Uit het kerkelijk leven.
Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk? X.
8. Hoe is de iegenwoordioe toestand?
($de Vervolg.)
De Ned. Herv. Kerk heeft haar eigene, wei-omschreven belijdenis. Zij heeft een belijdend karakter. Zij is een Kerk met een confessie. En overal in de Reglementen komt nog uit, dat de Herv. Kerk een eigen „leer" heeft, welke ten slotte overal in prediking, catechisatie, sacramentsbediening enz. haar stempel op moet zetten.
Alles moet overeenkomstig het wezen en het bedoelen van die „leer" gaan.
Maar o! wat ligt er een eeiaw achter ons waarin op dit stuk een aller onwaardigst spel gespeeld is!
Wat is er onwaarachtig geschipper geweest — gelijk nog!
Aldoor heeft men gezegd; de kerk heeft een eigen belijdenis.
En tegelijk beweerde men, de kerk heeft geen belijdenis.
Jaar op jaar verzekerde men, we willen de belijdenis der kerk in wezen niet aantasten noch veranderen.
En tegelijk deed men alles, dat het vrij zou zijn, om de hoofdwaarheden der Herv. leer een wezenlljk-andere beduidenis te geven.
Men kon de Kerk niet belijdenis-loos maken en men wilde het ook niet, zei men.
En tegelijk roept men spottend uit: onze Herv. Kerk een belijdenis? — zij heeft er geene!
We willen uit het jaar 1857 nog even een voorbeeld aanhalen van dat „gemodder" by de vrijzinnige elementen in zake het erkennen van de leer der Kerk, om dezelve tegelijk ten onderste boven te werpen.
In 1857 had Da Costa, bezwaard over den dieptreurigen toestand der Herv. Kerk, vooral wat de Evangelie verkondiging veler predikanten betreft, een adres aan de Synode gericht, om zich daarover te beklagen, dat de waarheid Gods ondermijnd en verworpen, geloochend en gelasterd werd. In welk adres hy betoogde, dat de opleiding van de a.s. predikanten ook zoo treurig was. Hij zei o.a. dat hetgeen omtrent Godsdienst en Godgeleerdheid aan de Universiteiten geleerd werd in onverzoenlijken strijd was met het wezen des christendoms en het geloof der Hervormde Kerken."
Dat was kras, maar .... waar. En nu het geschipper en gedoe van de vrijzinnige meerderheid in de Synode.
Prof. Hofstede de Groot bracht rapport uit over Da Costa's adres.
En zei hij nu: de leer der Herv. Kerk is er niet meer? of misschien: de leer der Herv. Kerk, zooals zij vroeger aangenomen werd, moeten wij nu niet meer hebben; we hebben nu een endere leer?
Niets daarvan!
Zijn antwoord — vol heilige verontwaardiging ! —was weer, zooals de heeren op ofïicieele plaatsen gewoon waren te geven n.l.: „het geloof der Herv. Kerk is 't zelfde gebleven, alleen wij formuleeren de dingen tegenwoordig wat anders dan vroeger."
Nu — dan wist Mr. H. W. Hoving te Groningen het in 1816 anders te zeggen, toen hij 't had over die „allerellendigste formulieren van eenigheid" en die „Dordrechtsche kluisters"!
Dat was een weinig royaler.
Want Prof. Hofstede de Groot kon er wel heel lief over spreken, maar intusschen werd de boel voor afbraak op de markt gebracht!
Poeslief — afbreken.
Heel vriendelijk — verderven.
Ongemerkt — in den grond boren.
Dat was zoo ongeveer het commando voor profesoren, predikanten, kerkeraadsleden, lidmaten en ... leden van de verschillende kerkelijke besturen.
Nu ja, ze hadden wel beloofd de leer te zullen handhaven, maar men kan alles toch niet zoo precies nemen I....
En daarom, ja handhaven ma commando was: in den grond boren!
Wat men op allerlei manier uitvoerde.
De eerste formules, in 1816 voorgeschreven en de bepalingen in zake de leer, toen geldend, hebben we reeds onder de oogen'gehad.
