Stichtelijke overdenking.
Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien. Luk. 3 : 39, 30.
Heengaan in vrede.
De mensch gaat naar zijn eeuwig huis. 's Menschen geschiedenis is als die van het gras, waarvan Mozes zingt in den oudsten psalm: in den morgenstond bloeit het en het verandert, des avonds wordt het afgesneden en het verdort.
Bloeien, afgesneden worden, en verdorren, ziedaar 's menschen geschiedenis, die zijn korten levensdag vult, besloten tusschen den ochtend der geboorte en den avond des doods.
Zóo is het, sinds de zonde in de wereld inkwam en door de zonde de dood.
Vreeze voor den dood, afkeer van 't sterven, is eigen aan al wat leeft. Wat leeft, zoekt bij het leven te volharden. Reeds bij de plant speurt ge dit, die haar wortelen dieper indrijft in den bodem, om haar levenssappen te betrekken.
Ook het dier betrekt de wacht bij zijn leven, en verkoopt het dikwerf slechts voor duren prijs.
Maar 't is bijzonderlijk de mensch, die een hartgrondigen afkeer heeft van den dood en den strijd daartegen zoo lang mogelijk volhoudt.
En wanneer ge in onze dagen, dikwerf reeds bij hen, die nog in 's levens opgang, staan, een verlammende, ontzenuwende levensmatheid aantreft, één der krankste wondeplekken onzer dagen, dan stuit ge hier op iets zoo tegennatuurlijks, dat ge moeite hebt daarvoor een verklaring te vinden. De materialistische levensbeschouwing, die zelf uit den dood geboren is, staat hier natuurlijk schuldig. Dat hier de gedachte aan den dood geen verschrikking meer baart, komt omdat men de waarde van het leven miskent. Waar 't leven werd een looden last zonder meer, zonder doel, zonder uitzicht, daar houdt de poging, om dien looden last af te schudden, op onbegrijpelijk te zijn. Eer moet 't dan verbazen, dat ge dit pogen nog niet veelvuldiger aantreft, om met eigen hand den levensdraad af te snijden. De mensch, die zijn levensdoel mist, zinkt ineen. Hem wordt begeerlijk de „stille rust van het graf", waarvan de wereld in leugenen zingt.
Maar afgezien van deze schrikkelijke uiting van eene levensbeschouwing, die het wezen miskent en daarom tegenaatuurlijk wordt kunnen wij toch gedurig zien, hoe de mensch aan 't leven hecht. Welke offers is dit hem niet waard?
Geen kosten zoo hoog, geen moeite zoo groot, of, zoo 't nog maar een sprankje hoop biedt, hij grijpt het aan. Nu is deze zucht om bij het leven te volharden beter te verstaan dan die gruwelijke levensmoeheid. Want het sterven is tegennatuurlijk. Niet tot sterven, maar tot leven heeft God den mensch eens geschapen. En dat verraadt zich nog in den ingeboren afkeer van den dood.
Die huivering voor 't sterven openbaart zich ook dikwerf in 't feit, dat de mensch de gedachte hieraan van zich zet.
Hg wil daaraan niet herinnerd worden. 't Vergalt zijn levensvreugd; 't bederft zijn levensspel. Dit is dwaas, want al zouden wij den dood vergeten, deze vergeet ons niet, maar klopt eenmaal ook aan onze deur. En dan weert hem niemand af, want hij ook wordt door God gezonden, en komt op Gods tijd.
Beter is het bij den Levensvorst schuiling te zoekon tegen den koning der verschrikking, dan onze toevlucht te nemen tot de onveilige burcht der zelfmisleiding en der achteloosheid.
Maar is 't dan mogelijk, dat voor ons aan den dood zijn prikkel wordt ontnomen?
Is 't dan mogelijk dat dit bange sterven, zoozeer gevreesd, voor ons zijn bitterheid verliest?
Ja, lezer, dat is mogelijk. Zie maar naar den grijzen Simeon, den ziener op de grens van twee werelden, die der oude en der nieuwe bedeeling.
Hoor maar naar het loflied van dezen grijsaard, die het Kindeke van Bethlehem aan zijn hart klemmend spreekt van een „heengaan in vrede."
Hij heeft blijkbaar gevonden hetgeen redt van den dood.
Laten we aan dit jubellied van dezen grijsaard eens nader onze aandacht schenken.
