Ondank.
Hoogl. 5 : 2—8 (vgl. Openb. 3:20 en Matth. 25 : 1—13).
Wie ben ik toch, dat Gij zoo moeizaam trachten wilt naar mijn wederliefde, o Jezu-mijn, en dat ik aan myn deur, in koude en pijn trouw wachtend, U zoo vaak zag overnachten?
Ach, zulk een trouw bestond ik te verachten? U liet ik buiten staan? 't Was meer dan schijn van ondank; hartloos was 't, dat ik — kon 't zijn? — ü daar verstijven liet en schier versmachten I
Helaas, hoe vaak werd de inspraak ik bewust: „sta op, o ziel, doe open Hem de poort en luister naar Ziyn trouwe liefdetonen!"
Helaas, hoe raak gaf ik in loome rust „ja, morgen, morgen!" snood het wederwoord, om morgen U alweder af te troonen.... ! {Naar het Duitsch.)
H., 24 Jan. 1915.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's