Stichtelijke overdenking.
Want gij weet de genade van den Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden. 2 Cor. 8:9.
Vrijwillige armoede.
Maar al te veel beperken wij het borgtochtelijk leven en lijden van Christus tot Gethsémané en Golgotha. We meenen maar al te vaak, dat daar eerst de toorn Gods over Hem is uitgestort. En toch is niets minder juist dan dat. Immers de Heiland heeft geleden van het begin Zijner menschwording aan.
Reeds het feit, dat Hij als onzer één geboren werd, is zulk een diepe smaad voor Jezus geweest.
Hij, die rijk was, is arm geworden.
Ja, Jezus Christus was rijk.
Rijk was Hij aan macht en heerlijkheid en vreugde. Door Hem zijn alle dingen gemaakt en zonder Hem is er geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Hij kon het zeggen: , Al het gedierte des wouds is mijne, de beesten op duizend bergen. Ik ken al het gevogelte der bergen en het wild des velds is bij mij. Zoo mij hongerde. Ik zou het u niet zeggen, want mijne is de wereld en hare volheid."
Hij troonde in het paleis Zijner heerlijkheid, waar de hallels der engelen opklommen voor Zijn aangezicht. Rijk was Hij, onuitsprekelijk rijk in macht en heerlijkheid en vreugde, want Hij was een *voedsterling bij God en dagelijks Zijn vermakingen.
En Hij, die zóó rijk was, is arm geworden. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den merschen gelijk geworden; en in gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.
Wat een geweldige tegenstelling met den rijkdom, dien Hij tevoren bezat.
Grooter tegenstelling is er eenvoudig niet denkbaar.
De rijkste wordt de armste.
En nu mogen wij niet in de eerste plaats hierbij denken aan uitwendige armoede. Wat dat aangaat, zijn er misschien wel menschen geweest, die armer waren dan Hij. Gebrek in den gewonen zin van het woord, heeft Jezus niet moeten lijden. We lezen dat rijken Hem dienden van hun goederen. De rok zonder naad, waarom de soldaten dobbelden bij Zijn kruis, leert ons dat Hij geen schamel kleed heeft gedragen. Neen, als de apostel zegt, dat Jezus arm is geworden, dan ziet dit allereerst daarop, dat Hij onze vernederde natuur heeft aangenomen. Dat Hij zich heeft willen stellen onder den vloek. Dat Hij — om met den Catechismus te spreken — aan lichaam en ziel den ganschen tijd Zijns levens op de aarde, den toorn Gods gedragen heeft. Hij, die geen zonde gekend heeft, wordt zonde gemaakt. Dat was Zijn armoede. En die armoede werd door Hein vrijwillig aanvaard.
Niet door overmacht gedwongen — maar vrijwillig werd Hij, die rijk was, arm.
Als wij vragen: „wat dreef den Heiland er toe om zoo in te gaan in al onzen nood en dood en Zijn heerlijkheid te verlaten en arm te worden? " — dan kunnen wij niet anders antwoorden dan: „het was Zijn liefde. Zijn genade alleen."
Het was de genade van den Heere Jezus Christus, dat Hij arm is geworden.
Wij duizelen, als we zulk een genade willen bevatten en peilen.
Het is een wonder in onze oogen, Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
Wij menschen, wij kunnen nooit anders liefhebben óf er moét in het voorwerp onzer liefde iets zijn, dat ons trekt en bekoort.
Maar in ons was niets te vinden, dat Christus boeien kon, veeleer alles, wat Hem moest afstooten.
Hij, de Heilige, die te rein is van oog dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen, en wij, werkers der ongerechtigheid, bezoedeld, misvormd door meer dan duizend zonden.
Was er bij ons dan misschien een roepen uit de diepte onzer ellende? Werd in dat diensthuis der wereld en der zonde een stem gehoord als te Rama? Gold het van ons, wat daar staat van de kinderen Israels in Egypte: „zij zuchtten en schreeuwden over den dienst en hun gekrijt kwam op tot God"? Ook dat niet..
Neen, we riepen niet tot Hem uit onzen nood, maar leefden voort naar het goeddunken van ons hart, rijk en verrijkt zijnde en hebbende geens dings gebrek.
Maar nog eenmaal, wat bewoog dan Hem, die rijk was, om arm te worden ? Wat bewoog Hem om Zijn hemel in te ruilen voor een hel?
Zoek vrij naar de oplossing van dit mysterie en gij zult altoos weer uitkomen in de onpeilbare diepten van 's Heeren genade. Het was enkel de genade van Christus, die Hem bewoog, arm te worden. Daarom, als er geen oog was dat medelijden had, bood Hij zich vrijwillig aan om den wil des Vaders te volbrengen, zondaren te redden, te zoeken, te zaligen.
