Uit het kerkelijk leven.
VERSLAG
Uitstellen?
De Ring Den Bosch heeft zich tot de Synode (Synodale Commissie) gewend met het verzoek de belijdenis-kwestie (schrapping van de woorden „althans wat den geest en de hoofdzaak betreft", art. 39 Regl. op het Godsd. onderwijs) om den nood der tijden thans niet in de classicale vergaderingen te brengen.
Tegelijk is aan de 138 Ringen in de Herv. Kerk verzocht zich op dergelijke wijze tot de Syn. Commissie te richten.
Het schrijven van den Ring Den Bosch, gedateerd 2 Maart 1915, luidt aldus:
"Hoogeerwaarde Heeren, — Gedrongen door liefde tot de Ned. Herv. Kerk en in het besef der hooge belangen in deze diep ernstige tijden aan haar toevertrouwd, wendt zich de Ring 's-Hertogenbosch tot u met het dringend verzoek: Wilt al de door de Reglementen u toegekende macht en geheel uw invloed aanwenden, opdat onder deze tijdsomstandigheden de voorgestelde wijziging van art. 39 v./h. Regl. op het Godsdienstonderwijs op de a.s. Classicale vergaderingen niet in behandeling worde genomen.
«Hoewel de Synode van het vorige jaar, gelijk uit de door haar gegeven toelichting blijkt, met het voorstellen dezer wetswijziging slechts bedoelde een maatregel van betere orde in onze Kerk te ontwerpen, is het thans een onwedersprekelijk feit, dat deze wetswijziging is gegroeid tot een onderwerp van zeer feilen strijd. En waar wij als ambtsdragers juist in deze dagen gevoelen: de beschikking over al de ons geschonken krachten zoo hoog noodig te hebben, opdat wij bij prediking, catechisatie en huisbezoek voor zoo menig bekommerd gemoed en zoo menig hart vol twijfel, het licht van Christus' Evangelie ook over de verschrikkingen van dezen tijd zullen mogen en kunnen doen stralen, daar stelden wij ons zei ven en stellen ook u de vraag: is het thans de tijd om een nieuw twistpunt aan te roeren, om nog meerder verwarring te brengen in veler, reeds zoo sterk geschokt gemoed? En wij mogen toch niet onze gemeenteleden onkundig laten van hetgeen blijkt te worden: een diep ingrijpende beslissing in het leven van onze Kerk. Over enkele maanden zullen de Classicale Vergaderingen te zamen komen. Waar thans reeds de meeningfn steeds scherper tegenover elkander worden gesteld, daar zal zekerlijk menige Classicale Vergadering de kampplaats moeten worden, waar met bittere felheid over deze zaak wordt gestreden. Zal onze Kerk, als zij in deze tijden zóo handelt, niet tot een aanfluiting worden? En zullen niet, zoowel degenen, die buiten haar staan, als vele harer leden zelven, haar gaan vergelijken met het zout dat smakeloos geworden is?
Wilt dan, leden der Synodale Commissie, u afvragen of de belangen van den openbaren godsdienst, opgedragen aan de Synode, in wier naam gij deze thans te behartigen hebt, niet uw tusschenkomst, waartoe wij bij deze het voorstel doen, wettigen. Wellicht zult gij langs reglementairen weg aan ons verzoek kunnen voldoen, maar ook al ware zulks niet het geval, dan zult gij in deze zoo bijzondere tijden wel middelen kunnen vinden om tot bijzondere maatregelen over te gaan.
Schenke God u wijsheid, opdat mede door uw invloed onze Ned. Herv. Kerk haar plaats in ons volksleven in deze kommervolle tijden waardig inneme!«
Nu moet men niet lachen, — daar is de zaak te ernstig voor. Maar als men zoo leest van „de Ring den Bosch" dan denkt men onwillekeurig al héél wat. En de Ring den Bosch bestaat uit..., drie gemeenten. En éen van die 3 gemeenten telt 71 Hervormden, terwijl een andere gemeente er nog net 3 tekort komt om de honderd vol te maken. Er blijft dan over 's Hertogenbosch met 2000 leden der Herv. Kerk.
