Staat en Maatschappij.
Het eedsvraagstuk.
II.
Welke bepalingen nu treft dè regeering in hare nadere regeling van höt eedavraagstnk ten aanzien van het afleggen van den eed?
Volgens artikel 1 van het wetsontwerp handhaaft de regeering in het algemeen den eed. Het artikel bepaalt, dat ieder, hetzij al of niet tot een godsdienstige gezindheid behoorende, den eed aflegt, behalve in de gevallen, die in de volgende artikelen nader worden aangegeven.
Tot zoovér gaan we met het wetsontwerp accoord. Doch nu komt artikel 2, dat i& de uitzonderingsgevallen den grondslag, die in artikel 1 werd gelegd, weer geheel ontwricht.
Omtrent deze uitzonderingsgevallen bepaalt artikel 2 dat in afwijking van den eed eeue belofte of bevestiging afgelegd wordt, o. m.: indien het rechterlijk college of de ambtenaar bij de beëediging. op de opgave van den te beëedigen persoon, oordeelt dat deze oprecht meent gewichtige gewetensbezwaren tegen het afleggen van den eed te gevoelen. In de toelichting op dit artikel wordt gezegd, dat de gekozen redactie duidelijk wedergeeft dat bij de uitoefening der toetsingsbevoegdheid niet mag onderzocht worden, of de opgegeven gewetensbezwaren redelijk of verstandig zijn, doch slechts van belang is , de waarachtigheid", , de overtuigingswaarde" van de opgave van de aanwezigheid van gewichtige gewetensbezwaren.
Bij het opgeven van gewichtige gewetensbezwaren zal, instede van de verplichting tot het afleggen van den eed, de belofte of bevestiging kunnen gedaan worden. De verklaring van den getuige dat hij gewetensbezwaren heeft; , is alzoo voldoende, om hem van het afleggen van den eed vrij te stellen.
Wat wordt met gewetensbezwaren bedoeld ? Vooreerst de bezwaren van hen, die, ook al verbiedt hunne Kerk den eed niet, of al zijn ze niet lid van een Kerk, toch gewoon van meening zijn, evenals de oude Dooperschen, dat God den eed verbiedt.
Maar toch ook ten tweede het bezwaar der atheïsten, de personen, die niet in God gelooven.
En dit is onze tweede bedenking tegen het wetsontwerp, dat de tweeërlei bezwaren over één kam worden geschoren en als „gewetensbezwaren" onder ééne rubriek worden gebracht.
Wij ontkennen, evenals dit de Stichtsehe Courant onlangs deed bij de beschouwingen over het eedsontwerp, dat de atheïsten „gewetensbezwaren" hebben. Een gewetensbezwaar ontstaat hierdoor, dat de mensch zich gebonden voelt aan een hoogere dan de menschelijke, d. i. aan «en Goddelijke Wet. De atheïst mag niet zweren, omdat hij niet kan.
Hij is er onbekwaam toe. Het gewetenibezwaar van hem, die meent dat God het eedzweren verbiedt, mag niet in één adem genoemd worden met het gewetensbezwaar van dengene, die ongeschikt is voor het afleggen van den eed als gevolg van atheïsme.
Schrijft men nu duidelijk in de wet, dat de belofte of bevestiging wordt afgelegd door den te beëedigen persoon voor het geval hij meent gewichtige gewetensbezwaren te hebben tegen het afleggen van den eed, en voorts daarnaast dat hij, die verklaart atheïst te zijn, instede van den eed ook de belofte of beveitiging kan afleggen, dan wordt op die wijze dé eed als regel gehandhaafd.
Dat het wetsontwerp dien kant niet uitgaat, en dit is eene derde bedenking tegen de voordracht, blijkt uit den ganschen opzet der regeling, welke wordt voorgesteld.
Het wetsontwerp doet een grooten stap in de richting der vrije keuze. Het sanctioneert die vrije keuze. Er wordt bepaald, dat het afleggen van den eed niet langer afhankelijk zal zijn van het feit, dat men tot ten kerkgenootschap behoort, hetwelk den eed niet verbiedt. Zeker, de toelating tot de belofte of bevestiging is afhankelijk gesteld van het oordeel des rechters, maar de practijk zal leeren dat die afhankelijkheid niet veel beteekent. Immers de rechter zal er niet licht toe overgaan om op iemand openlijk de blaam van onoprechtheid te leggen, zoodat de toelating tot de belofte of bevestiging zelden zal geweigerd worden.
Feitelijk heeft dus de te beëedigen persoon de vrije keuze tussehen het afleggen van den eed of het doen van de belofte of van de bevestiging. De waarde van den eed wordt daardoor verlaagd. Uit deze bedenking tegen de vrije ktfuze tusschen eed en belofte vloeit eene andere bedenking voort, nl. deze, dat, wanneer de gelijkheid tussehen eed en belofte wordt binnengesmokkeld, men ten slotte komt tot algeheele afschaffing van den eed. Eenmaal zich op het hellend vlak bevindend, zal men steeds verder afglijden. Behoeft de te beëedigen persoon niet noodzakelijk te zweren, dan zal hij voortaan de belofte afleggen.
Ook zal in dit verband de beteekenis van den eed belangrijk verzwakt worden. Ten aanzien van niet-geloovigen zal de rechter met hun woord genoegen nemen; maar ten aanzien van hen, die de Christelijke levensbeschouwing zijn toegedaan, zal afleggen van verklaringen onder eede worden gevergd.
Zoo ligt er in hetgeen in het wetsontwerp wordt voorgesteld voor hen, dié in God .gelooven, iets krenkends. De gedachte, waarvan de nieuwe regeling uitgaat, is deze, dat voor de godloochenaars de waarborg, dien de geloovigen door den eed kunnen bieden, niet noodig is, omdat deze toch de waarheid wel zullen spreken.
Niet alleen leidt dit tot óögérèchlvaaMi|; de ongelijke behandeling, maar dit stuit om des beginsels wille ook tegen de borst.
In ons volgend artikel hopen wij nog enkele slotopmerkingen te maken.
Offervaardigheid.
De Unie-collecte voor Scholen met den Bijbel bracht dit jaar f 105, 314.60 op, dat is slechts f 2, 768.65 lager dan de vorige en f 3, 493.055 hooger dan de Unie-collecte in 1912.
Dit heugelijk bericht van den Secretaris van de Unie heeft ook de aandacht van de vrijzinnige pers getrokken.
Het orgaan der Vrijzinnig-Democraten van 16 Januari deed het de verzuchting neerschryven: „Leert deze offervaardigheid niet ons vrijzinnigen in het algemeen, ons Vrijzinnig-Democraten in het bijzonder, waarin wy tekort schieten."
Zoo is het! Het schiet bij de vrijzinnigen tekort aan offervaardigheid.
Maar merkwaardig is het, hoe nog onlangs, toen de gemeenteraad van Oldemarkt besloot om het schoolgeld voor de openbare school te verhoogen, dat na de verhooging nog belangrijk lager bleef dan dat wat op de bijzondere school wordt gevraagd, de heele vrijzinnige pers in beweging kwam.
Op die manier leert men zijn volk geen offervaardigheid. ...
By de voorstanders der Christelijke School is dit anders; deze hebben leeren geven.
Waarom probeeren de vriijzinnigen dit ook niet eens?
Tot nog toe is de liefde voor de openbare school, de school waaraan de natie zoo gehecht is, niet groot, wanneer het op de dubbeltjes aankomt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's