Stichtelijke overdenking.
Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van, den Koning Herodes, ziet, eenige wijzen van het oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, — En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeke met Maria, zijne moeder, en. nedervallende hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken; goud en wierook en mirre. Matth. 2: 1-11
De eerstelingen des oogstes onder de heidenen.
II.
Uit het midden van het bedenken der dingen, die beneden zgn, waren de Wijzen van het Oosten opgeschrikt, om te leeren vragen naar Gods wijse wegen, in Jezus Christus openbaar geworden.
-Ze konden het niet meer vinden in het midden van hun oude omgeving. Er kwam een breuke tusschen hen en de wereld, die hen omringde. Terwijl hiin harte, begeerig gemaakt naar hoogere dingen, leerde vragen om Hem te mogen aanschouwen én Hem te mogen bezitten, die van God gegeven' was om Zijn volk te redden en zalig te maken.
Gods groote daden kwamen te staan in het midden van hun begeeren en zoeken en vragen. En 't was van nu af aan de Koning, van God gegeven, om Wien alles ging bij hen!
Wat genadig en barmhartig is het toch van den Heere, als Hij óns komt losmaken van 'tgeen ons van nature gebonden houdt en ons geheel vervult — om ons dan een hartelijk begeeren naar Hem èn Zijnen Christus te geven!
O! wat zitten er tal van rijken vast, muurvast, aan hun geld en goed; aan eer en aanzien bij de menachen; aan familietrots; en familiebezit — om, als God het niet verhoedt, koud van hart, geheel ongevoelig voor het Koninkrijk Gods, voor eeuwig verloren te gaan. Ja — hoe bezwaarlijk is iiet toch voor een rijke, om het Koninkrijk Gods binnen te gaan!
En hoe velen van de wijzen der aarde en dergenen die 'wetenschappelijk hoog staan zijn blind en doof voor het geestelijk goed van Sion en de lokkende roepstemmen Gods. Zij willen en kunnen er maar niet toe besluiten, om al de wijsheid der wereld in te ruilen voor de godzaligheid, al hun talenten in dienst stellend van den Alwijze, die te prijzen is op alle terrein des levens.
En ziet, daar komt de Heere deze Wijzen uit het Oosten ombuigen tot het zoeken van de goederen des heils — en al hun schatten wenschen zij neer te leggen voor Hem, die een naam draagt boven allen naam, zijnde de Zaligmaker van zondaren.
Daar gaan ze op reis. Zal het hun niet berouwen de keus van het smalle pad ?
De Heere wijst hun den weg naar Kanaan. En zij gaan. Zullen ze daar vinden wat zij zoeken? Zullen ze daar ervaren een goeden ruil gedaan te hebben ? Zullen ze daar verzadigd worden met het groote goed, dat de Heere heeft weggelegd voor degenen, die naar Hem leeren vragen in oprechtheid?
't Lijkt er niets naarl Want als ze hun voeten richten naar Jeruzalem, Waar de tempel van Jehova staat en waar de koning der Joden, Herodes de Groote, woont — dan hadden zij zich voorgesteld daar te zullen vinden, wat ze zochten, maar.... daar is 't niet.
En niet alleen, dat ze daar teleurgesteld worden, maar de teleurstelling gaat zoo diep, want men weet daar in Jeruzalem in des konings paleis blijkbaar niet eens, dat er iets bizonders gebeurd is.
Men weet daar blijkbaar niets van 'tgeen God van ouds beloofd had noch van 'tgeen de Heere nu geschonken had aan Zijn erfvolk.
Neen — in 't paleis des konings wist men niets van 'tgeen waarop de Wijzen uit het Oosten al hun verwachting hebben gesteld. Ach, armen zijt gij dan uit het Oosten gekomen om een hersenschim na te jagen? Hebt gij dan alles verlaten, om niets ervoor terug te kriggen? Hebt gij uw hoofd en hart vol laten praten door leugenaars en bedriegers, die den menschen ontnemen wat ze hebben, óm hen. te beloven wat er niet is?
Ja, daar staan ze nu, om te ontdekken, dat ze dwaas gehandeld hebben, om hun hart te zetten op het groote Godsgeschenk, tot zaligheid gegeven voor de heidenen en voor de Joden!
. Wat smartelijke teleurstelling! De Joden weten er niets van. De inwoners van Jeruzalem hebben er niet van gehoord. Degenen, die vlak bij woonden, bekommerden zich er niet om. Neen — dan zal het ook wel niet geschied zijn; dan zal 't ook wel de moeite niet waard zijn, om er verder naar te informeeren. 't Is er niet.... Dan de reis maar weer aanvaard naar de plaats vanwaar ze gekomen zijn. Dan alles maar uitwisschen uit de gedachten en maar weer gaan denken, spreken en handelen als de heidenen alom!...
