De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

"Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den Koning Herodes, ziet, eenige wijzen van het oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, - En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeke met Maria, zijne moeder, en nedervallende hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken: goud en wierook en mirre. Matth. 2: 1—11

De eerstelingen des oogstes onder de heidenen.

Waar wij boven onze Overdenking zetten de eerstelingen des oogstes onder de heiden daar vragen we:1 wie waren deze ? 2 hoe zijn ze in Bethlehem gekomen? en 8 wat deden ze daar ?

1 Er staan in de Schrift zulke wondere dingen. Staat er niet: God wil, dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen"? (1 Tim. 2:4) En wil dat niet zeggen, dat de Heere den Middelaar Jezus Christus voor alle menschen, van wat volk, van wat rang, van wat leeftijd ook, heeft geopenbaard als een alleszins genoegzamen en juist gepasten Borg? (zie vers 5 van den 2den brief aan Tim.) Er behoeft geen koning te klagen, dat Jezus niet de gewillige Borg is. Geen slaaf behoeft zich te schamen tot Hem uit te gaan. Geen zwarte behoeft achter te staan bij den blanke. In Jezus Christus is een genoegzame Zaligmaker gegeven voor elke ziel die schreiend tot God mag leeren vluchten — waar ter wereld die ziel ook thuis hoort. En dat doet de Heere ook als een blijde boodschap onder alle volkeren, aan alle plaatsen Zijner heerschappij, verkondigen

De Heere wil niet, dat men ooit zal zeggen: , daar mogen we niet ingaan met de blijde boodschap des evangelies." Hij wil niet, dat men ooit zal oordeelen: „dat volk zullen we maar overslaan bij onzen zendingsarbeid."

Want in Jezus zijn zulke goddelijk-volmaakte eigenschappen, dat Hij is de Middelaar Gods en der menschen door Wien een iegelijk, die gelooft, zal zalig worden. Zoo wijd, zóo breed is de weg der verzoening in het bloed van Christus. Er is plaats voor menschen van allerlei rang en stand en leeftijd en volk.

, Ik zal", zoo zegt de Heere dan ook, „Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn en de 'I'yriër, met den Moor, deze is aldaar geboren. En van Sion zal gezegd worden: die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste zelf zal hen bevestigen" (Ps. 87).

Van alle kanten zullen ze dus komen. De Heere zelf zal hen rekenen in het opschrijven der volkeren.... en vlak daarnaast staat in de Schrift dan altijd: ze zullen komen uit het Oosten en ze zullen komen uit het Zuiden, en ze zullen ingaan — maar de kinderen des Koninkrijks, die nabij zijn, zullen worden uitgeworpen, dewijl ze zich niet hebben leeren bekeeren tot den Heere!

Schrikkelijke tegenstelling! Aan den eenen kant zoo verrassend vol zaligheid; aan den anderen kant zoo vreeselijk vol vijandschap en vloek.

Worden we er door onze tekstgeschiedenis niet bizonderlijk bij bepaald?

Want vragen we: wie zijn ze, die mannen, van wie ons tekstwoord spreekt, — dan zien we, dat ze van verre komen, terwijl degenen, die dichtbij zijn, van verre blijven staan.

Neen — in alle bizonderheden kunnen we geen antwoord geven op de vraag: wie zijn ze? Rome weet meer van deze reizigers dan wij. Althans.... dat zegt Rome. Want Rome leert dat deze Wijzen uit het Oosten drie Koningen waren, en wel Gaspar, Melchior en Balthazar geheeten — en op 6 Januari van elk jaar, op het driekoningen-feest, buigt gansch de Roomsche Kerk zich voor die drie heiligen terneer.

Maar wat Rome in deze leert is pure fantasie; gelijk Rome zooveel fantaseert, zonder dat er ook maar éenige grond voor de dingen bestaat. Ja — Ps. 72:11 zegt: alle Koningen zullen zich voor hem neder buigen, alle heidenen zullen hem dienen." En óok kennen we Jes. 60:3 waar staat: en de heidenen zullen tot Uw licht gaan en Koningen tot den glans, die U is opgegaan" — gelijk dan in het 10de vers staat: de vreemden en, zullen uwe muren bouwen en hunne Koningen zullen u dienen." Waarbij we natuurlijk weten, dat er drieërlei geschenken werden gebracht.

Maar om daar nu uit te besluiten, dat de Wijzen uit het Oosten Koningen waren en hun aantal juist drie, ziet, dat wagen we niet.