Nu, laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woordl
Laat ons rnet dit laatste eens beginnen. God is een Waarmaker van Zijn woord. De verwachting, die ge op de wereld bouwt, stelt teleur en eindigt in den dood. Die van den Heere afwijken, zullen in de aarde geschreven zijn, maar God verlaat de Zijnen niet.
Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.
En eer zou de aarde uit hare plaats wijken en het firmament als een doek worden opgerold, dan dat God zou breken 't woord, dat Hij aan ellendigen verpandt, die vluchten tot Hem.
Neen, waarlijk, die op God vertrouwt, heeft op geen zand gebouwd.
Dit bewijst God gedurig in het leven van al Zijne kinderen, zonder tegenspraak. En al zouden ze in tranen van bittere smart wegsmelten, Gods Woord is een vaste rots. Werd dat ons deel, dan is geen pad te steil, geen nacht te donker.
Want het komtl 't Moge lang uitblijven, zeer lang, nochtans het komt.
Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewis komen.
Zie 't aan Simeon; ook hij kon getuigen: ik heb den Heere lang verwacht, en Hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord I
Lang verwacht, ja en dikwerf met smart, met vreeze en beven. Dikwerf verwacht, gebogen over de rol der profetie, smeekend met tranen: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaiamt I
Maar Hij heeft Zich tot mij geneigd, jubelt 't nu in de ziel van den ouden profeet.
Het is gekomen! O onuitsprekelijk zalige ure!
Het huis was hem te klein geworden; de Geest Het hem geen rust; 't moest naarden tempel henen.
En daar is 't gebeurd; daar is hem de Vertroosting Israels, door hem met smeeking en tranen verbeid, geopenbaard. Geen weerstand heeft hij kunnen bieden aan den drang van zijn heilbegeerig hart; hij heeft het heilig Kindeke, dat uiterlijk niets onderscheidde, maar dat voor 't oog zijner ziel schitterde van goddelijk schoon, hij heeft het in de armen moeten nemen en aan zijn hart moeten drukken; want elke klop van dat hart was dien Jonggeborene gewijd.
't Was met hem, zoomin als met één van Gods gekenden, niet altijd door volle middagklaarte heengegaan. Donkere wolken van aanvechting en weifeling hingen dikwerf laag neer over den akker zijner ziele. Hij was een mensch, niets menschelijks was hem vreemd.
Maar zal hij daar nu aan gedenken ? Neen, nu de lof van 's Heeren trouw bezongen: naar Uw woord!
En is er één vrome, die met deze toevlucht beschaamd uitkwam? Niet, of door donkere nachten en diepe afgronden wel eens niet de sombere vraag weerklonk: heeft God vergeten ?
Maar in 't eind, als ge 't geheel overzien kondt; ge moet Gods leidingen niet in stukken zien; in haar geheel moeten ze worden beschouwd, want God verrast zoo dikwerf met Zijn uitkomsten, dan, als wij die allerminst verwachten,
Gods Woord wordt zoo dikwijls verongelijkt, als 't uit zijn verband gerukt wordt, en de dwaze mensch het dikwerf het tegendeel laat zeggen van hetgeen bedoeld is; zoo geschiedt ook vaak met Gods leidingen; ook die moeten in het verband worden gelezen; immers de eerste eisch van ware, billijke uitlegkunde.
Zóó gezien, dan gaat 't immers nog altijd: naar Zijn woord! Heeft Hij ooit gezegd: zoek Mij tevergeefs?
Dit kan ook niet anders, want God is waarachtig en Zijn woord is wat Hij zelf is.
Daarom mag Hem Zijn volk ook manen op Zijn Woord. In Zijn woord in Zijne toezegging, heeft Hij Zijn kind de koorden gegeven, waarmede Hij zich wil laten binden.
Dan kan 't ook welgemoed voorwaarts, door de woestijn, door het land van Mesech, want Hij, die u roept, is getrouw.
En ook deze woestijn heeft haar Elim, haar palmboomen en waterfonteinen, waar 't blijkt, dat Gods beloften niet falen, en waar de voorsmaak wordt geproefd van de vrucht uit 't eeuwig paradijs, waarheen de reize gaat.
