste gemeenten daarom naarstig betracht (1 Kor. 5:4, 5, 11, 2 Kor. 2:6, 7, 8.) Zij ging zoowel over de leer als over het leven. (Rom. 16 : 17. Titus 3 : 10), ook over de leer, en terecht, omdat 'ten slotte het leven beheerscht wordt door de beginselen, die men belijdt, iets wat voor elk ander levensterrein grif door een iegelijk wordt toegestemd, maar wat door velen onbegrijpelijkerwijze in verband met de religie betwist wordt. Leer en leven staan tot elkander als wortel en vrucht, en een toezicht, dat uitsluitend op den wandel let, zonder zich om de belijdenis te bekommeren, miskent de heerschende macht der beginselen, waaruit het uitwendige leven opbloeit. Groote omzichtigheid is hier echter, zoowel als teedere trouw geboden. De Catechismus wijst degenen, die door de tucht getroffen worden, aan als zulken, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren. Er is hier dus geen sprake van een verborgen gebleven zedelijken mistred, noch ook van een lichte dwaling in de belijdenis, die de fundamenteele waarheden niet raakt, maar van een doorgaande levensgewoonte, die ergenis wekt, en van een belijdenis, die voor een ieder zichtbaar tegen de Schrift indruischt en publiekelijk aanstoot geeft.
De ban sluit iemand niet slechts buiten de Kerk, maar buiten het hemelrijk, zooals wij hierdoor gezien hebben. En wie zou hem dan willen of mogen toepassen op den door de zonde verrasten broeder, die in verbrijzeling over zijn val neerligt, of op den man, die op een punt van minder aanbelang van de belijdenis afwijkt? Hier is geen afsnijding, maar kalm en liefderijk vermaan op zijn plaats, een ernstig woord, voortkomend uit een biddend hart, kan in deze gevallen van gezegenden invloed zijn. De gemeente — zoo zij klein is — of anders, zoo zij grooter is, de Kerkeraad, die hiertoe het aangewezen lichaam is, wordt er eerst mede gemoeid, wanneer een dooplid of belijdend lidmaat aanleiding tot opspraak geeft, hetzij door zijn zedelijk wangedrag, hetzij door zijn openlijk aantasten van de grondslagen der waarheid. Ook dan nog moet er, volgens den Catechismus, een menigmaal herhaald broederlijk vermaan aan voorafgaan. Stuit men daarbij, niet slechts de eerste, maar ook de laatste maal op hardnekkige onbekeerlijkheid, dan is het oogenblik gekomen den Kerkeraad met de feiten, op bewijzen gesteund, in kennis te stellen, opdat deze de Sleutelmacht gebruike en daarin zoowel het heilig houden van den Naam des Heeren, als het behoud van den zondaar zoeke.
De eerste trap der alsdan toegepaste tucht is de vermaning vanwege den Kerkeraad der gemeente. Blijft deze vermaning zonder gevolg, dan wordt den zondaar het gebruik der Sacramenten ontzegd. En leidt ook deze maatregel niet tot boetvaardigheid, dan moet ten laatste de afsnijding volgen, maar wie haar toepast zij wel overtuigd van den ontzaggelijken ernst dezer handeling, overmits men er openlijk mede betuigt, dat deze bepaalde zondaar buiten het hemelrijk staat.
Mocht men nu meenen, dat de taak der Kerk hiermede geëindigd is, zoo zou men grootelijks dwalen. De gemeente is in deze zaak mede gemoeid om haar op te wekken tot aanhoudend gebed voor den gevallen broeder. De afgesnedene wordt niet vergeten, maar zijn naam wordt voor den Troon der genade neergelegd, en ook het persoonlijk, thans zoo mogelijk nog teerder vermaan gaat rusteloos voort. Ook deze Sleutel is van het goud der liefde gemaakt. Hij is niet alleen bestemd om te sluiten, doch eveneens om het hemelrijk voor den boetvaardige wederom te openen. Wanneer de afgesnedene dan ook metterdaad waarachtige betering belooft en bewijst, wordt de deur der Kerk, wordt de poort van het hemelrijk wederom voor hem ontsloten en ontvangt de gemeente hem zonder verwijt. Er is blijdschap in den hemel over een zondaar, die zich bekeert. Er is feest in het huis, waar de verloren penning weder bij den schat gevoegd wordt. Er heerscht blijdschap in de Kerk, waar de verloren zoon terugkeert met de belijdenis op de bevende lippen: "Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u!"
