De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

11 minuten leestijd

De pluriformiteit of veelvormigheid der Kerk.

Men weet, dat êen der wapenen tegen onzen Geref. Bond geslepen, vooral in confessioneele kringen, was: om ons te beschuldigen, dat wij de pluriformiteit of veelvormigheid der kerk aanvaarden.

Nu heeft Ds. Knap van Groningen in. zijn Dogmatische Fragmenten hierover zgn gedachten gezegd en gaarne willen wij hier een en ander van overnemen. Ons dunkt deze dingen kalm in te denken en kalm te beredeneeren altijd nog het beste en we zijn er van verzekerd, dat ook hier ten slotte veel meer eenheid is, dan vaak schijnt.

Ds Knap schrijft dan:

Vóór alles is het noodig het uitgangspunt van het twistgeding zuiver te stellen. Volkomen onjuist is toch de bewering, dat de voorstanders der pluriformiteit de eenheid der Kerk zouden willen prijsgeven, terwijl dan hun tegenstanders voor dit onwaardeerbare goed zouden opkomen. Ook de eersten handhaven ten stelligste de eenheid der Kerk, mits men haar in geestelijken zin opvatte zooals in de vorige bladzijden uiteengezet is: en 'de laatsten zullen ongetwijfeld, voor zoover zij niet Roomsch-getint zijn, het Schriftuurlijk karakter dezer opvatting gaarne erkennen. Het geschilpunt ligt dus niet in de vraag, of er in mystieken zin slechts één Kerk is, dan wel of er meerdere zijn.

Maar het ligt in deze andere vraag, of de Kerk, die naar aller overtuiging geestelijk een is, zich ook in het uitwendig-zichtbare als éen instituut, in éen tastbaren vorm moet openbaren, dan wel of zij onder meerdere instituaire vormen kan optreden?

Ter beantwoording dier vraag geven wij eenvoudig het woord aan de historie, die immers niet uitsluitend het product van menschelijke factoren is, doch de realiseering van 's Heeren raad, die er door alle zondige bedenkselen heen in doorgezet wordt. De taal der feiten is nu op het punt, dat ons bezig houdt, van onmiskenbare duidelijkheid. Ziehier wat zij ons leert. Aanvankelijk was er slechts éen kerkvorm en kwam zelfs de gedachte niet op dat hierin ooit wijziging kon worden aangebracht. De geestelijke eenheid der geloovigen openbaarde zich op hart-innemende wijze en het eene instituut, dat in absoluten zin de Kerk was en waarnaast zich nauwelijks een tweede liet denken. Dit heeft eeuwen geduurd. Wel waren er ook kort na de verschijning van het institutair-kerkelijk leven al spoedig dissenters en gelukte het aan sommigen hunner met name in het Oosten een eigen kerkvorm in het aanzijn te roepen, maar het massale kerkelijk leven bleef toch zijn wateren door één bedding stuwen, en wie afwijkende gevoelens omhelsde, was of een ketter, die tegen de algemeen beleden leer inging, óf een scheurmaker, die wel aan de beleden waarheid getrouw bleef, doch zich om andere redenen van de gevestigde Kerk afscheidde. Tien eeuwen lang heeft deze uitwendige eenheid voortgeduurd. Het ontbrak in den boezem dier eene Kerk wel niet aan dogmatische verschillen, die soms een heftigen en bitteren strijd ontketenden, maar het gezag der opeenvolgende kerkvergaderingen was groot genoeg om een splitsing op groote schaal te voorkomen., Vooral was de wrijving groot tusschen het Oosten en het Westen. Deze wrijving betrof in hoofdzaak de leer aangaande den Heiligen Geest. In het Westen, dat zeer sterk den invloed van den kerkvader Augustinus ondergaan had, leerde men in overeenstemming met de Heilige Schrift, dat de Heilige Geest uitgaat van den Vader èn den Zoon, terwijl men in het Oosten, dat zijn kerkelijken hoofdzetel te Konstantinopel had, staande hield, dat Hij alleen van den Vader uitging. Reeds op de synode van Toledo in 589 had het Westen zijn zienswijze in de reeds bestaande geloofsbelijdenis van Nicea ingelascht en dus vastgesteld, maar Konstantinopel kon zich bij wat zij een ver. valsching der zuivere leer noemde niet nederleggen.

Toch toefde de breuk nog eenige eeuwen. Voorloopig volstond het Oosten er mede zich een zelfstandige positie voor te bereiden. Het verleende aan den patriarch te Konstantinopel gelijk gezag in het Oosten als de bisschop van Rome in het Westen bezat, en week ook op het punt van het coelibaat van de dusver gevolgde zede {af, door het coelibaat uitsluitend verplichtend te stellen voor de bisschoppen, maar aan de gewone geestelijken het huwelijk te vergunnen. Eerst in 1054 kwam het tot een openlijke scheuring.