Nu — die Ring den Bosch, zijnde 4 (misschien 5) dominé's, heeft dan nu dat verzoek aan de Synode gericht, pleitende voor het bewaren van den vrede in onze Herv, Kerk, opdat des te meer het licht van Christus' Evangelie mag uitstralen in déze kommervolle tijden.
Waarbij zij vragen: is het thans de tijd om een nieuw twistpunt aan te roeren, om nog meerder verwarring te brengen in veler, reeds zoo sterk geschokt gemoed?
Oin ten slotte té zéggen:zêkèrlijk zal menige Classicale Vergadering de kampplaats moeten worden, waar met bittere felheid over , deze zaak wordt gestreden en zal onze Kerk, als zij in deze tijden zóo handelt, niet tot een aanfluiting worden? En zullen niet, zoowel degenen, die buiten haar staan, als vele harer leden zelven, haar gaan vergelijken met het zout dat smakeloos geworden is?
Haast zouden we zeggen: wat een kletskoek! Maar we bedenken ons, dat het dominé's — en nog wel 4 dominé's — zijn die hier spreken. En natuurlijk houden we dan dat woord „kletskoek" in. 't Is ook lang geen deftig woord...
Maar in ernst, is het nu toch niet al te dwaas, dat — óok al van wege den oorlog! — op de Classicale vergaderingen onzer Herv. Kerk niet meer gesproken zal mogen worden over het recht der Kerk om op te komen tegen allerlti bandeloosheid en over het karakter der Kerk, om den Christus Gods te belijden naar de Schriften?
Laat men toch geen kool verkoopen aan de menschtn! Laat men met den ernst der tijden niet spotten!
Laat men den tijd des oorlogs niet uitbuiten tot allerlei dwaasheden!
Of zou de Kerk van Christus, waar het gaat om het rechte evangelie der zaligheid, niet hebben op te komen voor de hoogste belangen ?
Dat er allerlei futiliteiten opzij gezet worden — best.
Dat enkel en alleen behandeld wordt wat iets beteekent en wat dringt — best.
Maar dat is dan toch zeker ook voor de Kerk van Christus de kwestie, of zij den Christus zal belijden naar de Schriften of niet?
En als de Kerk daarover beraadslaagt en zich daarvoor warm maakt, zal iemand dan spreken van smakeloos zout?
Wij willen aan de heeren daar in en rondom 's Hertogenbosch — aan de orthodoxe heeren aldaar — een vraag stellen: laat gij in dezen oorlogstijd ook af met uw evangelisatiearbeid in moderne gemeenten ? Noemt gij uw opkomen voor den Christus nu óok smakeloos zout?
Niet? Welnu kom óns dan niet aandragen met uw vredesbrief, als gij zelf de waarheid beven de leugen blijft stellen in dezen oorlogstijd.
En zoo ja — vraag ons dan nooit meer een gave voor uw arbeid, want gij krijgt geen cent meer van ons.
Smakeloos zout begeeren we niet!
Juist omdat zij groot is.
Zullen wij de behandeling van de belijdeniskwestie uitstellen vanwege de tijdsomstandigheden ?
Wij meenen, dat dit niet moet geschieden. Om in deze dagen over de allergewichtigste belangen der Kerk te spreken kan geen kwaad. En als onze Herv. Kerk sterker mocht komen staan in haar belijdenis aangaande den Christus der Schriften, dan zal dat heerlijk zijn.
Deze droeve tijden hebben ook de Kerk des Heeren veel te zeggen — en zij heeft zich wél te onderzoeken, of zij een getrouwe getuige Christi is; of zij staat als een pilaar en vastigheid der waarheid, dan wel, of zij een onzeker geluid doet hooren en als de vloed heen en weer bewogen wordt, door allerlei wind van leer gedreven.
Wie kan er nu respect hebben voor de Kerk des Heeren, als zij zelf niet weet wat ze te belijden heeft?
En daarom neen, de kwestie van art. 39 Regl. Godsd.onderwijs moet niet uitgesteld worden, maar door de Kerkeraden ernstig en flink besproken, op de classicale vergaderingen kloek behandeld worden!
