De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk?

11 minuten leestijd

Is de Ned. Herv. Kerk de Geref. Kerk ?

XII.

3. Hoe is de tegenwoordige toestand?

(7de Vervolg.)

Wat ons opviel toen we de verschillende proponents-beloften de revue lieten passeeren, moet ons ook treffen als we nagaan hoe het met de z.g.n. belijdenisvragen is gegaan.

Ook daar het niet-los-kunnen-komen van de positieve, christelijke, belijdenis — bij veel wringen en dwingen om toch geheel vrij te komen van kerkelijke en dogmatische banden, voorschriften of bepalingen.

Neen, natuurlijk! onze Hervormde Kerk is geen belijdenis-looze Kerk.

Onze Herv. Kerk heeft een positief-christelijke, een protestantsch-Gereformeerde belijdenis.

En onze Herv. Kerk kan niet zeggen tot menschen, die als lidmaten der Kerk aan haar verbonden willen worden en alzoo willen optreden, dat het er niet op aan komt, wat men gelooft en wat men belijdt.

Dat kan zij niet — zonder zich zelf een graf te graven; zonder zich zelf op te heflfen; zonder zich zelf van 't leven te berooven. En dat heeft zij dan ook nooit gedaan. Zij heeft altijd gezegd: de Herv. Kerk heeft een belijdenis en die zich in het openbaar aan haar verbinden wil, om als lidmaat der Kerk in te treden in rechten en plichten, moet met haar belijdenis instemming betuigen.

Instemming — met hart en mond. Instemming — eerlijk en vrij.

Instemming — al is 't niet woordelijk, dan toch wat den geest en de hoofdzaak van hare belijdenisschriften betreft.

Zoowel predikanten als lidmaten moeten dat doen.

Predikanten om alzoo te onderwijzen en te vragen — a.s. lidmaten om alzoo onderwezen te worden en alzoo te antwoorden.

Samen eerlijk en vrij wandelend in den kerkelijken weg, verband houdend met een  bepaalde Kerk, innig verbonden met de Herv. Kerk.

Maar ach, arme! wat een tobberij ook hier. Wat een pogen om onder een schijn van te bewaren, met kracht te vernielen; om onder belofte van 't zelfde te gelooven en te belijden, met geweld iets gantch anders voor te staan en te propageeren!

De z.g.n. belijdenis-vragen in het jaar 1816 door de Synode voorgeschreven hebben we reeds terloops genoemd.

Nadat voor de predikanten en voor de godsdienstonderwijzers (art. 28 en 29 Regl. op het Examen en art. 22 Regl. op het Godsdientig Onderwijs) in 1816 bepaald was, dat zij moesten onderwijzen „de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Ned. Herv. Kerk is vervat" — schreef art. 43 van het Regl. o.h. Godsdienstig Onderwijs in 1816 voor:

»De bevestiging van Ledematen zal van nu aan overal in het openbaar geschieden en dezelve zal daarin bestaan, dat de Predikanten of één der Predikanten, in tegenwoordigheid der gemeente, van den predikstoel de navolgende vragen aan de aangenomenen voorstelle:

1e. of zij van harte gelooven de leer, die zij hebben beleden;

2e. of zij ook voorgenomen hebben bij deze leer, door Gods genade, te blijven, de zonden te verzaken en een christelijk leven te leiden;

3e. of zij zich onderwerpen aan het Kerkelijk opzigt en in geval zij zich mogten misgaan, aan de Kerkelijke tucht? Waarop de bevestiging zelve plegtiglijk en met gepaste aanspraken geschiedt.

De bedoeling is duidelijk.

In de Herv. Kerk moest de Herv. leer onderwezen worden. En bij het doen van openbare belijdenis moest het uitkomen, of men zich hartelijk en oprecht met die leer, die naar voorschrift onderwezen was, kon vereenigen, om te beloven, door Gods genade, aan die belijdenis trouw te zullen blijven.

Kon men zich er later in 't geheel niet meer mee vereenigen, dan had men zich, — nadat alles tevergeefs beproefd was, om hoofd en hart weer vrede te geven met de Kerkelijke belijdenis — van de Kerk loste maken en of zich bij een andere Kerkelijke gemeenschap te voegen, óf zonder Kerkgenootschap voort te leven.

Om in deze goede orde te houden waren ook vragen voorgeschreven, die bij elke Avondmaalsviering aan de belijdende lidmaten moesten worden voorgelegd ter beantwoording. Men voelde, dat men in den zelfden weg moest blijven, waarvan telkens belijdenis moest worden gedaan met hart en mond in het midden der gemeente.

