Stichtelijke overdenking.
Overgegeven door den bepaalden raad en voorkennisse Gods.
En beraadslaagden tezamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. Doch zij zeiden: niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. Mattheus 26 : 4, 5.
Overgegeven door den bepaalden raad en voorkennisse Gods.
Bij het overdenken van het lijden des Heeren Jezus mag het onze opmerkzaamheid niet ontgaan, dat alles, wat Hem op Zijn smartenweg overkwam, geschiedde naar Gods bepaalden raad.
Het kan soms den schijn hebben, dat de macht der duisternis óf menschelijke willekeur hier regeert, maar 't is dan ook niet meer dan schijn.
Immers nooit hebben de vijanden — naar het eigen woord van Jezus — meer kunnen doen, dan waartoe zij van boven macht hadden ontvangen.
Ook hier geldt: „Geen ding geschiedt er ooit gewisser Dan 't hoog bevel van 's Heeren mond." Dat bemerkt ge wel uit de beraadslaging, die de Joodsche raad hield.
Het tekstwoord hierboven geschreven, gunt ons daarin een blik.
't Is nu zoo ver, dat de Joodsche vierschaar bijeen is, om plannen te beramen voor Jezus' dood.
Ja, daar zijn ze dan nu aan toe, de overpriesters en schriftgeleerden en de ouderlingen des volks.
En daar moest het wel toe komen. O ja, als Jezus een weg had geplaveid, waarop de eigengerechtige mensch kon wandelen naar de lust van zijn bedorven hart, wat zou Hij een bijval hebben gehad! Maar nu Jezus leert, dat de mensch zijn leven moet verliezen om het alzoo te vinden in Hem, nu keert schier alles, wat voornaam en godsdienstig is in eigen oog, zich van Hem af en daar groeit de haat en de vijandschap tegen dien Jezus zóo sterk, dat ze zeggen: Weg met HemI Hij is niet waard, dat Hij leeft."
En merk er nu eens op — zoo spreken nu niet de goddelooze, wereldsche mensch en, zoo spreken nu niet die menschen, die opgaan in de ijdelheid en in de dwaasheid — maar zoo spreken menschen, die alleszins godsdienstig waren, menschen die prat gingen op hun vroomheid, menschen, die hoog zich verheven achtten boven de schare, die de wet niet kende.
Evenwel — wat wij hier zien gebeuren — bet is een oud en een nieuw verschijnsel. De eigengerechtige vrome is het felst in zijn vijandschap tegen God en Zijn Christus.
Ziet, daar zijn dan de overpriesters en schriftgeleerden bijeen en daar zitten ze met elkaar te beraadslagen, hoe ze toch het best dien Jezus onschadelijk zouden kunnen maken. 't Is niet voor het eerst, dat zulk een goddeloos plan hun gedachten vervult.
Nietwaar, meer dan eens hadden zij getracht Jezus te dooden. In Jeruzalem zelf hebben ze Hem wel dood willen steenigen - maar Jezus was het telkens ontweken, omdat Zijn ure nog niet was gekomen.
Daarom waren alle pogingen om Hem uit den weg te ruimen tot dusver mislukt. En zelf hadden de Oversten des volks 't wel gevoeld, neen zóo ging het toch niet — ze moeten een schijn van récht hebben om zich te kunnen verantwoorden.
En vandaar, dat zij nu vergaderd zijn om zulk een schijnreden te zoeken.
De Hoogepriester heeft 't reeds gezegd — en onbewust sprak Hij daarmee een heerlijke waarheid uit — „het is nut, dat éen mensch sterve en niet het geheele volk verloren ga."
Jezus moet voorgesteld worden als iemand, die het volk oproerig maakt tegen het wettig gezag. Hij moet openbaar worden gemaakt als iemand, die gevaarlijk is voor den staat.
En daar zitten ze nu over te peinzen, hoe ze toch wel het best dit zullen aanleggen. De éen brengt dit naar voren, een tweede weer wat anders, allerlei voorstellen worden gedaan in die hoogeerwaarde vergadering der Joden, maar — waar zij ook over verschillen mogen — hierover zijn allen het ten slotte roerend eens: die Jezus van Nazareth moet uitgeroeid worden uit het land der levenden.
Intusschen, voor éën ding moeten zij zich wel in acht nemen. De gevangenneming en veroordeeling van Jezus moet in geen geval op het Paaschfeest geschieden. Dan was er immers altijd zooveel volks bijeen in de hoofdstad en, nietwaar, de aanhang van Jezus zou het licht naar een oproer kunnen heensturen. Daarom gewisselijk Hem dooden — maar in geen geval op het Paaschfeest.
