Stichtelijke overdenking.
Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild. Matth. 23:37.
Niet gewild.
Alles heeft een bestemden tijd en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd.
Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien.
Hierin is Gods bestel. Hij heeft elk ding zijn wet gesteld. Hieraan valt niet te tornen; dit gaat door; niet alleen in het natuurlijke leven, maar evenzeer in zake geestelijke dingen.
God heeft eiken mensch een tijd der bezoeking, een heden der genade gesteld.
Als van allen kant, in velerlei levensgebeuren hem de roepstemmen der eeuwigheid tegenklinken.
Dan is 't de welaangename tijd; het HEDEN ; en dat heden kan zoo bitter kort meer zijn.
Rondom u in den hof, waarin ook gij geplant zijt, ziet ge de boomen dagelqks schier neigen ten val en neerstorten, en „zoo de boom valt, blijft hij liggen."
In een punt des tijds wordt het wegijlend heden een onherroepelijk verleden.
Onvoorbereid wegsterven is ontzettend. Voor de poorten des doods te ontwaken uit den diepen zondeslaap zal bang zijn.
En de verantwoording voor de hooge vierschaar valt zwaar; want veel is aan ons ten koste gelegd door den Oppersten Hovenier.
Zijn nooden was zoo dringend, zoo vriendelijk Zijn vermaan; hoe menigmaal liet Hij den klopper vallen op de harte, - deur; hoe kostelijk is de losprgs voor zondaarszielen.
En als de tijd der bezoeking, ons toegemeten, onbenut voorbijging, dan is alle hope afgesneden.
De lauwheid van den natuurlijken mensch baart onrust; diep wortelt de vijandschap in zqn zondig hart. De pijlen van Gods zoekende zondaarsliefde stuiten af op 't harde pantsier van onaandoenlijkheid.
Zóo is 't thans en zóo was 't reeds in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde; toen Hij 't land doorging, goeddoende, genezende allen die kwalijk gesteld waren; zoekend verlorenen en troostend bedroefden; Zijne waarschuwende stem verheffend tegen de gerusten in Sion en de verzekerden op de bergen van Samaria.
En zeker, daar waren er, wien de harde ijskorst om 't gemoed wegsmolt onder den stralenden gloed van 'sHeilands teer erbarmen; daar waren er, wien 't beeld vanden Menschenzoon, vol van genade en waarheid, met onvergankelijke trekken in 't hart geteekend stond; die genezing kwamen zoeken onder de bladeren van dien Sionsboom, doch 't waren er weinigen en veelal niet van de rijken of edelen; 't was een enkele tollenaar, die, ten einde raad, voor Jezus zich neerwierp; 'n zondares als Maria van Magdala, die, verteederd door Zijn liefdegloed, in boetvaardigheid haar ziel had uitgestort voor den Heelmeester Israels.
Behalve dezen nog enkelen, maar de groote massa des volks bleef onbekeerd en onbekeerlijk; waren er kranken te genezen, duivelen uit te werpen, dan nog wel wilde men van Jezus hooren, maar was dit tijdelijk onheil afgewend, dan was 't genoeg en men was voldaan.
En onder dit alles door liep de vindenstijd ten einde; de dag der genade neigde ter kimme, en de nacht des oordeels naakte met wissen spoed.
De Heiland zag het, klaar als de middagzon; Hij besefte wat schrikkelijk oordeel ditverdwaasd geslacht te wachten stond. En daarom, gereed staande Zijn zegenenden arbeid onder dit volk met een bitteren dood te bezegelen, riep Hij nog in een laatste, aangrijpende vermaning de ontzetting der toekomst uit:
Jeruzalem, Jeruzalem gij hebt niet gewild!
Nog klinkt ook ons dit dringend vermaan tegen, zoo wij op zoo groote zaligheid geen acht slaan.
Bang verwijt ligt in Zijn woord vervat, dat ook ons zal treffen, zoo wij den tijd onzer bezoeking niet bekennen.
De levensdag is kort; hij vliedt weg als rook en damp; dra komt de nacht, waarin niemand werken kan; de nacht des doods, waarin de Heere niet antwoorden zal, als gij roept.
Onderzoekt uzelven nauw!
Wien veel gegeven is, van dien zal veel geëischt worden.
En ons werd veel gegeven.
Tallooze roepstemmen, in lief en leed, in blijdschap en druk; de Wet dreigt ons met haar blinkend zwaard, scherp gewet ter wrake; 't Evangelie lokt en noodigt, met vriendelijk dringen. De ontzaglijke tijden, waarin wij leven, dreunen 't ons met bazuinen tegen, dat de wereld voorbijgaat.