En die getuigen er van — we hebhen het nadrukkelijk geconstateerd — dat de Ned. Herv. Kerk ook in 1816 een belijdende kerk was en dat dezelfde belijdenis als vroeger aan de Kerk ten grondslag lag.
Maar dan begint men van stuk tot stuk — onder den schijn van de leer der kerk in wezen en hoofdzaak ongeschonden te laten — keer op keer te schikken en te plooien, te tornen en te wijzigen, om hoelangs hoemeer het belijdend karakter der kerk weg te doezelen.
Neem.b.v. de proponents formule.
Was in 1816 de verklaring, door elken proponent te onderteekenen, dat men „de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk vervat is" ter goeder trouw aannam en hartelijk geloofde, daarbij belovende „dat men dezelve waardig zou leeren en handhaven" — 1 Januari 1855 werd na veel gepraat en veel geschrijf, na veel protest en veel verweer, een nieuwe proponentsformule ingevoerd, die aldus luidde:
„Wij ondergeschrevenen, door het Provinciaal Kerkbestuur van ..... (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken) tot de openbare Evangelie bediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk toegelaten: verklaren bij deze opregtelijk, dat wij naar het grondbeginsel der Christelijke Kerk in 't algemeen en der Hervormde in het bijzonder, Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, van ganscher harte aannemen en opregtelijk gelooven; dat wij des zins en willens zijn, den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven ; dat wij mitsdien den ganschen raad Gods, inzonderheid zijne genade in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid, ernstig en van harte, naar de gaven ons geschonken, aan de Gemeente zullen verkondigen; dat wij op de bevordering van godsdienstige kennis en van christelijk geloof en leven ons met allen ijver zullen zullen toeleggen en orde en eendragt voorstaan en en aankweeken; en dat wij alzoo, onder opzien tot de hulp die van boven is, de belangen van Gods Koninkrijk en in 't bijzonder die van de Nederlandsche Hervormde Kerk zorgvuldig zullen behartigen en, naar vermogen aan de bevordering daarvan medewerken; verbindende wij ons bij deze onze handteekening tot al het voorgeschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, deswege ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde Kerkelijke vergaderingen.
Bij vergelijking ziet men aanstonds groot verschil. Want was er in de prop. formule van 1816 spraken van „de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aan genomen formulieren van eenigheid dor Ned. Herv. Kerk vervat is", om „die leer" te „leeren" en te „handhaven" — in de formule van 1854 is er sprake van „den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Ned. Herv. Kerk begrepen is."
Dat is dat langzaam afschuiven van de Dordtsche kluisters.
Niet in eens. Natuurlijk niet. Maar toch dat probeeren, om van die formulieren vrij te' komen. Vandaar die woorden „geest en hoofdzaak."
En had men dat nu maar gezegd en het ruiterlijk uitgesproken, dan had men geweten wat er gaande was. Maar ach, dat onwaarachtig geschipper! Dat onheilig gemodder. Dat wandelen met twee aangezichten en dat spreken met twee monden!
Daar stonden dus de woorden „geest en hoofdzaak."
Om zich te kunnen losmaken van die allerellendigste formulieren en Dordtsche kluisters.
O, neen ! Heelemaal niet!
Want die woorden „geest en hoofdzaak" waren zoo maar niet uit de lucht komen vallen. Die waren goed voorbereid. En neen, heusch ! men behoefde er niets van te vreezen. Want ja, het was een beetje andere formuleering, maar heusch! de leer zelve bleef ongeschonden en de belijddenis der Kerk liep geen gevaar ....
Hoort maar wat de Synode van 1841 — die heeft voor 't eerst gesproken van den geest en hoofdzaak van de belijdenis der Herv. Kerk — omtrent die woorden, die voorzichtig zijn uit gebroed, verklaarde.