Zulk een getrouwe God is waardig gediend en gevreesd te worden; daarom noemt Simeon zich ook met blijdschap des Heeren dienstknecht; hier is geen sprake van een dienen in slaafsche vreeze; van een dienst, die zwaar valt; neen, 't is een liefdedienst; een dienen, dat zalig maakt. Hier treedt de dienstknecht op den achtergrond, opdat den Meester, den Heere, al de eer en lof zal worden toegebracht.
Hij alleen is heerlijk. Hem groot te maken 't hoogst genot. Den lof Zijner grootheid te verbreiden 't zaligst leven.
Of dat hier beneden wel altijd met nadruk op-de ziel gebonden ligt? Ach, hier is alles ten deele: maar het is er; en in zijne beste oogenblikken is 't de lust van Zijn kind. Zijn dienstknecht te zijn. Hem te mogen dienen, liefst van de laagste plaats.
Heerlijke eenvoud! Teedere bescheidenheid! En 't is bij Simeon welgemeend! Deze Simeon met den Christus van Bethlehem in zijne armen, spreekt van heengaan in vrede I Met Christus in zijne armen, daarop valle volle nadruk. : „Met Christus in zijne armen" dan kon hij sterven. O, daar wordt dikwerf zoo zoetelijk gedweept met een „lieven Vader van alle menschen", die daarboven voor alle menschen een rustplaats bereidt; en of de zondaar in Christus met dien heiligen Vader daarboven verzoend is, komt er dan minder op aan. Maar bedenk, dat 't schrikkelijk zal zijn, onvoorbereid, dat is zonder Borg, zonder Christus te vallen in de handen van den levenden God.
Maar met Christus als zijn deel is voor Simeon 't heengaan vrede geworden, en het donkere graf een doorgang naar het eeuwige lieht. Zoo is hem — als Paulus na hem — het sterven gewin geworden.
. Nu, zegt Simeon met nadruk, nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede; nu, nu Gij 't wèl gemaakt hebt.
Daar moet dan ook iets gebeurd zijn van verre strekking, van groote beteekenis. Immers ge speurt in dezen mensch een groote verandering. Tevoren had hij met angst gezien het grijzen zijner haren, den neergang zijner krachten. Tevoren kon 't hem wel eens bang om 't hart worden, ja hij was er wel eens weerstrevig om geworden, dat hij zijn einde voelde naderen en nog immer was de Vertroosting Israels niet verschenen.
Jeremia's klacht was ook de zijne dikwerf: de oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; en nog zijn wij niet verlost. Maar nu is de band der vreeze gesprongen, nu is 't goed. Maar wat is er dan gebeurd? Hoor: want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien. Dèt is 't geheim van dien machtigen ommekeer.
Dat maakt zijn einde niet tot een meegesleurd worden tegen wil en dank, maar tot een „heengaan in vrede."
Dat maakt zijn sterven gewin. Zijne oogen hebben de zaligheid des Heeren gezien. Hiermede duidt hij den Christus aan als de algenoegzame, algeheele, maar ook onmisbare verlossing van zondaren. Zoo had Hem ook de engel aangekondigd als Jezus, omdat Hij Zijn volk zou zalig maken van hunne zonden. Zaligheid, d. i. alvervullend levensgeluk, waarbij geen enkele nood blijft schrijnen, geen enkele vraag blijft kwellen.
De wereld kan geen ander geluk schenken, dan zulk een, dat in 't eind een groote leegte overlaat; onvervuld, onbevredigd, onverzadigd doet staan. Christus is zaligheid; d.w.z. wie Hem bezit, waarlijk persoonlijk, oprecht bezit, in de armen des geloofs, voor dien blijft niets te wenschen over, dien is 't goed! Hem te bezitten maakt 't sterven gewin. Christus is een volkomen Zaligmaker. Dit kan ook niet anders; want Hij is Gods gave! En al wat God geeft is een volkomen gave.