Bovendien — wat doet het er toe? De profetie ligt er, dat van alle kanten alle soorten van menschen zullen komen tot den Christus Gods, om Hem te erkennen als Borg en Losser, waaronder armen en rijken, geleerden en eenvoudigen, koningen en slaven zouden zijn, én ziet — dat gaat nu in vervulling, gelijk we zien in die geleerde en wijze mannen uit het Oosten.

„Eenige wijzen van het Oosten" staat er. (Matth. 2:1) En met „het Oosten" wordt in 't algemeen in de H. S.: Perzie — Medie — Babel; óok wel: Arabië of Egypte aangeduid.

Zoo weten we dus iets — al is 't niet veel. Waarbij ons van die landen bekend is, dat daar, waar een schoone, rijke natuur is en veel liefde tot allerlei wetenschap, veel gedaan werd vooral aan sterrenkunde. De geschiedenis van Nebukadnezar, Farao enz. bewijst dat wel.

Daarom neemt dan ook b.v. Calvijn aan, dat de wijzen uit het Oosten mannen waren, die uit Perzie kwamen en beoefenaars van de natuurkunde, bizonderlijk van de sterrenkunde, waren.

Wie ze dus zijn? We weten weinig van hun gedaante of heerlijkheid; van hun naam of familie. Maar we worden er bij vernieuwing bij bepaald, dat de Heere omziet naar degenen, die Hem niet kenden, en dat Hij van heidenen Abrahams kinderen weet te maken; neen, veel meer: burgers van Sion; kinderen Gods; erfgenamen der zaligheid! Want in een land van duisternis weet Hij een licht te doen opgaan en in het midden van de schaduwen des doods weet Hij leven te wekken.

2) En zoo komen we vanzelf tot onze tweede vraag: hoe komen die Wijzen van het Oosten in Bethlehem?

't Antwoord is: op een gansch wondere wijze. Door Gods hand geleid. Door Gods licht onderwezen.

't Is ook hier: uit God, door God en tot God! Want immers we lezen toch, dat deze Wijzen in het land hunner woning een duidelijke aanwijzing hebben ontvangen aangaande Christus' geboorte, door de verschijning van een bizonder hemellicht, uitstralend van een bizondere ster of sterrenbeeld, waarbij zij aanstonds uitriepen: dat is Zijn ster!

Eu dat zegt ons, dat er verwachtingen bi hen leefden aangaande den Christus, die uit de Joden geboren zou worden.

Hoe ze die gekregen hebben, die verwachtingen aangaande de zaligheid uit de Joden, welke zaligheid zij zagen afgeschaduwd in een ster?

Och — staan we ook hier niet voor de diepte van Gods wijsheid, voor Zijne ondoorzoekelijke oordeelen en Zijne onnaspeurlijke wegen ? Hoeveel schuilt er altijd niet weg, wanneer we bij ontvangene genade vragen: vanwaar en hoe ? Maar moeten we hier niet bizonderlijk uitroepen, dat het werk van Gods Geest is als de gangen van den wind en dat Hij die dingen, die niet zijn, roept alsof ze waren?

Zeker. 5 eeuwen voor Christus was daar in het Oosten reeds de school van Zoroaster, een wijsgeer, die ten opzichte van een hooger Wezen, ten opzichte van een bevolkten hemel en ook ten opzichte van oordeel en straf veel juiste denkbeelden verkondigde. Maar met dat .al tastte men wel naar de waarheid, doch bleef in het midden van den leugen, dewijl men God niet in erkentenis had gehouden, een beeld eerend boven den Schepper.

En ja — toen had Bileam vroeger gesproken van een ster, zeggende: er zal een ster voortgaan uit Jacob en er zal een schepter uit Israel opkomen" (Num. 24 : 17). Ook hadden Daniël en de Godsmannen; ook Esther, de koningin, en hare maagden in het Oosten gesproken van den God van Israel en Zijne beloften, die eens vervuld zouden worden met heerlijkheid. Ziet — kan de Heere dat niet gebruikt hebben, om deze Wijzen in het Oosten te vervullen met een smachtend verlangen naar den dag der zaligheid, die stond aan te breken voorden Jood en ook voor den heiden? Tastend in het duister was er een vonkske van Gods Geest in den weg van Zijn Woord op wondere wijze in hun harte gevallen en zij brandden van verlangen, om het licht te zien opgaan, waarvan ook een Simeon wist dat het komen zou voor de heidenen en voor de Joden, zeggende in zijn lofzang: een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israel" (Luc. 2:32).