Die 4 Avondmaalsvragen waren:

1e. of gij van harte gelooft, dat de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Gods wege geopenbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?

2e. of gij van harte gelooft, dat gij door uwe zonden diep bedorven en voor God strafwaardig zijt en u zelven deswege mishaagt met ootmoed en berouw?

3e. of gij van harte gelooft, dat God, uit loutere genade, ons Zijnen eeniggeboren Zoon, Jezus Christus, heeft geschonken tot onzen eenigen en volkomenen Zaligmaker, Wiens lichaam voor ons verbroken en Wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving der zonden; en of gij Hem, voor u zelven, met een geloovig harte aanneemt tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?

4e. of gij overeenkomstig de verpligting, die door uwen Doop op u gelegd is, een opregt voornemen hebt, om, door de kracht des Heiligen Geestes, bij deze belijdenis te volharden, uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid met uwen naaste te leven, en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid voor Zijne genade te bewijzen".

Na 1816 moest dus op den kansel, in de catechisatiekamer, bij de openbare beliijdenis, bij de sacramentsbediening enz. duidelijk en telkens bij vernieuwing uitkomen, dat de Herv. Kerk een belijdende Kerk was, hebbende een eigene leer, waarvan als middelpunt genoemd werd: de verzoenende kracht van des Middelaars bloed, op Golgotha uitgestort tot voldoening aan het recht Gods en losprijs voor een arm zondaarsvolk, dat in Christus zijn Zaligmaker mag kennen!

Alles werd maar niet losgelaten.

Niemand was vrij om maar te leeren en te belijden wat hij wilde.

Proponentsformule, godsdienstonderwijzersverklaring, belijdenis-en Avondmaalsvragen bewijzen het, dat het in de Herv. Kerk in 1816 en daarna steeds ging om de positief christelijke, protestantsch-gereformeerde belijdenis der Hervormde Kerk van dezen lande.

De Hervormde Kerk was te kennen aan haar leer.

Ook de lidmaten moesten dat weten en ook aan die leer te kennen zijn.

Daarom ook die Avondmaalsvragen, om dat te bevorderen.

Wilt ge daartoe bewijs? Gij weet, dat de Synodale heeren altijd den schijn aannemen van de leer der Herv. Kerk voor te staan en te willen handhaven.

En wee! als er waren die daaraan durfden twijfelen en den Synodalen heeren verwijt durfden doen, dat deze de leer der Kerk niet bevorderden en niet handhaafden, maar met de daad schade deden en medehielpen om die leer wég te krijgen — din waren de Synodale heeren altijd geweldig beleedigd en schrikkelijk boos! Wat! zij, de echte, onvervalschte synodalen van 1816, zij de leer der Kerk tegenwerken ? Zouden zij haar schade willen berokkenen en zou het hun toeleg zijn haar te ondermynen en weg te krijgen?

O, neen! Die leer der Kerk was er; die leer der Kerk bleef er; die leer der Kerk zouden zij handhaven als 't dierbaarste pand hun toebetrouwd!

En in dat verband werden dan ook altijd de Avondmaalsvragen genoemd.

Hoort maar wat Ds. Dermout in het jaar 1841 — ons nu welbekend — daaromtrent zegt:

«Ten einde den kenmerkenden geest der in de Nederlandsche Herv. Kerk aangenomen belijdenis duurzaam ie bewaren, verordende de Synode, dat telkens vóór of bij de bediening des H. Avondmaals, aan de leden der Gemeente statig en nadrukkelijk ter beantwoording zouden worden voorgehouden, vragen, waarin, voor zoover de aard der plechtigheid dit medebrengt, het wezen en de kern dier belijdenis is uitgedrukt, en wilde daardoor, in eerbiediging van het Goddelijk gezag der H. Schrift, een ootmoedig, vertroostend en reinigend geloof in den eenigen Zaligmaker van zondaren steeds helpen bevorderen.»

Mede om het wezen, de kern van de in de Ned. Herv. aangenomen belijdenis duur zaam te bewaren werden die vragen dus keer op keer gesteld.

't Welk Prof. Muurling in 1853 in de Synode aldus aangaf:

„Heeft de Synode dien eersten en heiligen pligt, om deze leer te handhaven, geschonden, gelijk men haar verwijt?

Integendeel, zij heeft hem ten allen tijde ijverig en trouw zoeken te vervullen.

Zij heeft dit gedaan daardoor vooral, dat zij, onder veel bijval der Kerken, den hoofdinhoud der belijdenisschriften in de vragen bij de Avondmaalsviering aan de gemeente ter gedurige herinnering en beantwoording gaf."