Ons is veel gegeven.
Zoo was 't eertijds met Jeruzalem. Van ouds de plaats, door Jehova begeerd, om aldaar Zijn naam te doen wonen.
Daar troonde tusschen cherubs in den heerlijken tempel, Israels Wachter, Die sluimert noch slaapt.
Daar hadden de profeten 't jaar des welbehagens uitgeroepen; en hoe menigmaal was Jehova daar geweest een rondas en beukelaar, een schild en hoog vertrek. Tot den hemel verheven, maar straks, door eigen zonde, tot de hel toe nedergeworpen.
Toch waren ze zoo vroom, die Farizeërs; en die Schriftgeleerden zoo godsdienstig; offers werden er gebracht, zonder getal, en de tienden, wellicht waren ze nog nimmer zoo zorgvuldig opgebracht als die laatste jaren, van munt en dille en komijn zelfs.
Maar ze wilden Jezus niet belijden als den Christus, den Zoon des levenden Gods, Die alleen woorden des eeuwigen levens had. Ze wilden niet bekennen in dezen hunnen dag, wat tot hun vrede diende.
Onder 't gewaad van schijnvroomheid verschool zich een hart, dat brandde en blaakte van vijandschap tegen den Christus Gods.
Zij doodden profeten en steenigden ge zondenen I
Hiermee wordt de gruwend-snoode ondankbaarheid van 't onbekeerde hart uitgesproken.
De aanklacht, tegen 't onbekeerde hart uitgesproken door profeten en gezondenen, moest verstommen; dat was al te hinderlijk.
En laat ons hiervan verzekerd zijn, als Gods licht gloort over den akker onzer ziel, dan beginnen wij ons deelgenoot te voelen aan het gruwzaam ondankbaar bedrijf der Joden, die Gods gezanten steenigden, en den hoogsten Gezondene des Vaders aan 't kruis hebben genageld.
Zoo was Jeruzalems houding tegen de Waarheid Gods, tegen de gezanten des Heeren, bovenal tegen 's Vaders eigen Zoon, vol van genade en waarheid.
Vol van genade! Want menigmaal heeft Hij Jeruzalems afkeerige kinderen bijeen willen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder hare vleugelen.
Hoe duidelijk teekent zich de zoekende liefde des Heilands af in dit beeld der moederken, die klokkend en roepend haar kiekens lokt onder het dons harer veilige vleugelen tegen duizend gevaren.
Hebt gij, lezer, zulk innig tafreel wel eens bespied, en roerde 't toen niet beschamend door uwe ziel, dat zóo teeder-dringend de Heiland roept onder de dekkende vleugelen Zijner Middelaarstrouw ?
Om tweeërlei oorzaak lokt een klokken haar kiekens onder de vleugelen.
Als gevaar dreigt, b.v. een roofvogel de toeleg heeft de kiekens te grijpen; dan heeft haar scherpziend moederoog 't onheil gespeurd eer de kiekens er op bedacht zijn; deze zouden in hun onervarenheid 't gevaar eerst hebben bemerkt, als 't te laat was; maar op 't angstig klokken der moederhen vluchten zij ijlings ouder haar vleugelen, die hen nu dekken tegen 't loerend roofgedierte, terwijl de moederken zichzelf nu blootgeeft aan den vijand van haar jongen.
Maar behalve bij dreigend gevaar, spreiden de vleugels der moederken zich ook gedurig uit om haar kiekens rust te bereiden; en daar onder die donzig-warme, veilig-koesterende moedervleugelen smaken de jongen een heilzame rust.
Veiligheid en rust, bescherming en onderhouding, dat bereidt nu de Heere Christus voor elken zondaar, die tot Hem vlucht.
Dat zijn die heerlijke schatten, die geen oog heeft gezien en geen oor gehoord, die Christus bereidt voor allen, die Hem in onverderfelijkheid liefhebben.
O Jeruzalem, waarom u niet bekeerd?
Behoeven uwe kinderen dan niet beveiligd te worden tegen 't eeuwig ziels verderf ?
Rust bij de onrust der tijden; waar vindt ge 't dan bij Hem, die in Jeruzalems tempel heeft geroepen tot alle dorstigen, dat zij nemen zouden van het levende water om niet?
O Jeruzalem, die trouwe Heiland heeft Zijn veilige vleugelen naar u uitgebreid en u willen dekken tegen bang gevaar; ruste bereid voor 't ontrust gemoed uwer kinderen, maar o diepte van ontzetting, gij hebt niet gewild.