De patriarch van Konstantinopel vond in de woelingen van dien tijd aanleiding om den paus te Rome te kapittelen, niet slechts over zijn leer aangaande den Heiligen Geest, maar bovendien over de gewoonte om zich bij het heilig Avondmaal van ongezuurd brood te bedienen. Hij brandmerkte dit als een joodsche ketterij, en deze druppel deed den beker overvloeien ! De Roomsche legaten eischten genoegdoening voor dezen smaad, en toen deze geweigerd werd, legden zij den banvloek tegen den patriarch op het hoofdaltaar van de Sofia-kerk te Konstantinopel. Hiermede was de scheiding tusschen de Oostersche en Westersche, de Grieksche en de Latijnsche Kerk, een voldongen feit; de stroom van het kerkelijk leven had zich in twee armen gesplitst, en, tenzij men den moed heeft te verklaren dat er onder de millioenen der Oostersche Kerk geen enkel waar Christ-geloovige schuilt, dient men te erkennen, dat van toen af de ééne onzichtbare Kerk onder minstens twee uitwendige institutaire vormen optrad, zoodat hiermede in beginsel het pleit ten gunste van de pluriformiteit beslist was.

Hiermede is in het minst niet gezegd, dat men nu ook algemeen de principieele beteekenis van deze splitsing der ééne Kerk helder doorzag. Eer is het tegendeel waar. Men handhaafde theoretisch de leer der ééne institutaire Kerk door die van het Oosten eenvoudig tot scheurkerk te verklaren. Wonderwel slaagde men er in den indruk te vestigen, dat de uniformiteit nog steeds voortbestond. Het Oosten lag ver weg. De afstanden onttrokken het aan den blik van de bewoners der Westersche landen. De verkeersmiddelen waren gebrekkig. Van dagbladen en periodieken wist men niet af. En zoo rekende men in deze streken nauwelijks met de Grieksche Kerk, die inmiddels haar eigen leven leefde. Wat men zag zoover de gezichtskring reikte, waar men van hoorde, en wat dus alleen voor het besef medetelde, het was het altoos nog indrukwekkende instituut der Latijnsche Kerk, waar naast geen ander geduld werd en zoo bleef men in de Westersche wereld de leer der uniformiteit belijden.

Beginselen zijn echter tiranniek. Wanneer zij eenmaal hun intrede in de wereld der gedachten gedaan hebben, dringen zij langzaam, doch zeker al verder door. Hun loop is niet te stuiten, maar lij doen zich bij toeneming gelden en rusten niet voordat hun triomf algemeen erkend wordt.

Voorbereid in de voorafgaande eeuwen trad in de 16de eeuw de gezegende reformatie op. De hervormers van alle tint waren voor Rome natuurlijk niet anders dan ketters en stonden dus veel lager dan de scheurmakers der Oostersche Kerk. Zoo kon de paus den banvloek over hen uitspreken, hen van de Kerk afsnijden, en aldus den uniformiteitswaan bestendigen.

De reformatoren van hun kant hielden hier evenzeer aan vast. Zij traden op met de pretensie, die voor ons gevoel op de werkelijkheid steunt, de ware Kerk te zijn in tegenstelling met Rome, dat als valsche Kerk gemerkt werd, een gedachte die later zelfs in dezen zin werd uitgewerkt, dat de paus de vleesch geworden anti-Christ was, natuurlijk niet wegens zijn persoonlijke eigenschappen, maar in zijn ambtelijke hoedanigheid. Op deze wijze bleef zoowel voor Rome als voor de reformatie het begrip der institutaire uniformiteit behouden.

Doch reeds spoedig zou dit een onhoudbare waan blijken te zijn".

En dan verder:

»De geschiedenis leert ons echter, dat de pogingen om het standpunt van Luther met dat van Calvijn te verzoenen mislukt zijn en dat de beide dogmatische inzichten het aanzijn geschonken hebben aan de Luthersche reformatie eenerzijds en aan de Gereformeerde reformatie anderzijds. De éene Kerk der hervorming heeft zich in tweeën gesplitst. De aanvankelijke uniformiteit was gebroken. Men dorst het in 't algemeen niet aan om een dier twee Kerken als scheurkerk te brandmerken, maar sprak liever van de zusterkerk en aanvaardde hiermede feitelijk het beginsel der pluriformiteit, schoon men nog steeds van de eenheid der Kerk in institutairen zin bleef spreken en de duidelijke sporen van deze gewoonte tot in onze Confessie zijn waar te nemen.

In later eeuw heeft dit splitsing-proces zich verder doorgezet.

Wij denken hierbij niet aan de tallooze secten, die opkwamen om te verdwijnen, daar zij geen Kerkvormende kracht in zieh droegen, maar aan de groepen, die de vuurproef van den tijd konden doorstaan en het tot een zelfstandige Kerkformatie brachten.

Wie van oordeel is, dat de Kerk in mystieken zin zich slechts in éen institutairen vorm kan openbaren, moet logisch tot de conclusie komen, dat al wat buiten het door hem aanvaarde instituut staat, geen deel aan den Christus Gods heeft — een zuiver Roomsche gedachte, die Rome zelfs niet meer in haar uiterste consekwentie aandurft.