Zoo spreken daar die Oversten des volks het met elkander af. Zoo bepalen zij het. Maar God heeft het anders bepaald.
Hij, wiens hand over alles gaat, ja die alles richt naar Zijn goddelijken wil, Hij heeft het anders besloten.
De vierschaar der Joden zegt: „Niet in het feest."
Maar d'altoos wijze raad des Heeren Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht. Niets kan Zijn hoog besluit ooit keeren, 't Blijft van geslachte tot geslacht.
Dat zien wij ook hier zeer klaar. Niet de menschen of booze machten leiden het proces, dat straks tegen Jezus zal worden gevoerd, neen Hij leidt het zelf. Alles, letterlijk alles moest den Raad des Heeren dienen.
Ook deze beraadslaging der Joden moest onder Gods voorzienig bestel meewerken om op den bepaalden tijd en op de vastgestelde wijze het eenig ware Paaschlam ter slachting te leiden.
De Joden hebben daar natuurlijk niets van verstaan. Neen, zij begrepen het niet, die vijanden van Jezus, dat zij bezig waren den weg te banen, waardoor zondaren worden gezaligd.
Maar, al hielpen zij onbewust trouw mee om Gods Raad te verwerkelijken, dit neemt niet weg, dat zij diep schuldig staan door zich te vergrijpen aan den Gezalfde des Heeren.
De ergernis moest wel komen, maar wee degenen, door wie zij komt. Ja, zij waren wel diep gezonken deze Oversten van Israel.
Jezus, die nooit anders gedaan had dan goed, in wiens mond nimmer bedrog werd gevonden. Hij wordt door hen beschouwd als een bedrieger, als een verleider des volks. Ze houden Jezus voor een valschen Messias. Vreeselijk, nietwaar? Ja vreeselijk, en toch, hoe vreeselijk wij deze handelwijze van dien Joodschen Raad ook vinden, wij zijn van nature niet beter dan zij.
Ik weet het wel, dat zien wij niet dadelijk in, dat stemmen wij zoo onmiddellijk maar niet toe — o neen, wij achten ons beter en vromer dan die oversten des volks en die schriftgeleerden, wij denken allicht bij onszelf, dat wij het er anders en beter af zouden gebracht hebben — maar als wij blikken in ons eigen hart, als wij kennis leeren maken met onszelf, dan zien wij het met vreeze en beven, dat wij het zijn, die door onze zonden Jezus hebben veroordeeld tot den dood aan het kruis.
Het is geen bewijs van grondige zelfkennis, als wij denken vromer te zijn dan die Joden, die Jezus zochten te dooden met list en bedrog.
Neen, dan zijn wij niet goed op de hoogte met ons eigen boos en verdorven hart en dan is ons oog gesloten voor het oordeel Gods, dat daar gaat over alle zonde in dat lijden en sterven van Jezus.
Laat ons toch nooit vergeten, dat de Heiland om onze overtredingen verwond is en om onze ongerechtigheden is verbrijzeld.
Als wij dat recht verstaan, dan maken wij ons niet boos op die Farizeën en Schriftgeleerden — maar dan leeren we onszelf aanklagen bij God vanwege onze zonde. Dan komen we op de plaats, waar God ons hebben wil, dat is diep in het stof aan Zijn genadetroon.
Immers, dan herkennen wij in de vijandschap der Joden onze eigen vijandschap, ons eigen afgekeerd-zijn van God, ons eigen boos bestaan. En dan is er geen ingenomenheid meer met zichzelf, met eigen vroomheid, voortrefifelijkheid en deugd — maar dan schaamt men zich rood voor God vanwege zijn gruwelijke ongerechtigheden.
Dan wordt het met den apostel Paulus: „De voornaamste der zondaren, dat ben ik."
En daar moet het met ons komen, zal het goed zijn.
In de namen van hen, die Jezus ter dood hebben veroordeeld, moeten wij onzen eigen naam lezen.
De zonde van degenen, die Jezus aan het kruis hebben gebracht, moet door ons gezien worden als onze zonde. Zóo zal de overdenking van het lijden en sterven des Heeren strekken tot zelfmishagen en zelfveroordeeling.