Een Kerk, die de beide Sleutelen op deze wijze bedient — geen andere — staat met een vrije conscientie voor God. Zij zal zich ook in dezen weg niet volmaakt zuiver kunnen houden, want zij oordeelt niet over de harten. Er is slechts Eén, die ons tot op den bodem van ens wezen doorgrondt. Wanneer Hij op den dag des gerichts de Sleutelen toepast, zal wellicht de poort voor menigeen openspringen, die onze kortzichtigheid buitensloot, en zal zij dicht vallen voor anderen, die wij onder de geestelijke reuzen in Gods Koninkrijk telden. Het eindoordeel blijve aan. Hem. En een iegelijk stelle zich gedurig onder het tuchtambt des Heiligen Geestes, hetwelk Hij in het zondige hart uitoefent, het kaf almeer scheidend van de vette tarwe daar binnen. Onder die tucht voelen wij ons zelven slinken, zooals de tarwehoop al kleiner wordt, wanneer hij in de wan geschud wórdt. Hoe meer wij minderen, des te bekwamer worden wij voor het Koninkrijk der hemelen, waar geen tucht meer noodig zal zijn, omdat er niet in komt iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.
Kunnen de Kerkeraadsvergaderingen voor gemeenteleden toegankelijk zijn? Deze vraag heeft, een punt van bespreking uitgemaakt in den Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van 's Gravenhage.
Alvorens de Kerkeraad in deze zaak eene beslissing nam, is het advies van den oudhoogleeraar in de kerkgeschiedenis aan de vriie universiteit prof. dr. Rutgers gevraagd.
Dit advies dat in zijn geheel in de Gereformeerde Kerkbode van 's Gravenhage opgenomen werd, luidt:
"Gaame voldoe ik aan uwen wensch, dat ik u kortelijk mijn antwoord zou geven op de vraag: »of kerkeraadsvergaderingen voor gemeenteleden toegankelijk zijn".
Natuurlijk wordt hierbij ondersteld, dat die gemeenteleden dan alleenlijk als toehoorders worden toegelaten, en voorts dat zulke toegang niet verleend wordt zoo vaak er zaken ter tafel komen, wier behandeling, naar het oordeel des kerkeraads, binnen zijn eigen kring moet blijven.
Wanneer die beperkingen worden in het oog gehouden, dan kan de genoemde vraag m. i. in éen enkel geval bevestigend geantwoord worden, n.l. indien eenige kerkeraad voor zijne eigene kerk die toegankelijkheid bepaalt; 't geen in onze kerken nergens verboden is, en ook, voor zooveel ik weet, nooit verboden geweest is.
Dat is dan echter eene vergunning, die de kerkeraad verleent, en die hij ten allen tijde weer kan intrekken zonder aan iemands recht te kort te doen. Wanneer de genoemde vraag zou bedoelen, of de kerkeraad - verplicht is gemeenteleden als toehoorders toe te laten, en of deze zulken toegang op eenigen rechtsgrond kunnen vorderen, dan moet op Gereformeerd standpunt (hierin van het Independentistische principieel onderscheiden) m. i. de vraag ontkennend beantwoord worden.
Dat is dan ook altijd het gevoelen onzer kerken geweest, reeds van de 16e eeuw af. Over die toegankelijkheid van kerkeraadsvergaderingen spreken oude en nieuwe kerkelijke ordeningen in het geheel niet, en er blijkt ook niets van in oude kerkeraadsnotulen, voor zooveel ik die ken. Zelfs kan blijken uit de Acta van de groote Dordtsche Synode van 161 8 (18e—21e zitting), dat zulke toegankelijkheid destijds wel nergens bestond; want anders zou daar natuurlijk niet kunnen voorgesteld zijn (door de Partic. Synode van Zeeland en die van de Waalsche kerken), met betrekking tot studenten in de Godgeleerdheid, althans met betrekking tot proponenten, »dat men se oock «toelate (doch met eenige limitatie) in de consistoriën «om handelingen, die niet particulier ofte secreet en »zijn, te hooren ende te zien"; welk voorstel wel geen zin zou gehad hebben, indien zulke studenten of proponenten in de plaats hunner woning reeds als gemeenteleden daartoe recht of vergunning hadden.
Voor zulke beperkte openbaarheid kan men zich ten aanzien van de kerkeraden, en ook van classen en Synode, m. i. niet beroepen op recht of usantie. Wel zijn bij de Generale Synode van 1618/19 een aantal zittingen openbaar geweest, 't geen toen terecht in het belang der kerken geacht werd; maar zelfs bij die uitzondering konden toch de gewone gemeenteleden daaraan weinig hebben, omdat op die Synode alles in het Laijn moest verhandeld worden.
Het eenige motief zou nu kunnen zijn, dat een kerkeraad ergens zulke openbaarheid wenschelijk achtte, om de gemeente daardoor beter met den kerkeraad te doen medeleven en medewerken.