Maar wacht eens! Laat u door de wereld niet zoo spoedig bedriegen. De wereld zegt zoo gemakkelijk dat iets er niet is, dat iets niet gebeurd is, dat iets niet de moeite waard is om er zich om te bekommeren. Maar laat de wereld dan de Schriften' eens raadplegen; laat Gods Woord eens tusschen beiden gelegd om uitspraak te doen. Wat ziet men dan?
Ja.... maar wie raadpleegt er nu de Schriften? . Wie neemt nu den Bijbel om uitspraak te laten doen? Immers niemand die verstandig is! Zou de vrije, wijze mensch zich stellen onder het juk van dat Boek? Een dwaas die het doet ..
De onrust bij koning Herodes, die o! zoo bang is voor een mededinger naar kroon en troon, brengt hem er toe, om deze zaak nader te laten onderzoeken. Hij wendt zich tot de Schriftgeleerden, die wel weten wat zoo al de verwachtingen van het volk, waarover hij bij de gratie der Romeinen sinds het jaar 40 regeert, zijn.
En die Schriftgeleerden slaan de schriften der profeten op, om een nader onderzoek in te stellen en.... ja, het Woord des Heeren spreekt ook van die dingen, waarover de Wijzen uit het Oosten met den Koning hadden gehandeld. Want Micha — vrg aangehaald — had van ouds gezegd: En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda: want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal" (Matth. 2:6).
Er komt weer meer hoop! De Wijzen uit het Oosten hadden toch niet over zoo'n héél onmogelijke zaak gesproken. Wat zij zochten kon er toch wel eens zijn. Er kon toch wel wat gebeurd zijn. 't Kon wel eens wezen, dat de koning blind was en de inwoners van Jeruzalem dwaas, 't Kon wel eens zijn, dat degenen die nabij woonden zich verharden gingen ten einde toe, terwijl degenen die van verre kwamen naderden tot het Licht,
Neen — degenen die dwaas zijn bij zich zelf en zoekende zijn naar de wijsheid Gods, moeten zich door de wereld niet zoo spoedig in de war laten brengen. En degenen, die de tegenwoordige wereld hebben leeren los laten, om te zoeken de toekomende, moeten de menschen geen gehoor geven, die smalend en spottend roepen: gij jaagt herschenschimmen na.
Neen — laat de Schrift maar spreken. Laat de Bijbel maar rechter zijn.
Laat het Woord des Heeren maar onderzocht worden en de stemme Gods naarstig worden beluisterd. O! dan zult gij zien en ervaren, dat de wereld die wijs is in eigen oog dwaas is en zeer goddeloos. Gij zult ervaren, dat allen die zeggen, dat de dingen van Gods koninkrijk herschenschimmen zijn en dat het beter is om de dingen van deze wereld te hebben, dan de godzaligheid te zoeken, — zotteklappen en ijdeltuiten zijn, die zullen verliezen wat ze hebben en zullen ontvangen wat ze niet verwachten.
Zeker! de wereld kan zoo minachtend spreken over de dingen, die een hongerige en dorstige ziele heeft leeren beschouwen als het éene noodige. Onze omgeving kan zoo gering achten, ' Wat tegen eiken prijs wordt begeerd, door degenen, die hebben leeren roepen tot God.
Maar de Bijbel geeft de wereld nooit gelijk in dit lichtvaardig gedoe en noemt het spreken van den in eigen oog zoo wijzen mensch eenvoudig zottepraat, om de zoekende en vragende zielen toe te roepen: „haast u en spoedt u, om uws levens wil!" — met de verzekering en belofte: „wie zoekt, die vindt; wie klopt, dien zal worden opengedaan ; wie bidt, die ontvangt".
Neen — de Bijbel heeft het nog niet zoo mis. Dat; bleek te Jeruzalem wel, waar koning en volk geen acht gaven op de dingen, terwijl de Schriften toch getuigenis gaven. Wat God gesproken heeft is waar. En gelukkig die Wijzen uit het Oosten, die de wijsheid der wereld als dwaasheid hadden leeren kennen, terwijl zij de dwaasheid Gods als de hoogste wijsheid hadden leeren begeeren en mochten zoeken met geheel hun hart.
Door de Schriften werd hun nu de weg aangewezen.
Naar Bethlehem! En dat pad werd door goddelgk licht bestraald, kennelijk opgeklaard door wónderheerlijken glans van den hemel!
