De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

Het eedsvraagstuk.

(Slot.)

Onze bedenking-en tegen het regeeringsvoorstel ter zake van eene nadere regeling van het eedsvraagstuk resumeerend, zagen wij dat tegen het wetsontwerp achtereenvolgens deze bezwaren bestaan: Ie. de beteekenis van den eed wordt gewijzigd;

2e. de gewetensbezwaren zoowel van hen, die persoonlijk van meening zijn, evenals de oude Dooperschen, dat God den eed verbiedt, als van hen, die atheïst zijn, worden onder ééne rubriek gebracht;

3e. een groote stap wordt gedaan in de richting der vrije keuze van eed of belofte, hetgeen ten slotte leiden zal tot algeheele afschaffing van den eed;

en 4e. de waarheidszin van hen, die de belofte afleggen, wordt hooger aangeslagen dan van degenen, die aan den eed vasthouden.

Zooals te begrijpen valt, zijn er velen in den lande, die met de indiening van het wetsontwerp zeer zijn ingenomen. De eed is voor verscheidenen hunner een verouderd instituut, dat gerust kan verdwijnen, on naar de meening van weer anderen past het eischen van den eed niet bij het beginsel van de vrijheid. De oplossing van het eedsvraagstuk moet naar hun zeggen in vrijheidlievenden. geest geschieden. „Van allen, die niet tot een kerkgenootschap behooren, dat bepaalde vormen of gebruiken huldigt, wordt", zoo schreef eenige jaren geleden de Nieuwe Courant, het liberale Haagsche orgaan, „zoo vaak de Staat een plechtige verklaring meent te moeten vorderen, niet anders gevergd, dan deze af te leggen in dien vorm, waaraan ieder, zonder onderscheid van godsdienstige of ongodsdienstige overtuiging, zich kan onderwerpen — d. w. z. wat het getuigenis in rechte betreft, de belofte van de waarheid en niets dan. de waarheid te zullen zeggen."

Wij cursiveerden de uitdrukking bepaalde vormen of gebruiken, opdat duidelijk zou blijken, dat naar dezen regel eigenlijk een ieder hetzij hij tot een kerkgenootschap behoort of niet tot de belofte kan worden toegelaten.

Immers geen enkele Kerk huldigt ten opzichte van den eed bepaalde vormen of gebruiken, wat we reeds in ons eerste stuk deden uitkomen, toen we schreven dat in de Kerk geen manier van eedsaflegging wordt voorgeschreven, omdat in de Kerk geen eed wordt afgenomen,

Wat de voorstanders van de oplossing van het eedsvraagstuk in vrij heidlievenden geest willen, is eigenlijk niets anders dan de facultatiefstelling van eed of belofte. Een ieder moet vrij zijn om aan te geven, op welke wijze hij de waarheid wil bezegelen, hetzij door het afleggen van den eed, of het doen van een belofte.

Dat deze oplossing de onze niet is, zullen wij, na al hetgeen wij hierover schreven, niet nader behoeven aan te toonen. Naar uitspraak van Gods Woord hebben wij te staan naar de instandhouding van den eed, en dat niet als bij wijze van uitzondering, maar als regel, doch daarnaast hebben wij den eed ook heilig te houden.

Of wij dan meenen, dat herziening van de regeling van het afleggen van den eed niet noodzakelijk is? Die vraag mogen wij niet bevestigend beantwoorden. Reeds hierom niet, omdat de rechtsonzekerheid, die ontstaan is door het arrest van den Hoogen Raad van 29 Juni 1914, zoo spoedig mogelijk dient weggenomen te worden. Daarvoor kan echter bij wat men noemt een gelegenheidswetje voorzien worden. Maar een algeheele herziening der materie is iets anders.

Een eerste stap in die richting zou zijn, om het gebruik van den eed te beperken. Te dikmaals wordt de eed opgelegd, waar het zweren kon achterwege blijven. Maar de eed zelve moet blijven. De overheid toch mist de macht om de waarheid aan het licht te brengen, en wanneer de uitwendige middelen daartoe ontbreken, moet op de conscientie een beroep kunnen worden gedaan. Dit beroep heeft de grootste kracht, wanneer de mensch voor Gods heilig aangezicht wordt gesteld, wanneer hij bij den naam van den Éénige, die in het verborgene ziet, de waarheid moet bevestigen. Geeft men die macht, welke de Overheid van Godswege heeft, prijs, dan wordt een der krachtigste middelen gemist, die noodig zijn om de waarheid te ontdekken en het recht te verzekeren.

Maar nu komt de moeilijkheid, nl. hoe te handelen is met hen, die bezwaren maken om den eed af te leggen. Met die moeilijkheid bedoelen wij niet het geval waarin de Doopsgezinden verkeeren. Aan hen is reeds sinds lang toegestaan om in stede van den eed de belofte te doen. Maar wij hebben meer bijzonderlijk op het oog degenen, die zeggen gewetensbezwaren te hebben om den eed af te leggen. Deze personen zouden wij in twee categorieën willen splitsen, in een groep die verklaart niet in God te gelooven en in een groep die uit anderen hoofde bezwaar maakt om te zweren. De laatste zouden wij niet van het afleggen van den eed willen vrijstellen, wel de eerste. Men mag hen, die zeggen Godloochenaar te zijn, niet tot den eed verplichten. Voor den atheïst zou daarom een afzonderlijke regeling moeten getroffen worden, eene regeling, die wij zoo zouden willen gesteld zien, dat er voor de zoodanigen vrijstelling ware, die nadrukkelijk verklaren, dat zij niet onvoorwaardelijk in den levenden God gelooven. De atheïsten moeten als exceptiën uitkomen, voor wie een afzonderlyke regel geldt.

Wat wij dus willen is dit, dat bij een principieele oplossing van het eedsvraagstuk de eed als regel gehandhaafd blijve, zoodat van een ieder de eed mag geëischt worden. Voorts dat in stede van den eed de belofte kan worden afgelegd door allen, die verklaren dat zij het afleggen van den eed voor ongeoorloofd houden, wijl huns inziens deze handeling door God verboden is. En eindelijk dat hun, die het uitspreken, dat zij niet in een persoonlijk God gelooven, de gelegenheid geboden worde, om op een of andere manier, bij de wet te bepalen, eene handeling te verrichten, die met eed of belofte gelijk staat.

Zoo zou naar onze meening de oplossing van het eedsvraagstuk moeten verkregen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's