Wie echter overeenkomstig de realiteit van het Ieven de pluriformiteit belijdt, zeker, hij zal in zijn eigen instituut allicht de zuiverste openbaring van het lichaam van Christus vinden, maar tevens erkennen, dat de vergadering der ware Christ-geloovigen niet uitsluitend door zijn Kerkformatie gedekt wordt".

D.V. willen we de volgende week nog iets over dit onderwerp overnemen, opdat men zien zal, dat Ds. Knap principieel op dit standpunt staat, maar tegelijk een open oog heeft voor de zondige motieven tot afscheiding en scheuring.

De God van Nederland.

Toen de heer Brummelkamp in de Tweede Kamer de vraag tot de Regeering richtte, of zij bereid was de natie uit te noodigen tot het houden van eon openbaren bededag, sprak hij in zijne rede ook van den God van Nederland. Tegen deze uitdrukking kwam men van vrijzinnige zijde op.

In de Nieuwe Haagsche Courant komt de afgevaardigde van Loosduinen op dit onderwerp terug.

Hij schrijft er over:

Het Liberalisme heeft zich aan die uitdrukking gestooten. Dat is natuurlijk, want het beeldt zich in op godsdienstig gebied neutraal te' kunnen zijn.

Maar zelfs Christenmenschen schijnen haar niet geheel gepast te vinden.

En dit begrijpen we niet. Wanneer men gelooft dat God de volken gescheiden (Deut 32:8), en aan ieder een eigen tijd en woonplaats toebeschikt heeft (Hand, 17 : 26);

Dat Hij op den grooten Pinksterdag den middelmuur des afscheidsels heeft afgebroken en aan alle volken zijn Evangelie laat prediken;

Wanneer men verder gelooft dat Gods wereldbestuur over alle volken en naties gaat;

Dat alle volken God mogen kennen en dienen; gelijk er dan ook in alle landen zijn die Hem aanroepen, al is het niet hoofd voor hoofd; —

Wanneer men dit alles gelooft, wat is er dan onjuist in om te zeggen, dat God de God van alle volken wil zijn en feitelijk is, en dat het Hem welgevallig is dat ze Zijn hand erkennen in hun lot, in hun verleden, hun heden, en hun toekomst?

Dit te gelooven is christelijk. Niet christelijk is het dit niet te gelooven.

Niet te gelooven dat God tegelijk de God van Engeland, Duitschland, Frankrijk, Rusland en alle oorlogvoerende volken kan zijn, is atheïstisch. Het is loochening of althans wegcijfering van het wereldbestuur van God Almachtig, die de Schepper en Onderhouder is van al wat bestaat.

Het is deïstisch. Het gaat uit van de gedachte dat God wel in den Hemel troont, maar Zich niet bemoeit met de wereld; of wel dat het Hem te boven zou gaan van alle volken tegelijk kennis te nemen en zich hunner aan te trekken.

Een standpunt, niet hooger dan dat van de oude Assyriörs', Grieken en Romeinen, die aannamen dat niet alleen elk volk, maar iedere berg, iedere boom, iedere rivier zijn god of godheid had. Zoodat men er eindelijk dertig duizend telde, zooals men het misschien nog bij sommige animistische negerstammen in het hart van Afrika vindt.

Dat ook bij de oorlogvoerende volken God erkend en aangebeden wordt, is iets waarover men zich moet verblijden. En het is gansch begrijpelijk dat zij ook, ieder op zijne wijze, desnoods in de loopgraven Kerstmis hebben gevierd.

Maar de Regeering, zegt men, moet zich op godsdienstig gebied neutraal houden. Dat is voor haar het eenig juiste standpunt in dezen.

In zoover dit beteekent, dat zij de godsdienst volkomen vrij moet laten en dus geen partij kiezen tusschen de wijze waarop de kerken en kerkgenootschappen de godsdienst meenente moeten uitoefenen, zeggen we: accoord, dat gelooven wij óók.

Maar als het beteekent dat de regeering van een land met den godsdienst niets heeft te maken, dan is ons antwoord:

O jammerlijke en ongerijmde neutraliteit! Een misgeboorte zijt ge van den beginne aan geweest; denk maar aan het onderwijs in de vaderlandsche geschiedenis „in de grondverf." Maar als ge u zelfs op godsdienstig gebied wilt handhaven, dan bereikt ge het toppunt van onmogelijkheid....

Zie maar naar de praktijk. Die slaat u vierkant in het aangezicht.

Al deze oorlogvoerende volken gelooven aan God. De kerken stroomen er vol, zelfs in Frankrijk. Ieder komt met zijn nooden tot God. En de regeeringen, wel ver van dit te verbieden of te belemmeren, keuren het goed of moedigen het aan....

Dit heeft met de vraag, wie van de oorlogvoerenden nu gelijk heeft, aan wiens zijde hel Recht is, absoluut niets te maken. Het is waar, als er oorlog is, en als er vrede is; volkomen gelijkelijk.

Het raakt uitsluitend de vraag, of Gods wereldbestuur over alle volken gaat, en of alle volken, bijna zeiden we instinctmatig, gevoelen, dat ze onder alle omstandigheden met God te maken hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's