Want, dat was het groote doel van Jezus' komst in ons vleesch: Hij is arm geworden om een verloren volk rijk te maken.
Jezus' armoede is de rijkdom van Zijn volk.
Jezus ontledigt zich, opdat Hij armen en ellendigen met goederen des heils zou vervullen. Daarom komt Hij in ons vleesch. En dat is de eerste stap op den weg van Zijn verzoenend lijden en sterven. Want, als Hij komt op deze aarde, dan is dat om te lijden in de plaats der Zijnen, dan is dat om zich te stellen onder al den vloek der heilige Wet Gods, dan is dat om al hun nood en dood te smaken.
Hij wordt zonde — opdat zij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Hij wordt een vloek — opdat zij voor eeuwig zouden vrijgesproken worden.
Hij laat Zijn gezegend lichaam nagelen aan het kruis, — opdat Hij het handschrift hunner zonde er aan zou hechten.
Ziet — zoo wordt de armoede van Jezus de rijkdom van Zijn volk.
Hij is arm geworden, zegt Paulus — om uwentwil, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
't Is een wondervolle weg, de weg der verlossing, een weg waarbij de uitroep der verbazing ons past: „O diepte dés rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen!"
De natuurlijke mensch stoot zich aan zulk een weg. Hij droomt van een Christus, die in glorie komt — maar van een Christus in armoede, in vernedering keert hij zich af. De Christus, zooals Hij daar gekomen is in armoede, heeft geen begeerlijkheid voor den natuurlijken mensch.
En waarom niet ? Omdat zijn oog gesloten is voor dgen armoede. Hij weet niet, dat hij is arm, ellendig, jammerlijk, naakt en blind en waant zich rijk en verrijkt.
En, wat zal nu een rijk mensch met Christus doen? Hij heeft er immers geen behoefte aan.
Daarom, zal Christus voor ons heerlijk en begeerlijk worden, dan moeten we eerst arm en ellendig zijn. En dat wordt een mensch, als Gods Geest hem overtuigt'van zonde en daarmee zijn armoe ontdekt. Dan gaat al onze gewaande rijkdom er aan. Dan blijft er niets over dan een arm en behoeftig zondaar.
Maar dan gaat uit den nood ook de roep om ontferming op. Dan wordt Christus ons dierbaar, noodzakelijk en onmisbaar.
Dan vlucht de zondaar tot Jezus heen. En, o wonder en o waarheid, nu gaat het woord in vervulling:
, - 't Behoeftig volk in hunne nooden, In hun ellend' en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten Redder zijn.
Zalig de mensch, die, eigen armoede erkennend, naar Christus zich wendt. Want Hij, die arm is geworden om onzentwil, Hij is nu onuitsprekelijk rijk Hém is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gezeten aan 's Vaders rechterhand, schenkt Hij uit Zijne volheid genade voor genade.
In Hem heeft Gods arme volk onuitsprekelijke rijkdom. Gerechtigheid en heiligheid en een volkomene verlossing. Al wat zij behoeven voor tijd en eeuwigheid, is in Christus hun bereid.
En de Geest, die eerst ontdekt, vertroost den zondaar met den rijkdom der genade, die in Christus Jezus is. Hij opent het oog voor de schatten, die voor armen en behoeftigen in Hem gevonden worden.
En als zij daar iets van zien — dan worden die armen zoo rijk, dat zij juichen:
'kBen met rijkdom overladen, Wereldling! ik heb een schat, 'k Mag mij in een weelde baden, Die geen wereldling bevat.
Wat een zaligheid en zieleweelde smaakt Gods kind niet als zijn oog op dien Christus mag staren!
En toch —-hoe zalig genot hier ook wordt gekend bij oogenblikken, 't is nog slechts een voorgift van wat zij eens zullen bezitten.
Straks zullen zij toch inwoners zijn van die stad, welker poorten parelen en wier straten goud zijn. De groote erfenis wordtin den hemel voor hen bewaard.
Is Gods arme volk dan niet rijk ? Ja gewis, niets bezittende heeft het alles:
Wat maakt het dan uit, of daar onder hen zijn, die geen voet lands het hunne kunnen noemen; voor hen staat daar die belofte: „En zij zullen het gezegend aardrijk erven."
Maar vergeten wij het niet, 't is alles door Hem, die om hunnentwil is arm geworden, daar Hij rijk was.
Weet deze genade van den Heere Jezus Christus:
Laat ons haar prijzen. Laat ons haar verheerlijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's