De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

Ik heb zoo groot geloof zelfs in Israel niet gevonden. Lukas 7: 9b.

Een groot geloof.

Daar is voor den mensch geen andere weg om zalig te worden als de weg des geloofs.

Nu is dat geloof een vrij genadegeschenk Gods. Vandaar dat gij het geloof vaak mist, waar gij het verwacht hadt, en dat gij het omgekeerd vaak vindt, waar gij het niet hadt gezocht.

Zoo was het reeds in de dagen des Ouden Verbonds. Wie zou nu eenig geloof gezocht hebben in het hart van Racbab, de hoer van Jericho, en toch lezen wij in den Hebreërbrief dat zij de verspieders van Israel door het geloof geherbergd heeft. Wie zou nu eenig geloof gezocht hebben in Ruth, de Moabietische schoondochter van Naomi, en toch weten wij dat haar belijdenis: „Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God", taal des geloofs is geweest. Wie zou nu eenig geloof gezocht hebben in het hart van de weduwe te Zarfath, en toch was het haar geloof in Isrels God dat zij Elia onderhouden heeft.

En in de dagen des Nieuwen Verbonds was het niet anders. De hoofdman te Kapernaüm is ons een illustratie voor het woord des Heeren dat velen zouden komen van Oosten en Westen om met Abraham, Izaak en Jacob aan te zitten in het Koninkrijk der hemelen, terwijl de kinderen des Koninkrijks zouden worden buitengeworpen.

De geschiedenis van dezen hoofdman is overbekend. Hij schijnt een Romeinsch officier te zijn geweest die, al was hij een heiden, toch ernstig belang stelde in den Godsdienst der Joden. Hij was dus een der vele heidenen van die dagen, die door den dienst der afgoden niet meer bevredigd werden en die nu gevoelden dat er iets anders noodig was. Nu was het zeker niet bij geval dat hem juist Kapernaüm als zijn garnizoensplaats was aangewezen. In die stad immers had hij de Joden ontmoet en tot het volk der Joden had hij zich aangetrokken gevoeld. Dat volk had hij liefgekregen, blijkbaar niet om hunnentwil, maar omdat hij dat volk had leeren kennen als drager van de beloften Gods. Die liefde tot Gods volk had zich bij dezen man dan ook niet slechts in woorden, maar ook in daden geopenbaard. Immers hij had voor Israels volk zelfs een synagoge gebouwd, een plaats waar op byzondere tijden wet en profeten werden voorgelezen.

De hoofdman te Kapernaüm bleek dus een voorstander van den openbaren eeredienst te zijn en hy had er ook wat voor over dat die dienst geregeld voortgang kon hebben.

Te dien opzichte kan deze krijgsman dus al aanstonds aan velen onzer dagen en zeker niet het minst aan zoo menig officier van onzen tijd ten voorbeeld gesteld. Hoe vele hoofdlieden immers zijn in onze dagen in plaats van liefhebbers haters van Gods volk. Hoevele officieren zouden, in plaats van een kerk te bouwen, veel liever de bestaande kerken willen afbreken. Onze soldaten, die onder de wapenen zijn, kunnen daar helaas maar al te vaak van getuigen dat — de uitzonderingen nu daargelaten — het meerendeel onzer officieren al heel weinig overeenkomst vertoont met den heidenschen hoofdman te Kapernaüm.

En nu kunt ge dat altoos bemerken: wanneer daar geen vreeze Gods voor de oogen der oversten is, dan staan de soldaten in den regel aan harder behandeling bloot dan wan­neer daar een officier is die rekening met Gods inzettingen houdt. De Spreukendichter zegt zoo terecht: de barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed. De rechtvaardige daarentegen kent zelfs het leven van zijn dier. En als de rechtvaardige nu zelfs het leven zijner dieren in dien zin verschoont dat hij ze niet noodeloos met hardheid behandelen zal, hoeveel meer zal dat dan het geval zijn met menschen, die door Gods voorzienig bestel onder hem staan. Ja, als wij ernstig denken over het heil onzer eigene ziel, dan hebben we ook een teer hart over anderen, inzonderheid over dezulken, over wie de Heere ons met gezag heeft bekleed.