Wonderlijk was de Heere plaats komen bereiden in het Oosten voor den Koning, van Wien Daniël gesproken had, dat Hij komen zou om alles en allen te overtreffen. En terwijl duizenden bij duizenden in het Oosten zon, maan en sterren aanbaden en knielden voor het maaksel van 's menschen hand of eerden het gedichtsel van 's menschen hart — zagen déze mannen op naar den hemel of de dag nog niet dèar was, dat de beloofde Koning zou geboren worden.

En daar teekent de Heere een wonder licht aan 's hemels trans; Hij die de sterren roept bij name, laat een ster of sterrenbeeld verschijnen, wat voor die Wijzen in het Oosten genoeg is, om blijde te bekennen: nu is de Koning geboren, die komt in 's Heeren naam, om Zijn volk te beschikken sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest. En evenals de herders tot elkander hadden gezegd: „laat ons dan naar Bethlehem gaan", zoo spreken ook zij: laat ons nu niet hier blijven, maar laat ons opstaan en naar het land Israel reizen, om daar den jonggeboren Koning der Joden te zien, te begroeten, te aanbidden en met geschenken te eeren.

Evenals het staal wordt aangetrokken door de magneet en daarheen vliegt, zoo rust hun ziele niet, door Gods Geest aangeraakt en onderwezen, alvorens hun oogen den Koning zien en hun knie voor Hem zich mag buigen. Om persoonlijk met Hem in aanraking te komen, dat is hun zielsbegeeren.

En de Heere komt hen daarin niet tegen. De Heere bemoedigt en sterkt hen daarin. De Heere zendt van Zijn licht neder, opdat haar voeten zich mogen richten op het pad van vree.

Daar gaan ze! Ze maken zich los van hun land, van hun maagschap, van huns vaders huis en gaan in den weg, dien God hun wijst.

Hun wetenschap, hun rijkdom, hun omgeving staan hun niet in den weg. Ze overwinnen alles. Ze worden er van los gemaakt. Ze verliezen het geheel uit het oog en uit het hart.

Eén ding weten ze; éen ding begeeren ze; éen ding brandt hen in de ziele: den jonggeboren Koning te mogen zien; den Christus Gods, den Zaligmaker der menschen te mogen aanschouwen — om verzadigd te worden met Zijn deugdenbeeld, vol wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing.

Nu komt de Oostersche wijsheid aangaande God en schepping, aangaande hemel en aarde, aangaande straf en vergelding in dit éene saam vallen: dat onze voeten mogen staan in den weg door Israels God bereid en onze harten vervuld mogen worden met de zaligheid, die in den Koning is voor al Zijn volk! God had tot de Magiërs in een taal gesproken voor hén verstaanbaar; en nu zij dat Woord des Heeren en die onderwijzing Gods hadden verstaan, nu had hun ziele geen rust alvorens zij het Godsgeschenk mochten aanschouwen en bezitten.

En de Heere verhindert hen niet. De Heere helpt hen, onderwijst hen, gaat hen met Zijn heillicht voor. En zóó zullen ze er komen. Ze zullen van kracht tot kracht voortgaan. Ze zullen bg Sions Vorst verschijnen. Wat de Heere plant, dat bewaart en sterkt Hij. Wat de Heere begint, " dat voleindigt Hij. Wat de Heere zich heeft voorgenomen zal Hij ook volbrengen — en al Zijne kinderen zullen juichen.

Maar.... daarom zijn de Wijzen van het Oosten zóo maar niet in Bethlehem.

Daar moet nog heel wat gebeuren — waarbij de menschen en alle machten der wereld en der hel, hen zullen trachten af te houden van de verzadiging met vreugd en de verkrijging des heils.

Neen — de weg loopt niet als een rechte streep, zooals wij rechte lijnen trekken om op 't kortst het ééne punt met het endere te verbinden.

De weg is hobbelachtig; de weg loopt krom; de weg loopt door zeeën, woestijnen en rivieren; de weg loopt door gevaren voor lichaam en ziel.

Hoe zal de ziele dan verzadiging van vreugd ontvangen ?

Niet van de menschen zal zij het krijgen. Maar de Heere zorgt voor de Zijnen en zal hun Zijn licht doen opgaan te Zijner tijd.

Want God, de HEER, zoo goed, zoo mild, Is 't allen tijd' een zon en schild;

Hy zal genad' en eere geven;

Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood, Die in oprechtheid voor Hem leven, Welzalig, HEER, die op U bouwt, En zich geheel aan U vertrouwt.

Ps. 84:6.

{Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's