En dan geeft het ons werkelijk vrucht. Dan zal het zondebesef, waardoor wij worden verteerd, ons brengen aan de voeten des Heeren met de bede: „O God, wees mij zon daar genadig!"
Alleen in dien weg wordt de lijdende Verlosser ons dierbaar en onmisbaar.
Zien wij dan wel toe voor onszelf. Want, wij kunnen ons bezighouden met de geschiedenis van Jezus' lijden, we kunnen onder de schildering van Zijn namelooze smarten geroerd worden tot tranen toe - en er in den grond niets van verstaan.
En wij verstaan er niets van en wij keeren ons van Jezus af in de vijandschap van ons hart, als wij geen zondaar worden voor God.
Het eerste, wat noodig is, is voor God schuldig te worden, omdat wij schuldig zijn.
Ook hier geldt het: „Alleenlijk ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uw God hebt overtreden."
Zoolang dit door ons niet werd doorleefd, kan de Heere Jezus ons niet begeerlijk zign. Hij is geen Verlosser van degenen, die niet verloren zich weten.
Hoezeer we Hem roemen met den mond, we keeren ons af van den levenden Christus, als wij niet met smart en schaamte, in waarheid en in oprechtheid voor des Heeren aan gezicht beleden, dat wij door onze zonde den Heiland aan het kruis hebben gebracht. Kennis der zonde is onmisbaar om de genade Gods in Jezus Christus te kunnen verstaan. En als wij geen zondaar willen zijn voor God, dan zijn wij, evenals het Sanhedrin, altijd aan het overleggen, wat toch de beste weg is om ons van dien Jezus te ontslaan. We kunnen dit zelfs doen in de gedachte heel vroom te zijn, gelijk de Joden meenden heel vroom te zijn, toen zij beraadslaagden met elkaar om Jezus onschadelijk te maken.
Want, vergeten we het niet, als ze daar saam aan het overleggen zijn, wat toch de beste weg is om van dien Jezus af te komen, dan zijn zij van gedachte, dat zij een Gode welbehagelijk weik verrichten en dat er geen beter handhavers waren van Gods wil en wet dan juist zij.
Het was een geslacht rein in eigen oog, maar niet gewasschen van hun onreinheid. Zoo kan het ook wel eens zijn met vele belijders uit onze dagen. Daar zijn menschen, die heel vroom en rechtvaardig zijn in eigen oog — maar die nooit hun zonde en goddeloosheid zagen bij het licht van Gods heilige wet.
Daar staat zoo waarschuwend in Gods Woord, dat er zullen zijn, die in den dag der dagen zullen uitroepen: „Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en groote krachten gedaan, " en tot wie toch zal worden gezegd: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, Ik heb u nooit gekend."
Een iegelijk onderzoeke zich dan maar nauw, ja zeer nauw. Dat is noodzakelijk, want de mensch is zulk een zelf-bedriegen Wij dragen allen in ons om een hart, dat arglistig is, meer dan eenig ding, ja doodelijk, wie zal het kennen?
Gelukkig hij, die er hier aan ontdekt werd. Gelukkig hij, die ook in dat boos gedrag van het Sanhedrin zijn eigen beeld zag en daarmede in waarheid verbroken en verslagen werd.
Op dezen zal Ik zien, zegt de Heere, op den verbrokene van hart en den verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.
Wie zichzelf mishagen, zich voor Godverootmoedigen en veroordeelen, die worden niet veroordeeld door Hem.
Immers voor dezulken is Christus onschuldig ter dood veroordeeld, opdat zij voor het gericht van God zouden vrijgesproken worden.
Grijpt dan moed, gij verslagen harten, en al is het ook, dat uw geweten u aanklaagt, dat gij tegen alle geboden Gods gezondigd hebt en geen derzelve hebt gehouden, ja al is het ook, dat gij moet uitroepen:
't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf, Neen, ik ben in ongerechtigheid geboren.
Nochtans moogt gij zien op dien sterken Held bij wien raad en uitkomst en hulp is beschoren.
O ziet het Lam Gods, dat ook uw zonde draagt en wegneemt.
Dat Lam brengt bevrijding van zonde en verlossing van den eeuwigen dood. Het bloed van dat Lam doet den engel des verderfs voorbijgaan. Dat Lam is het ware Pascha, daarom wordt het geslacht op het feest, ook al besloot het Sanhedrin, niet in het feest.
Gods Raad gaat door. En al het volk, dat daarvan de zalige troost voor zichzelf mag kennen, zegt het den apostel dankend na:
„Ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's