Zoo nu was het met den hoofdman te Kapernaüm ook. Hij had met alleen een hart voor Gods volk, maar ook voor degenen die aan zijn zorge waren toevertrouwd. Toen dan ook zijn dienstknecht, een die hem zeer waard was, krank en op zijn uiterste lag, heeft hij geen middel onbeproefd gelaten om hem bij het leven te behouden. Het is bekend wat hij gedaan heeft, niet waar? Onze hoofdman heeft van Jezus gehoord. Het gerucht van 's Hollands woorden en daden heeft ook het oor van dezen heiden bereikt. En waar nu alle hoop voor zijn kranken dienstknecht schijnt afgesneden, daar gevoelt de hoofdman dat er alleen nog redding is bij Hem, voor Wien niets te wonderlijk is.

Deze hoofdman gevoelde dus hetzelfde wat de Kananeesche vrouw gevoelde, toen zij voor haar kranke dochter genezing zocht. En deze hoofdman gevoelde hetzelfde wat iedere ziel gevoelt die door Gods genade aan zichzelf, aan eigen geestelijke krankheid werd ontdekt, nl. dat daar geen redding en geen verlossing buiten Jezus mogelijk is.

Maar, „als mij geen hulp of uitkomst bleek, wanneer mijn geest in mij bezweek, en overstelpt was door ellend', hebt Gij, o Heer', mijn pad gekend." Dat woord van den dichter, ofschoon hij er wellicht nooit van gehoord had, bleek in dezen hoofdman waar te zijn. Het is zijn innige begeerte om tot Jezus te gaan. Alléén Hij zal machtig blijken om zijn kranken knecht nog te redden.

Nu goed, hoofdman, ga dan maar tot Jezus! Hij heeft immers nooit iemand, die tot Hem kwam, van zich geweerd. Hij heeft het immers gezegd: Wie tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Dus ga dan maar tot Jezus en stel Hem de nooden van uw kranken dienstknecht maar voor.

Ach ja, ga maar tot Jezus! Maar dat is — ook in onze dagen — gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want juist dat gaan tot Jezus is iets wat deze hoofdman niet durft. En waarom niet? Wel, onze hoofdman gevoelt zoo de ontzaglijke afstand tusschen Jezus en hem. Hij ziet den middelmuur des afscheidsels, die daar staat tusschen God en dezulken, die als hij vreemdelingen zijn van het heil, dat de Heere aan Zijn volk heeft beloofd. Hij keurt zich zelf dan ook onwaardig om tot Jezus te gaan.

Hij moet dus naar Jezus, want hij voelt dat zijn knecht alleen door Hem geholpen kan worden, en hij kan er niet komen. Gelukkig als ook wij iets van dat moeten en toch niet kunnen, verstaan.

En wat heeft de hoofdman nu gedaan ? Hij heeft de ouderlingen der Joden tot zich geroepen. En nu is het wel opmerkelijk dat deze ouderlingen de goddelijke genade, die zij voor zichzelve verwerpen, voor een ander hebben begeerd. Of vindt gij 't ook niet opvallend dat deze toeh immers onbekeerde Joden het middel in de hand des Heeren zijn geweest dat de heidensche hoofdman hetgeen hij zoo vurig wenschte ontving?

Ziet hoe de Joodsche ouderlingen naar Jezus gaan en hoort hoe zij Hem ernstiglijk bidden. Toch kunt gij uit hun gebed zoo merken dat zij zoo weinig begrepen hebben waarom de hoofdman niet zelf was gegaan. Immers zij gronden hun gebed op iets waar de hoofdman zelf het nooit op gegrond zou hebben. Hij is, zeggen zg, waardig dat Gij hem dat doet, want.... hij heeft ons volk lief en heeft ons de Synagoge gebouwd.