Neen — de Heere vergeet de Zijnen niet. Hij. weet genade en eere te geven aan degenen, die nederig naar Hem vragen. Want wilden de Schriftgeleerden niet met hen meegaan, daar zij de tegenwoordige wereld liever hadden dan den Christus Gods; en wilde Herodes hen alleen laten tobben, intusschen zijn plannen makend voor de toekomst — de Heere zélf liet hen niet alleen staan, maar voegde Zich bij hen. Daarin openbarend, dat het waar is, wat Hij zelf gezegd heeft: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden" (Jes. 57:15).
Daar verschijnt de ster! Daar wijst God hun den weg! En terwijl de schriftgeleerden, die het zoo goed wisten, als doode handwijzers blijven staan, koud en roerloos aan hun plaats gebonden, gaan de Wijzen uit het Oosten vroolijk en bemoedigd voorwaarts, om weldra, door God zelf geleid, voor den Christus Gods te knielen en Hem, het voorwerp hunner hartelijke liefde, geschenken te geven.
Zoó leidt God de Zijnen! O, zeker langs omwegen; langs dorre plaatsen; langs diepten en over hoogten; door woestijnen en over rivieren; onder spot en hoon en smaad van de wereld door; door bittere teleurstelling en angstig vragen heen. Maar wat Hij begint komt Hij ook voleindigen; en in Bethlehem worden de namen van de Wijzen uit het Oosten ingeschreven in de registers van den Koning van Sion!
Van den Heere is dit, o ziele, die moede klaagt en klagend vraagt. Hij gaat met Zijn heillicht voor een iegelijk, die in duister wandelt en tot Hem roept. En daarom is het een begeerlijke staat, als het harte maar mag nazeggen:
Ik hef tot U, die in den hemel zit!
Mijn oogen op, en bid. Gelijk een knecht ziet op de hand zijns [heeren.
Om nooddruft te begeeren. En 't oog der maagd is opbaar vrouw [geslagen.
Om hulp of gunst te vragen; Zoó slaan wij 't oog op onzen HEER, tot Hij,
Ook ons genadig zij.
Daar staan dan hun voeten in Bethlehem! Daar mogen zij naderen tot 'den jong geboren Koning. En als hun oog Hem aanschouwt, ja, dan kan de wereld wéér haar schouders optrekken en spottend vragen: wat hebt gij nu nog? — Maar hun hart klopt van blijde ontroering en hun ziele smelt weg van zalige vreugd, want in Hem, die geen gedaante en geen heerlijkheid heeft en voor Wien Koning en Schriftgeleerden hun aangezicht verborgen hielden, zien zij den eeniggeborene des Vaders, vol van genade en heerlijkheid!
Neen, deze Magiërs uit het Oosten zijn hier niet gebracht door het samentrefien van Jupiter, Mars en Saturnus, wat een wonder lichtverschijnsel aan den hemel gaf!
Zeker, de Heere had een wonder middel gebruikt om hen, in hunne taal te spreken van den Christus. Maar ten slotte was het de aanraking van Zijnen onwederstandelijken Geest geweest, die deze Wijzen uit het Oosten begeerig gemaakt had naar Christus, om hen ook wonderlijk te leiden in alle waarheid, ten slotte gevende, als vruchten der gerechtigheid, blijdschap en vrede.
Hun wortelen waren nu ingeslagen in hetgeen de Heere zelf gaf tot Zaligheid en nu was alles wat zij hadden van en voor den Heere, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
Die God vindt, die verliest alles. De wereld is zoo trotsch op eer, geld, wijsheid, bezit. Maar die God vindt verliest dat alles. Want dan is alles uit God en voor God. En de rijke geeft zijn geld, de wijze geeft zijn wetenschap, de machtige geeft zijn beheer in den dienst des Heeren, die te prijzen is lot in eeuwigheid.
We zien het in de Wijzen uit het Oosten. Ze mogen Christus vinden en aanbidden Hem. Ze geven zich zelf. Ze geven hun hart. Ze geven zich onvoorwaardelijk aan Hem over. Hij is hun liefde waardig. Hij heeft hen verlost. Hij heeft hen met het zaligste goed vervuld. Verlost uit hun zonde-en doodstaat mogen zij nu God ontmoeten in vrede. „Immanuël: God met ons!" mogen zij aanbiddend uitroepen.
En dan houden ze hun geld niet krampachtig vast. Dan laten ze hun schatten niet ingepakt. Dan zijn ze niet zuinig met de wierook en mirre, die ze bij zich hebben.
Neen — een bekeerd mensch is een royaal mensch. Want Hij die rijk was is arm geworden om armen en ellendigen rijk te maken. En o! dan is die begenadigde, die uit de volheid van Gods ontfermen genade voor genade heeft ontvangen, niet karig, schriel, gierig en terughoudend. Neen! dan leeft er in het harte wat de dichter van Ps. 116 zong:
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan, Dien trouwen HEER' voor zijn gena vergelden? 'k Zal, bij den kelk des heils, zijn naam vermelden, En roepen Hem met blijd' erkentnis aan.
