Uit het kerkelijk leven.
„Belijdenis-doen".
De N. Rott. Courant schreef dezer dagen over de voorloopig aangenomen wijziging in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs, waardoor bepaalde vragen zouden moeten worden voorgelegd aan allen die in de Herv. Kerk belijdenis des geloofs wenschen af te leggen. Dat gaf aanleiding om een en ander te zeggen over 't geen wel eens bij de aanneming van lidmaten hier en daar voorvalt, 't Gaat over slappe practijken bij de aanneming en voor een gedeelte luidt het artikel dan:
Ik sprak een predikant, die mij vertelde van een hoogere-burgerscholier. Hij kwam weinig ter katechisatie. Ging 's Zondags niet naar de kerk. Tennissen natuurlijk. De jongeling komt dominee vragen, of hij nu met Paschen aangenomen kan worden.
"Gaat ge naar de kerk, vriend? » — Neen dominee«. — »En wilt ge toch aangenomen worden ? « — »Ja, ziet u, het kan mij eigenlijk niet schelen, maar mijn ouders staan er op«.
De predikant vond 't een moeilijk geval. Zoo iemand — laten we nu maar eens niet denken aan de trinitarische formule — kan toch moeilijk op de tweede en derde vraag een bevestigend antwoord geven! 't Kan zijn, dat de candidaataannemeling vóór de bevestiging een paar maal ter kerke komt, 't kan zijn, dat bij de overweging over al of niet toelating te berde gebracht wordt: dat men het goede er maar van zal hopen en dat er allicht nog een zegen voor hem uit kan voortspruiten — maar we weten allen wel, dat dit praatjes zijn, waarmee ernstige menschen zich niet moesten afgeven.
-Na dit geval met een HBS klant volgt dan het geval met een freule:
Dominee krijgt bezoek van mevrouw X. 't Gaat over mevrouws dochter, de freule. De freule zal straks achttien worden, zal voor de talen naar 't buitenland gaan en nu moest ze toch eerst aangenomen worden. Thuis had ze met de Engelsche juffrouw nog al aan Bijbelsche Geschiedenis gedaan; als de dominee haar nu eens een halfjaartje privaat nam, zou het alles best in orde komen.
Als het gezin van mevrouw X, nu als een ernstig godsdienstig gezin bekend stond zou het nog wat zijn. Maar menige mevrouw X, die voor haar dochter de aanneming komt vragen, staat al bizonder weinig als zoodanig bekend.
En toch — o slappe practijk! — de freule wordt aangenomen. Immers: 't is toch mooi, dat zulke menschen daar toch nog aan denken, dat ze dit toch nog willen! „We moeten vooral zorgen dat wij onzen kant, de hoogere standen niet van de Kerk vervreemden".
Dan komt de geschiedenis van een dienstmeisje :
Een dienstmeisje komt ook vragen om aangenomen te worden. Het gebeurt wel eens, dat het kind eerlijk opbiecht: dat mevrouw 't zoo lastig vindt. Heeft mevrouw wel niet meermalen gezegd, dat ze geen meisje neemt, dat nog niet is aangenomen? Het arme schaap wil zoo graag dien goeden dienst pardon „betrekking" — hebben. Toch is ze niet zoo simpel, of ze zoekt in de stad „den makkelijksten dominee" uit, „bij wie je niet veel hoeft te leeren, weet je"! Den makkelijksten — sic! En als dat alles mooi is uitgepractiseerd, antwoordt het kind — ik spreek nu maar niet eens over de trinitarische vraag —, op de tweede en derde vraag plechtig: „ja".
Slappe praktijk! Maar dominee zegt 't zelf — en de ouderlingen zijn 't er roerend mee eens: „dat het tegenwoordig wel moeilijk is voor de dienstmeisjes" en „dat men van die toch ook niet alles vorderen kan." Ja, ik heb de curieuse uitdrukking wel hooren bezigen, „dat het toch ook niet allemaal apostelen en profeten kunnen zijn, dat er ook altijd martelaren geweest zijn."
Dan komt er een die zorgen wil »een appeltje voor den dorst" te hebben:
Een man vertelt den predikant, lidmaat te willen worden. De predikant vraagt hem hoe hij daarbij komt, dewijl hij hem nog nooit in de kerk heeft gezien. Gulweg belijdt de man, dat hij ook niets voor den godsdienst gevoelt, „maar, ziet u, ik word een dagje ouder, en dan met de diakonie...."