Gevoelt gij iets van de eigengerechtigheid die er in dat woordeke „ons" besloten ligt? Daarom was de hoofdman het in de oogen der Joden waard om door den Heere Jezus geholpen te worden: hij had ons volk lief: hij had ons de Synagoge gebouwd. Wij zouden in onze dagen zeggen: hij was van onze kerk, voor onze school, voor onze partij, en daarom was hij goed, daarom was hij althans waardiger dan anderen. Ach. wat is het toch gelukkig dat de Heere niet doet naar de dwaasheid van ons gebed, ook niet naar de dwaze gebeden die door Zijn volk vaak opgezonden worden. Immers als de Heere dat hier gedaan had, dan zou de kranke knecht van den hoofdman zeker gestorven zijn. Of denkt gij ook niet, als de Heere het om eenige waardigheid van den hoofdman had moeten doen, dat het dan een verloren zaak voor Hem geweest zou zijn? Neen, al zijn liefde tot Gods oude bondvolk, en al zijn bouwen van de Synagoge, het mocht hem waardiger maken in de oogen der Joden, maar het maakte hem niets waardiger in de oogen van Hem, op Wien zijne hope gevestigd was.

De heidensche hoofdman begreep dat beter dan de Joodsche ouderlingen. Immers als hij de nadering des Heeren verneemt dan wordt hij nog meer door het gevoel van zijn eigen onwaardigheid overstelpt. Vandaar dat hij zich nog dieper verootmoedigt door de bekende belijdenis, die hij door zijn vrienden laat doen: Heere, neem de moeite niet, want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht om tot U te komen, maar zeg het met één woord en mijn knecht zal genezen worden.

Mijzelven niet waardig geacht. Dat was dus net het omgekeerde van wat de Joden gezegd hadden. Zij hadden gezegd: hij is waardig dat gij hem dat doet. En de hoofdman zelf zegt: ik ben onwaardig niet alleen dat Gij mij dit doet, maar ook zelfs dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.

De hoofdman was dus waardig in de oogen van anderen en onwaardig in het oog van zichzelf. En ziet, dat is zulk een rijk kenmerk van genade. Van nature toch dan is het bij een mensch vaak zoo juist andersom. Dan zijn wij in ieder geval zoo waardig in ons eigen oog. Maar als genade heerschappij in ons krijgt, dan wordt het net als bij den hoofdman, dan zeggen anderen vaak dat wij toch wel waardig zijn om door den Heere gered en gezaligd te worden, maar van ons zelve zeggen we dan: ach neen, waardig ben ik het niet. Integendeel, ge moest eens weten hoe onwaardig ik ben dat de groote Hemelkoning tot mij zou inkomen, om met mij, zondige aardworm, in gemeenschap te staan. Immers Hij is de Heilige en de Rechtvaardige, te rein van oogen om het kwade te zien, en wij zijn, als Gods genadeiicht op onze donkere ziel is gevallen, in ons eigen oog niet anders dan vloek-en doemwaardige zondaren; en hoe zou daar nu ooit gemeenschap kunnen zijn tusschen het leven en den dood, tusschen het licht en de duisternis.

Merkt gij dus wel dat het een der eerste kenmerken is van het levend geloof dat het gering van zichzelven denkt, en dat het uitnemende heerlijkheid speurt in den persoon van den Christus? Wonderlijke hoofdman, zouden we zeggen, hij heeft voor zijn kranken dienstknecht den eenigen Medicijnmeester begeerd, en nu hij verneemt dat werkelijk de eer van het hooge bezoek hem ten deel zal vallen, nu zou hij zijn deuren wel willen sluiten. Treffend beeld, niet waar, van den toestand van iedere ziel die aan zichzelf ontdekt zijnde uitroept: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch, en die toch aan de andere zijde niet kan aflaten om het den dichter na te zingen:

Heer, neem mijn gebed ter ooren, Wil naar mijne smeekstem hooren, Merk naar Uw goedgunstigheên Op de stem van mijn gebeên.