Lezer, zie nauw toe, of gij niet zijt als dat verdwaasde Jeruzalem van Jezus' dagen.
Hij, die tot haar sprak van Zijne groote Middelaarsliefde, Hij is gisteren en heden Dezelfde; nog lokken die vleugelen, nog nooden die armen.
Hij weet wat wij behoeven; als wij er nog blind voor zijn, heeft Zijn trouwe Herdersoog alreede 't gevaar bespeurd, dat onze ziel besluipt ; en Hij roept 't ons toe: vliedt, vliedt om uws levens wil voor den toorn en 't verderf, dat ophanden is, vliedt onder Mijn veilige vleugels.
Ook Jeruzalem had zulk een toevlucht noodig, maar zij heeft het niet bekend en niet gewild, en dat verteert haar nu in eeuwige wroeging; o laat dit van ons niet gezegd moeten worden: gij hebt niet gewild.
Veiligheid en rust, een schuilplaats en vrede, dat behoeft ons aller hart, want wij zijn zwak en onze vijanden machtig en Christus wil met Zijn Middelaarslichaam ons dekken, om de slagen op te vangen, voor ons bestemd, door ons verdiend. Ons, als Jeruzalem eens, wil Hij bijeen vergaderen; blijven wij Hem versmaden, eenmaal zullen we 't ervaren, dat 't bitter is tegen God te strijden.
Maar gij hebt niet gewild! Met dat woord zal de eeuwige Rechter eens 't laatste wapen van verweer Zijn vijanden uit de handen slaan.
Onwil wordt ons hier getoond als 't grootste struikelblok op den weg ten leven! Onwil, om uit genade behouden te worden van den toekomenden toorn.
Maar kan mijn onwil dan Gods willen wederstaan ?
O, misleid uzelf nu niet; ik wil niet, dat moet mij 't allerdiepst beschaamd doen staan; dat slaat mij elk wapen uit de hand, snijdt elk woord van tegen weer af; ik wil niet, en als God 't niet verhoedt, wil ik nooit.
Zóo gaat 't goed; laat dit u nu in verbrijzeling neerwerpen voor Gods genadetroon met de tollenaarsbede: o God, wees mij onwillige genadig; Heere, verander toch mijn hart, breek mijn stug gemoed, verteeder mij door Uw stralend ontfermen; overreed mij, dan zal ik overreed worden.
Dan pantseren wij ons niet met allerlei bespiegeling; dan dringt Gods ernstig roepen door tot in 't binnenste onzer ziele, dan worden wij zondaar voor God en straks spreiden zich over dien verslagen zondaar de moederteêre vleugelen van Gods eeuwig erbarmen.
Zóo gaat uit dit ernstig woord ook nog een glans van vertroosting schijnen over bekommerde en treurende zielen.
Christus Jezus wil wederhoorigen bijeenvergaderen.
Dat heeft Hij u gedaan, gij die des Heeren zijt. Toen gij, blind voor 't gevaar, argeloos speeldet onder 't loerend oog van grijpende ziele-roovers, toen heeft u Zijn manend roepen door Geesteswerking opmerkzaam gemaakt op dreigend gevaar; en toen ge vluchten wildet en nergens uitweg zaagt, toen spreidden zich over u de vleugelen Zijner genade, en geen kwaad kon u meer genaken.
Moet dit uwe koele ziele niet tot wederliefde ontvonken?
O zie en aanschouw, en leg uw hand in Zijn doorboorde zijde; die wonden werden Hem geslagen, toen Hij u dekte; waarom toch klopt uw borst zoo weinig van verlangen ?
Duur zijt ge gekocht; voel uzelf toch klein bij zoo groote ontferming aan zulke onwaardigen!
En sta niet aarzelend van verre, maar vlucht tot de schuilplaats, door Hem u bereid.
Soms zucht en klaagt ge, zoo weinig vruchten der dankbaarheid als ge in uzelf bespeurt; o weet dan, zoo wil uw God gedankt en verheerlijkt worden door u, dat ge eiken avond en morgen met al uw zonden en wonden tot Hem komt en smeekt: uit zes benauwdheden hebt Ge mij gered, o Heere mijn God, in de zevende laat Ge mij toch niet omkomen. Dat zijn Hem heilige en welaangename offeranden.
Zoo toont ge, dat 't zoet en zalig is bij uw God weg te schuilen, als 't leed u genaakt.
Zoo toont ge, dat gij Hem op Zijn woord gelooft, als Hij u betuigt: al waren uwe
zonden als scharlaken. Ik maak ze wit als de wol.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart, Stort voor Hem uit uw gansche hart;
God is een toevlucht t' allen tijde!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's