Deze woorden en verklaringen van bekende vrijzinnige figuren in onze Herv. Kerk laten aan duidelijkheid niets te wenschen over.

Zij wisten heel goed wat de historische grondslag van onze Herv. Kerk was — en zij erkenden, dat het oneerlijk en onverantwoordelijk zou wezen om mee te werken aan de verwerping van de belijdenis der Kerk en aan de ondermijning van de fundamenteele waarheden, zooals die in de aange nomen belijdenisschriften als het wettig eigen dom en dierbaar pand der Kerk daar lagen.

Neen, dat mocht niet geschieden. Dat wilden zij ook niet.

Daar wilden zij in de verste verte niet van beschuldigd worden.

En de proponentsformule, de Godsdienstonderwijzersverklaring, het reglement op de visitatie, de belijdenisvragen en de vragen bij de Avondmaalsviering werden steeds aangeroerd als de meest sprekende bewijzen van deze zaak: dat de Ned. Herv. Kerk een belijdenis had, een belijdenis neergelegd in haar formulieren van eenigheid, waarbij nu alles zóo was ingericht, dat haar leer duurzaam zou worden bewaard in het midden van de gemeente.

( Wordt vervolgd.)

Goed onderscheiden!

Bij de schrapping van de woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak" in art. 39 Regl. Goded-onderwijs gaat het wief allereerst om de 2de belijdenisvraag; óok niet om de 3de vraag; maar om de 1ste.

Men wil niet langer toelaten, dat men daarvan maakt wat men wil.

En daarom wil men nu vooral die 1ste vraag verplichtend stellen voor allen.

Men wil niet verplichtend stellen, dat ieder die belijdenis doet een verklaring geeft van de 37 geloofsartikelen; of al de 52 Zondagsafdeelingen van den Heidelb. Catechismus opzegt; of de 5 leerregels van Dordt tegen de Remonstranten onderschrijft.

Niets daarvan staat in art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs.

En we laten ook niet toe, dat de moderne volksleiders dat de menschen maar wijs maken!

Neen — waar het om gaat is: dat voortaan ieder die belijdenis des geloofs aflegt in de Ned. Herv. Kerk, zal moeten uitspreken déze woorden: „ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere en in den H. Geest."

Dit wil men voortaan eischen van de fiieuwe lidmaten in de ure der bevestiging.

En ziet — tegen die eenvoudige, duidelijke, echt-christelijke en zuiver-Hervormde belijdenis hebben de modernen nu zulke ernstige bezwaren, dat zij heel het land in rep en roer brengen, om te verhinderen dat het alzoo in onze Herv. Kerk definitief zal worden vastgesteld en voorgeschreven.

Maar, we zouden zoo zeggen, die nu onmogelijk een dergelijke belijdenis kan onderschrijven, die hoort immers niet in de Herv. Kerk thuis.

En die heeft er nooit thuis behoord. Want die zelfde sobere belijdenis is in wezen en hoofdzaak altijd en overal gevraagd.

Laat men de Herv. Kerk toch niet verhinderen, dat zij naar haar aard en wezen haar belijdenis aangaande God drieëenig en aangaande den Zaligmaker Jezus Christus eenvoudig omschrijft en aan haar leden voorlegt.

En laten allen, die het onmogelijk met die belijdenis houden kunnen, zich voegen bg het gezelschap, waar men thuis hoort.

Dat is voor de Kerk het beste en dat is voor degenen die het niet met haar Christusbelijdenis eens is oók het beste.

Voor een Vereeniging van het „vrije Christendom" is wel een plaatsje te vinden in Nederland.

Is het ook vrede?

Is het ook vrede? Met deze vraag trad eenmaal de ontaarde zoon van den goddeloozen Achab zijn krijgsoverste Jehu tegemoet, die als knecht des Heeren, met het wraakzwaard in handen, het vorstelijk Jizreël naderde. Maar verwijtend klonk het heftig antwoord uit Jehu's mond:

„Wat vrede, zoolang de goddeloosheid van uwe moeder Izebel voortduurt!"

't Kon geen vrede zijn. 't Zou geen vrede zijn.

En de oorzaak werd aangewezen.

Is het ook vrede? Met deze vraag gaat menigeen in onze Herv. Kerk ginds-en derwaarts.

En velen beloven vrede. Maar des Heeren Woord is duidelijk en spreekt helder en klaar in deze, zeggende:

„Wat vrede, zoolang de Kerk op twee gedachten hinkt en de gruwelijkste leeringen duldt! Verwarring en teleurstelling zal uw deel zijn."

Is het ook vrede ? Maar de Heiland antwoordt: Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u haastelijk bijkomen en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert." Openb. 2:4, 5.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1915

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's