Maar wat moet Jezus aan dezulken die het de moeite niet vinden dat Hij tot hen zou komen, dan doen? De hoofdman zal het u zeggen: Spreek alleenlijk éen woord en mijn knecht zal genezen worden. Een enkel woord zal dus naar het oordeel van den hoofdman genoeg zijn om zijn kranken dienstknecht gezond te maken. Ach, de hoofdman weet bij ervaring wat een woord van Hem vermag. Hij, een mensch die ook onder de macht van anderen staat, die dus ook aan zijn meerderen gehoorzaam moet zijn, hij heeft ook weer minderen onder zich, en tot zijn krijgsknechten die onder  hem staan, heeft hij immers ook maar te spreken en zij volbrengen zijn wil.

Maar wanneer dit zijn woord reeds genoeg is om zijn mannen in actie te brengen, hoeveel meer kracht moet er dan uitgaan van Hem die de almachtige is. Het geloof van den hoofdman was dus een geloof in het Woord. Vandaar dat de Heere zijn geloof ook noemt een groot geloof, zoo groot zelfs als Hij het in Israël niet gevonden had. In Israël immers was men veel te veel gehecht aan 's Heilands lichamelijke tegenwoordigheid; daarmee in verband stond dat zelfs de discipelen droomden van een aardsch Koninkrgk dat door den Messias zou opgericht worden. En nu komt hier zoo waar een heidensche hoofdman verklaren dat één woord des Heeren genoegzaam tot genezing zal zijn.

Ja, waar het woord des Konings is, daar is heerschappij. Dat heeft ook onze hoofdman ervaren. Immers met zijn geloof in het Woord des Heeren is hij niet beschaamd geworden. De Heere heeft zijn begeerten vervuld. Wanneer dan ook het woord: u geschiede gelijk gij geloofd hebt, uit den mond des Heeren is uitgegaan, dan keeren de vrienden die uitgezonden zijn, onmiddelijk naar den hoofdman terug en als zij in het huis komen dan vinden zij den kranken dienstknecht gezond.

En vraagt ge hoe dat kwam dat deze kranke dienstknecht zoo op eens schijnt genezen te zijn. Zeker, dat kwam door het Woord des Heeren maar niet zonder dat dit woord gepaard ging met eene verborgene werking van den H. Geest. Ja, de Heere sprak, maar op datzelfde oogenblik is Zijn Geest genezend in het kranke lichaam van des hoofdmans dienstknecht werkzaam geweest.

En zoo is het ten allen tijde geweest, als het Woord des Heeren gepaard ging met de werkingen des Geestes, bovenal met de zaligmakende werkingen, dan heeft dat Woord des Heeren wonderen gedaan. Of was het niet door datzelfde Woord dat de kranke dochter van de Kananeesche vrouw ook van haar krankheid is verlost! Was het niet door datzelfde Woord dat de duivelen werden uitgeworpen, de melaatschen wierden gereinigd, de blinden ziende en de dooven hoerende wierden gemaakt en dat de kreupelen sprongen als een hert? En is het nog niet door datzelfde Woord des Heeren dat de zonden vergeven worden, dat het zoo menigen kranke van ziel mag worden toegeroepen: zoon of dochter, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.

Inderdaad, het Woord is genoegzaam om als het toegepast wordt door den H. Geest, 'vrede te doen dalen in de ontruste ziel van Gods kind.

O, dat er dan van datzelfde geloof in het Woord, dat den hoofdman bezielde, ook in onze harten iets gevonden mocht worden. Dat het ook bij ons een wagen op het Woord des Heeren mocht zijn. Dat wij het Woord van den hoofdman aldus gewijzigd tot het onze mochten maken: Heere, spreek alleenlijk één woord en mijn ziel zal genezen zijn. Dan zullen ook wij het ondervinden dat er in den Heere vergeving en genezing voor schuldige en doodkranke zondaren is, en dat alles, wat wij in het besef van onze diepe onwaardigheid, in het gebed, geloovende begeeren zullen, we dat ook zullen ontvangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's