Dat drukt Simeon uit door te spreken van „ Uwe zaligheid", 't Is Gods zaligheid, d.w.z. ze is een gave van Gods vrije genade; van Zijn vrijmachtig welbehagen. God geeft Christus aan zulke zondaren, die alle aanspraken op Gods gunstbewijzen verbeurden. God heeft Zijn Zoon gegeven! O, welk een geschenk! 't Roept luide uit Gods weergaloos ontfermen. Zijn ondoorgrondelijke liefde. Zijne nooit te peilen trouw. Als om eigen moedwillige zonde Zijn volk ligt verloren in nood en dood, vertreden op het vlakke veld, dan zendt Hij door diepste vernedering heen Zijn lieven Zoon om te redden van den dood. Als de wildernis Zijne kinderen omspant, en de banden der duisternis, de wanhoop en zielsellende hen schrijnen om eigen ontrouw, eigen schuld, dan staat Hij af het Liefste, wat Hij heeft. Zijn Zoon, om poelen des doods te doorwaden en afgronden der hel te doorschrijden, opdat Hij doemschuldigen zal uitleiden in het eeuwige licht.
De zaligheid is Gods gave! Dat ontneemt ons al de eere van dit werk. Maar 't geeft ook hope voor ellendigen, die alles verbeuren, en alleen nog maar van genadebrood kunnen leven. En bij alle wankeling en vreeze biedt Zijn trouw ook waarborg, dat dit heerlijk pand, bij Hem weggelegd, wel bewaard blijft tot den jongsten snik, tot in eeuwige heerlijkheid.
Heerlijke ziele weelde! Christus te zien als onze zaligheid. Dat maakt 't sterven een „heengaan in vrede ; " 't schrikkelijke, bange, veelgeduchte, diepgevreesde sterven gewin.
Hoe bekom ik daar deel aan?
't Is Uwe zaligheid, o Heere, zegt Simeon, maar mijne oogen hebben haar gezien. Dit duidt aan, dat wij aan dit Godsgeschenk, aan deze gave van Gods erbarmen, persoonlijk deel moeten hebben, 't Is niet genoeg, dat anderen haar zagen. Ik zelf moet haar zien, bezitten.
't Is duidelijk, dat Simeon hier een geestelijk zien, geestelijk verlichte oogen des verstands bedoelt.
Uiterlijk was dit Kindeke als andere zwak en teeder, zelfs van schamelen, lagen stand. Uiterlijk zag Simeon er niet meer in, dan ieder ander, en ieder ander zag er niets in en ging achteloos voorbij.
Maar met het innerlijk oog des geestes zag hij in dit eenvoudig Kind de groote gave Gods; den Middelaar Gods en der menschen; den Borg en Heiland, zoo uitnemend passend met Zijn onuitsprekelijken rijkdom van heil en genade en gerechtigheid bij een volk zoo diep gezonken als Zijn menschenkinderen. En beter dan dit is er niets te zien.
De natuur is grootsch: de schepping biedt in wijde zeeën en hooge bergen en diepe dalen uitnemend schoonheden; de tempels van kunst en wetenschap bevatten veel, dat 't bezien ten volle waard is, maar de gelukkige, die dit alles bewonderend heeft . beschouwd, en Christus niet kent, is arm, doodarm, diep te beklagen als ge hem stelt naast den armste der armen, die in Christus Gods zaligheid met eigen oogen heeft aanschouwd.
Deze is een vorst der eeuwigheid, gene sterft weg in eeuwigen kommer. Lezer, met uwe oogen zult gij Gods zaligheid moeten zien; persoonlijk deel zult ge aan Christus moeten, hebben, en dan wordt u het sterven gewin.
O, verdient dit goed niet, dat ge het zoekt en najaagt alle de dagen uws levens? Maar weet dan, dat zulk zien van Christus, dat zulke oogen der ziele van Boven zijn. God is 't Die dit oog formeert. Zoo dan uwe begeerte naar dit zien uitgaat, kniel dan neer bij Gods genadetroon en laat deze uwe begeerte met bidden en smeeken bekend worden bij Hem, Wiens naam Ontfermer is, en Zijne vrede zal in uw hart wonen.
Dat Christus u dierbaar, onmisbaar zij ! Dan klimt uwe smeeking om Hem te mogen bezitten op uit de diepte naar Omhoog vanwaar geen oprechte bede ooit onverhoord neersloeg.
Dan breekt de nevel van de doodsvallei voor u open en het licht des eeuwigen hemels straalt u tegen als gij staat voor de poort der eeuwigheid; en uw heengaan wordt een voortschrijden in vrede door grazige weiden naar 't Vaderhuis, dat boven is, en uwe ziele fluistert in heur jongste ure: 't leven was mij Christus, mij is het sterven gewin. Dood waar, is uw prikkel?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's