We lezen, dat de Synode van 1841 sprekende over de prop. formule van 1816 zeide, „dat men niet met al de artikelen en stukken der leer in de symbolische boeken voor komende, als in alles met Gods Woord overeenkomstig, instemming behoefde te betuigen, "
Natuurlijk verklaarde de Synode van 1841 dat zeer eigenmachtig en wederrechtelijk.
Het behoorde niet tot haar bevoegdheid een zeer eigenaardige verklaring te geven in zake de leer en de belijdenis der Kerk.
Maar dat nu daar gelaten.
Een woordelijke instemming met de formulieren van eenigheid was dus niet noodig.
De opstellers hadden zich niet overal zoo precies en duidelijk uitgedrukt als wel wenschelijk was. 't Waren ook maar feilbare menschen geweest. En daarom was 't volstrekt niet zoo erg om hier. en daar in eenig opzicht met de opstellers te verschillen.
Maar en nu komt het! de Synode verklaarde uitdrukkelijk, dat, wanneer zij dus sprak van „geest en hoofdzaak" (welke woorden toen nog niet officieel waren ingevoerd, maar door de Synode van 1841 voor 't eerst gebruikt .zijn en sinds officieus zijn ingevoerd) zij geenszins zou dulden „dat de oude en vaste grondslagen der Gereformeerde Kerk bij de tegenwoordige Kerkinrichting op eenigerlei wijze zouden worden losgerukt" — daarbij onderschrijveride, wat hare commissie verklaarde:
«dat het tegenwoordig formulier, al vordert het ook geene instemming met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, zich echter niet vergenoegt met de aankleving van deze of geene waarheid daarin vervat, maar in het algemeen, de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, door den leeraar dier Kerk wil aangenomen hebben.»
Van te voren werd men dus al gerustgesteld, dat men met de woorden geest en hoofdzaak niets kwaads bedoelde ten opzichte van de formulieren van eenigheid ten opzichte van de leer der Kerk.
O, neen!
Natuurlijk was het wat moeilijk om woordelijke instemming te eischen met de geschriften van „feilbare" menschen, die dezelve hadden opgesteld. Maar overigens dan werd een hartelijke instemming met de formulieren gevraagd. En dus wat de hoofdzaak, de zin, het wezen, het eigenlijk en waarachtig bedoelen van de Formulieren van Eenigheid was dat moest ook de leer en de belijdenis der predikanten en der lidmaten zijn .
Zoo staat het formulier van 1854 in het Synodale licht van 1841.
Alles was voorbereid. En 't zou maar een andere formuleering zijn om bij dezelfde leer en bij dezelfde belijdenis te blijven!
Wilt men nog bewijs?
Welnu luistert dan een oogenblik naar Prof. Dr. J. H. Scholten, die in zijn boek „de Leer der Hervormde Kerk" (blz. 39 Deell) zegt: „ Het was de bedoeling der Synode niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaek, de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoozat het aan ieder zou vrijstaan, voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goeddacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der formulieren behoort aangemerkt te worden enz."
Kan het duidelijker verklaard worden, dat met de nieuwe formuleering de oude leer en de vroegere belijdenis der Kerk dezelfde was en moest blijven?
Geen confessielooze Kerk.
Geen vereeniging van elk wils.
Geen vrijheid voor ieders subjectieve willekeur.
Of wilt Ge een woord van den toemaligen Secretaris der Synode, den heer Derniout?
Die verklaarde in 1841 deftig en plechtig:
«Indien de Synode iets veroordeelt, dun is het de onverschilligheid omtrent geschiedkundige en godsdienstige waarheid op het gebied des christendoms; dan is hat de vermenging van allerlei leerbegrip en de gelijkschatting van ieder stelsel, als waardoor de weg gebaand wordt tot ongeloof en geheele verzaking van het Evangelie»
Geen vrees behoefde dus te wezen voor de woorden geest en hoofdzaak.
De historie, de waarheid, de leer, de belijdenis was veilig.
Niet ieder stelsel zou recht hebben. Geen subjectieve meening.
Geen.....
O, heilige onschuld!
Zóó kwamen de woorden geest en hoofdzaak in onze reglementen
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's