Zoodanig medeleven en medewerken is zonder twijfel niet alleen wenschelijk maar ook noodig; en daartoe moet de gemeente niet alleen kennis krijgen van gewichtige besluiten van den kerkeraad, maar moeten hare leden ook gelegenheid hebben zich daarover uit te spreken en eventueele bezwaren te laten hooren. Hiertoe is echter in den regel niet noodig, dat enkelen hunner de kerkeraadsvergaderingen komen bijwonen: door huisbezoek, wijkvergaderingen (in groote kerken), enz. wordt toch voortdurend de gemeente gehoord, en ook kan de kerkeraad zelf uit zijne vergaderingen het noodige mededeelen; 't geen bij vele besluiten volgens de K.O. zelfs moet geschieden, om van de instemming'der gemeente genoegzaam verzekerd te zijn. Is een kerkeraad ergens van oordeel, dat, bij de behandeling van eene of andere zaak van algemeenen aard de tegenwoordigheid van gemeenteleden nuttig zijn kan voor den opbouw en de stichting der gemeente, dan kan hij zeker daarvoor de deuren tijdelijk openstellen. Maar ik geloof niet, dat dit doorgaans de goede behandeling eener zaak zou bevorderen. Althans niet bij een kerkeraad; bij eene Generale Synode is het een ander geval."
Een teleurstelling.
Onze Courant, het anti-revolutioraire orgaan voor Overijssel en Drenthe schrijft over de vraag van den heer Brummelkamp met betrekking tot het uitschrijven door de Regeering van een bededag:
Door Ds. Brummelkamp werd der Regeering de alleszins billijke en gerechtvaardigde vraag gesteld, of zij het oogenblik niet gekomen achtte om een algemeene bededag uit te schrijven.
Toen president Wilson voor de Vereenigde Staten, zulk een boete-en bededag uitschreef, en van dat besluit den volke in een van krachtig geloof tintelend manifest mededeeling deed, heeft ons Christenvolk de vurige begeerte gevoeld, dat ook onze Overheid, — als in oude dagen, — tot zulk een daad komen zou.
Onze overheid regeert, — blijkens de Grondwet, — toch ook nog altijd, „bij de gratie Gods", een Christelijk Nederland!
Kwam de vraag van Loosduinen's afgevaardigde dan niet uit het hart van héél ons Christenvolk?
Trouwens, — voor de Christelijk Historischen sloot Dr. de Visser, en namens de Roomsch-Katholieken Dr. Nolens zich bij het A.-R. Kamerlid aan.
Toch een teleurstelling. Te verwachten — merkt ge misschien op. Daarom toch: een tot droefheid stemmend antwoord. Zeker, — in hoffelijke en vriendelijke termen werd de weigering ingekleed.
„Het gebed, vooral in omstandigheden als de tegen woordige, siert den mensch!"
Oppervlakkige opvatting, — van de beteekenis en en de noodzakelijkheid van het gebed voor land en volk en Vorstenhuis, in donkere dagen!
Maar toch, — het siert den mensch! Maar ... maar ... de regeering kón zelfs de vraag niet in overweging nemen, — omdat zulk een daad door een deel van ons volk met wrevel zou worden ontvangen.
En zoo weten we dan nu officieel, — wat we tot nog toe nog slechts vreezen konden, — dat de Overheid ons volk, — hoe de omstandigheden zich ook mogen ontwikkelen, — niet tot boete en gebed tot tot den Heere oproepen zal.
Zijn die dagen voor ons volk en land dan geheel voorbij — zoo vragen we?
Zullen er strengere en ernstiger oordeelen des Heeren over ons noodig zijn, om ons volk en land, om onze Overheid, weer terug te voeren tot de plaats, die ze in vorige eeuwen tegenover den Potentaat aller Potentaten innam?
Zal er dan toch, — waar oorlogsgevaar, die heilzame vrucht totnogtoe niet hebben kon, — de oorlog zelf noodig zijn, om Nederland als een waarlijk christelijk Nederland een plaats onder de volkeren te doen innemen?
Er blijft ons een hope, Een krachtige hope, nochtans! Als ons christenvolk, in z'n eenparig gebed, dat de overheid niet beletten kan, den Heere eens mocht aanloopen, of het Hem behaagde, uit de duisternis, waarin we verkeeren, een blijden morgen te doen opgaan, — een morgenrood, dat al wie onder ons den Heere en Zijn Christus belijdt, verblijden zou.
Zie, dan mogen we nog in het „geloof bidden en hopen, dat tóch, — ondanks al het rondom ons heen gebeuren, — door de diepte, God ons land en volk tot betere dagen henenleiden wil en kan!
De weigering van onze Regering tot een algemeenen boete-en bededag versterke onder ons christenvolk de behoefte en den geest des gebeds!
Wie zal zeggen, — welk antwoord het den Heere behaagt, daarop te geven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's