Ook zijn er die gaarne „dubbel trekken" willen; althans zoo'n geval wordt als volgt verhaald:
Een ander wil eveneens lidmaat woorden, en geeft even ruiterlijk toe, dat dit alleen is omdat hij als dorpstimmerman dan in aanmerking komt voor de klandizie der kerk. „Maar", zegt de predikant „zou je dan maar niet liever Roomsch worden, want de Roomsche kerk is hier veel rijker en heeft veel meer werk." En tot verrassing van den predikant komt de timmerman met de in allen ernst uitgesproken vraiag: „Dominee, zou het niet kunnen, dat ik bij beide kerken aangenomen word? "
Dan wordt een dorpshistorie verteld van aankomende boeren, die later gaarne kerkegrond willen huren en daarom vooral „lidmaat" willen worden; het verhaal luidt:
Een predikant jaagt een paar leerlingen wegens verregaande onbeschoftheid van de katechisatie en weigert ze aan te nemen. Het geheele dorp overstuur. Want de kerk in het dorp is eigenares van het land, dat onder lidmaten tegen matigen prijs wordt verhuurd, 't Gevolg van de weigering zal voor deze jongens zijn, dat zij niet gelijk alle anderen een eigen bouwerijtje kunnen opzetten op kerkegrond. De overige adspirant-aannemelingen zijn dan ook zoo verontwaardigd, dat zij openlijk tegen dominee in verzet komen en hem verklaren dat de geheele godsdienst ook hun geen bal schelen kan! Maar aangenomen willen zij om het land.
De predikant vindt echter geen bevoegdheid, na deze uitlating hen aan te nemen.
Doch niet de predikant heeft in dezen alleen recht van spreken; „de aanneming van lidmaten, " aldus zegt het Reglement, „geschiedt vanwege den kerkeraad."
Derhalve zet de predikant in de kerkeraadsvergadering zijn bezwaren tegen de aanneming uiteen. Doch deze worden geenszins door de overige kerkeraadsleden beaamd. „Iedereen is hier lidmaat", is hun oordeel, „en we kunnen toch geen menschen ruïneeren om een onvertogen woord in drift geuit? "
Het eene „geval" is al verschrikkelijker dan het andere. En voor de waarheid van dat alles wordt door den schrijver nog eens extra ingestaan.
Is het niet verschrikkelijk? En is het gevaar in onze Herv. Kerk, waar men zoo gaarne véél „aannemelingen" heeft, niet groot, dat al de ernst van het belijdenisdoen afgaat?
Wanneer Paschen in 't land is zullen weer een groote schare jonge lidmaten in het midden van de Gemeente staan om voor God en voor de menschen een plechtig „ja" te doen hooren.
Maar zijn onze kerkelijke toestanden niet gansch rot?
En worden we niet bedrogen door het , groote" in onze „groote" Kerk?
Voeg daarbij de doopspractijken.
Voeg daarbij ....
Neen, we behoeven niet meer te noemen. Mocht onze Herv. (Geref.) Kerk nog weer eens terugkeeren tot haar geref. belijdenis en hare geref, levenspractijken I
Zeker — dan is er ook veel kaf onder 't koren. Dan mengen zich ook hypocrieten of geveinsden onder de ware belijders. Zeker, dan is het ook alles geen goud wat er blinkt.
Maar nu is alles er in onze Herv. Kerk (want zij is de „groote" Kerk) op aangelegd om op groote schaal bedrogen te worden en op groote schaal tot bedrog uit te lokken.
Stemvee.
In Amsterdam is er nog al heel wat te doen geweest bij het opmaken van een drietal in de vacature Dr. Lammerts van Bueren.
Nu — dat kan geen kwaad.
Waar de dood heerscht is het stil, waar leven is, is ook beweging.
En het is werkelijk ook wel de moeite waard om zich te interesseeren voor de vervulling van een predikants vacature in Amsterdam. Nu zijn in de hoofdstad in den laatsten tijd de confessioneelen, geholpen door de Gereformeerden, aan 't woord. De Ethischen zijn sedert eenigen tijd in de minderheid.
En zoo is het ook gebeurd, dat een confessioneel drietal is opgemaakt, waaruit dezer dagen een keuze zal worden gedaan door het Kiescollege.
Maar nu is het eigenaardige, dat door de Ethischen een scherpe propaganda is gemaakt om te bewerken, dat toch een ethisch predikant zou worden beroepen, waarbij zij ongeveer hebben verklaard, dat, als het Kiescollege een confessioneel predikant verkoos, de leden van het Kiescollege zich zouden openbaren als... stemvee, blindelings volgend het commando van „de Vriendenkringen" (confess, en geref.)
Dat vinden we jammer — en belachelijk dwaas.
De menschen die op advies van een ethische Kiesvereeniging op een ethisch predikant stemmen zijn dus zelfstandig-denkende en verstandige menschen.
Maar zij die hun stem geven aan Ds. Krop van Rotterdam, Ds. Reijnders van Doorn of Ds. te Winkel van Arnhem zijn — stemvee.
Zulke zotte dingen moest men nu niet meer verkoopen, dacht ons.
En die er in de hoofdstad van ons land nog geloof aan hechten zijn wel dwaze ongelukkige sukkels, waarmee we diep medelijden hebben.
Zulke sukkels zitten toch, hopen we, niet in het Kiescollege van de groote stad Amsterdam?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's