Het verblijdt ons, dat Dr. Slotemaker de Bruine in de Nederl. Kerkbode hier ook op wijst.
Hij zegt:
»0f onze ernstige tijd de aangewezene is voor de behandeling van dit vraagstuk?
Onder »godsvrede" versta ik, dat men de inferioriteit van alle kleine dingen leert inzien, liefst zóo dat men ze ook na den oorlog als inferieur achten gaat.
Er is m. i. niets tegen, om juist in onze zware dagen de groote vraag van het karakter der Kerk te behandelen, juist omdat zij groot is."
De vrijzinnige prediking er uit!
Dr. Slotemaker de Bruine is in de Ned. Kerkbode aangevallen door Dr. A. van der Flier van Kleef (Nijmegen). En deze had hem o.m. gevraagd: „Zal men de vrijzinnigen pogen uit de Kerk te verwijderen en dit door wijziging van art. 39 Regl. G. O.? "
Dr. S. d. B. antwoordt daarop:
»0p de vraag, of men trachten zal, de vrijzinnigen uit de Kerk te verwijderen, antwoord ik : men moet trachten de vrijzinnige prediking uit de Kerk te verwijderen. Natuurlijk moet men dat. Ik versta iemand niet, die iets Anders zou kunnen antwoorden. Natuurlijk moet het middel voor God bestaanbaar wezen. Maar de getuigenis door de verandering van art. 39 is zulk een middel. Ik kan onmogelijk inzien, wat daarin ongeestelijks is. Deze getuigenis is geen geweld.
Wij Zïjn bet hierin hartelijk met Dr. Slotemaker de Bruine eens!
Natuurlijk moet onze Ned. Herv. Kerk niet kunnen dulden, dat er een vrijzinnige prediking is.
Want dat raakt den Christus Gods. Dat schaadt het Evangelie van Jezus Christus, dat naar de Schriften is.
Dat tast het karakter der Kerk aan. Dat is tegen recht en billijkheid in.
En daarom: een rechtgeaard Hervormd mensch moet zich vierkant tegenover een vrijzinnige prediking stellen.
De Kerk moet er tegen waken. En de Kerk moet alles doen wat recht en billijk is, om de vrijzinnige prediking te verhinderen en onmogelijk te maken.
Wie dan zoo'n vrijzinnige prediking met alle geweld willen brengen, moeten dat maar doen buiten de Herv. Kerk.
In de Herv. Kerk, die een positief-christelijke belijdenis heeft en nog altijd instemming vraagt met den geest en met de hoofdzaak van 'tgeen in hare belijdenisschriften is vervat, mag niet gevergd worden, dat zij blinde-mannetje zal spelen, waar zoo schrikkeiijk misbruik gemaakt wordt van de verleende vrijheid.
Juist omdat het een zaak van het hoogs belang geldt, zou het karakterloos zijn indien de Kerk in deze geen krachtig getuige liet hooren.
Het geldt den Christus Gods. Het geldt het Evangelie der zaligheid. Het geldt het belang der schapen, het heil der zielen.
En nu mag de Kerk niet zwijgen. Spreken, getuigen, handelen is haar hoogs roeping, haar heiligste plicht.
Gooit hem er uit!
In een vergadering van schaapherders, die moesten beraadslagen over het welzijn der kudde, stond een dezer op en zeide, dat er wolven gezien waren, die gevaarlijk werden voor de kudde waarover de herders hadden te waken; en daarom stelde hij voor eens te beraadslagen, hoe men deze 't beste kon keeren en de kudde er voor behoeden.
Maar de vergadering werd aanstonds rumoerig en de een riep: „dat punt is niet aan de orde"; terwijl de ander riep : „gooit hem er uit!"
Waren dat geen dwaze herders? Voelden deze mannen wel veel voor hun schapen ?
Beseften ze wel iets van hun verantwoordelijkheid?
Op onze kerkelijke vergaderingen kan men intusschen precies 'tzelfde beluisteren. Daar wordt ook geroepen: „dat punt is niet aan de orde", „gooit hem er uit!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1915
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's