Neen, dan gaat men niet in een warm hoekje zitten, om alles maar aan z'n lot over te laten. Dan zegt men niet van alles wat zich rondom ons afspeelt: wat gaan mij deze dingen aan? Dan houdt men niet zilver en goud achter slot en grendel, of steekt het niet in allerlei papieren of andere waaghalzerij, terwijl men voor het werk in het midden van Gods Koninkrijk niets over heeft dan een weigerend antwoord en een verstoord gezicht.
Neen — de bekeering is het losmaken der grafzwachtels, om op te staan tot een nieuw leven. Of zooals onze oude Heidelberger het zegt: het is een hartelijke vreugd in God door Christus en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.
Dat is de rijkdom van het vinden van Christus.
Dat is de zaligheid van het deel krijgen aan den Zaligmaker.
O! om eerst persoonlijk met Hem in aanraking te komen; ons aan Hem te mogen leeren overgeven; Hem onzen Borg en Losser te mogen noemen — ziet, dat opent den weg tot de zaligste genieting van vrede en barmhartigheid.
En als lidmaat van Christus Hem zelf en al Zijne schatten en gaven deelachtig te mogen zijn — werpt als heilzame vrucht af, dat elk zich ook schuldig mag weten zijne gaven en krachten ten nutte en ter zaligheid van anderen gewillig en met vreugde aan te wenden.
O, neen! het gaat hier niet om de goede werken als verdienende oorzaak tot de zaligheid.
Want de waarachtig goede werken zijn geen vruchten van óns, maar van Christus.
De gerechtigheid ligt alléén in Hem. Hij is 't, die vooral de Zijnen den hemel verdiend heeft door Zijne volzalige gerechtigheid, in Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid aan God geopenbaard.
Bovendien zijn ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en met zonden bevlekt.
Maar dat alles maakt geen zorgelooze en goddelooze menschen van hen, die door genade Christus mogen vinden en Hem mogen kennen als hun Verlosser. Want — zoo zegt de Catechismus héél kras — want het is onmogelijk, dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Voelt Gij wel, dat hier alles aankomt op dat vinden van Christus, om Hem door een waarachtig geloof ingeplant te wordend
Voelt Gij wel, dat het dear toe komen moet, dat wij persoonlijk tot Hem moeten worden uitgedreven, om Hem te ontmoeten en in Hem ons zelf te verliezen, — van den Heere daarbij ontvangende wat tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing is?
Wij moeten sterven. Wij moeten uitgerukt worden uit onzen doodstaat. Wij moeten met Hem vereenigd worden in den geloove. Wij moeten in Hem vinden verzoening van onze schuld, uitdelging van onze zonden en onze hoogste vreugd en zaligheid.
En die boom leeft. Die boom brengt vruchten voort. Die boom beslaat niet onnut zijn plaats.
Dan is 't: Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden" Rom. 6:4.
Hebben wij reeds geleerd om alles te verlaten en tot Christus te roepen om Zijne genade ?
Hebben wij Hem reeds noodig vóór alles? Hebben wij reeds geleerd, dat het bezit van heel de wereld ons nog niet baten zal, wanneer wij persoonlijk nog niet mogen zeggen van den Christus: „die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking ? "
Eerst ons leeren overgeven aan Hem! Waarbij de Heere wil geven van Zijn Woord en van Zijn Geest aan een iegelijk, die in het duister dwaalt en heeft leeren roepen om genade.
Dan wil Hij den blinde den weg leeren — en hij zal niet dwalen. Dan wil Hij den kreupele ondersteunen — en hij zal niet wankelen. Die Hem aanroept in den nood, vindt Zijn gunst oneindig groot!
0! wat is het zaliger om zich aan Hem te mogen leeren overgeven, dan koud en koel te blijven leven in den staat der zonde of ons te sterken in den staat der vijandschap.
De zonde en de vijandschap verhardt en bedriegt; maakt arm en ellendig — en doet ten slotte voor eeuwig verloren gaan, met beërving van namelooze smart.
Maar om den Christus Gods te mogen vinden is vol verrassing en vreugd.
Dat maakt levend; dat maakt rijk. En die rijkdom in Christus neemt toe, tot dat de deuren der eeuwigheid ontsloten worden en toegang geven tot hetgeen geen oor heeft gehoord, geen oog heeft gezisn en in geen 's menschen harte is opgeklommen, maar wat God bereid heeft voor degenen, die Hem vreezen. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's